Over de Grens
   

Wonen in Duitsland, pensioen uit Nederland: actie gewenst!

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn Nederland en Duitsland in onderhandeling geweest over een nieuw belastingverdrag. Op 12 april 2012 is het nieuwe belastingverdrag ondertekend. Toch duurde het nog tot 1 januari 2016 voordat het verdrag in werking trad. Omdat belastingplichtigen er in 2016 nog voor kunnen kiezen het oude verdrag toe te passen, heeft het nieuwe verdrag in de meeste gevallen pas effect vanaf 2017. Met name voor de in Duitsland wonende belastingplichtigen met pensioeninkomen uit Nederland heeft het verdrag grote gevolgen. Hierop ga ik hierna verder in. Ook de mogelijk gewenste actie komt aan de orde. Eerst besteed ik aandacht aan het pensioenartikel onder het oude en het nieuwe verdrag. Uitgangspunt in deze bijdrage is een inwoner van Duitsland die pensioen uit Nederland ontvangt.

Pensioen onder het oude verdrag

Het oude belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland wijst belastingheffing over een bedrijfspensioenuitkering toe aan het woonland. Duitsland mag dus belasting heffen over het bedrijfspensioen dat een inwoner van Duitsland ontvangt uit Nederland. En dat is in het algemeen zeer gunstig omdat pensioen in Duitsland erg laag belast wordt. Zo is in Duitsland nagenoeg geen Duitse belasting verschuldigd bij een pensioen ter hoogte van € 40.000 per jaar. Als hetzelfde pensioen in Nederland belast zou zijn, zou de Nederlandse belasting- en premieheffing ruim € 15.000 bedragen! Een aanzienlijk verschil dus. En dit verschil wordt groter naarmate de pensioenuitkering hoger is.

AOW-uitkeringen, sociale zekerheidsuitkeringen en pensioenuitkeringen vanuit overheidsdienst zijn ter heffing toegewezen aan de bronstaat. Een inwoner van Duitsland die een dergelijke uitkering onder het oude verdrag uit Nederland ontvangt, valt dus onder de Nederlandse heffing.

Pensioen onder het nieuw verdrag

Onder het nieuwe verdrag blijft het woonland heffingsbevoegd. De bronstaat – in casu Nederland – mag echter ook heffen als een inwoner van Duitsland in totaal jaarlijks meer dan bruto € 15.000 aan bedrijfspensioen, lijfrente, AOW, ANW, WAO, WW, WaJong, WIA, WAZO en vergelijkbare uitkeringen uit Nederland ontvangt. Het gaat om een totaal van € 15.000 bruto per belastingplichtige per jaar.

Overheidspensioen blijft ter heffing toegewezen aan Nederland als bronstaat. Dit pensioen telt ook niet mee voor de € 15.000-grens.

Uitwerking van een voorbeeld onder het oude en het nieuwe verdrag

De heer Meijer en zijn vrouw wonen in Duitsland. Zij hebben altijd in Nederland gewoond en zijn na de pensionering naar Duitsland verhuisd. De heer Meijer was timmerman en ontvangt een pensioen van zijn voormalige werkgever van € 17.000 per jaar. Daarnaast ontvangt hij een Nederlandse AOW-uitkering van € 10.000 per jaar. Mevrouw Meijer ontvangt een pensioen uit Nederland van € 1.000 per jaar, die zij als kapster heeft opgebouwd in loondienst. Ook zij ontvangt daarnaast een AOW-uitkering van € 10.000 per jaar.

Onder het oude verdrag is zowel de pensioenuitkering van de heer Meijer van € 17.000 per jaar als de pensioenuitkering van mevrouw Meijer van € 1.000 per jaar aan Duitsland ter heffing toegewezen. Nederland mag heffen over de AOW-uitkering van beiden.

Onder het nieuwe verdrag zal Nederland over het gehele inkomen van € 27.000 van de heer Meijer heffen en zal Duitsland over het gehele inkomen van € 11.000 van mevrouw Meijer gaan heffen.

Lager belastingtarief

Uit het voorbeeld volgt dat het nieuwe verdrag tot gevolg kan hebben dat Nederland heffingsbevoegd wordt over de pensioenuitkering. Dit kan financieel zeer nadelig uitwerken door het verschil in belastingdruk in Nederland respectievelijk Duitsland. De commotie over de nieuwe pensioenbepaling en de vele Kamervragen hierover leidden ertoe dat de ondertekening van het nieuwe verdrag ongekend lang op zich liet wachten.

Omdat belastingplichtigen in 2016 konden kiezen voor toepassing van het oude verdrag zullen zij doorgaans pas vanaf 2017 met het nieuwe verdrag worden geconfronteerd. Omdat de Nederlandse staatssecretaris begrip heeft voor het grote verschil in heffing waar belastingplichtigen door het nieuwe verdrag mee te maken kunnen krijgen is er een aanvullende overgangsregeling getroffen. Onder voorwaarden krijgt de in Duitsland wonende pensioengenieter in Nederland een belastingvermindering. Hiertoe dient de belastingplichtige aan de volgende voorwaarden te voldoen.

De belastingplichtige:

  • Woonde al vóór 12 april 2012 in Duitsland;
  • Ontvangt een pensioen of lijfrente uit Nederland;
  • Betaalt onder het oude verdrag over deze inkomsten belasting in Duitsland;
  • Ontvangt uit Nederland meer dan € 15.000 per jaar aan pensioenen, lijfrenten of sociale- zekerheidsuitkeringen;
  • Ontvangt een pensioen, lijfrente of socialezekerheidsuitkering die is ingegaan vóór 1 januari 2016. Als deze uitkeringen niet allemaal voor 1 januari 2016 zijn ingegaan, geldt de belastingvermindering niet voor het pensioen of de lijfrente waaruit op 1 januari 2016 nog geen betaling is ontvangen.

Als de belastingplichtige aan elk van deze voorwaarden voldoet, is deze over een periode tot maximaal 2021 minder Nederlandse belasting verschuldigd over het pensioen of de lijfrente uit Nederland. In 2017 bedraagt de heffing maximaal 10%, in 2018 maximaal 15%, in 2019 maximaal 20%, in 2020 maximaal 25% en ten slotte in 2021 maximaal 30%. Nadrukkelijk merk ik op dat dit percentage uitsluitend het belastingdeel betreft en dat dit niet ziet op het premiedeel.

Het volgende voorbeeld is ontleend aan de toelichting van de staatssecretaris bij het overgangsrecht.

Een inwoner van Duitsland is ouder dan 65 jaar en hij ontvangt het volgende looninkomen en pensioen uit Nederland:

Nederlands looninkomen € 20.000
Nederlands pensioen € 30.000
Totaal Nederlands inkomen € 50.000
Nederlandse belasting op dit inkomen
(excl. premies, aftrekposten en heffingskortingen)
€ 9.625
Evenredig deel van de belasting op het pensioen
zonder overgangsregeling (€ 30.000 / € 50.000) * € 9.625
€ 5.775
Maximaal verschuldigde belasting over het pensioen,
op basis van de overgangsregeling 10% (2017)
€ 3.000
Vermindering ten gevolge van de overgangsregeling,
€ 5.775 -/- € 3.000
€ 2.775

Het jaar 2017…

De Nederlandse pensioenuitvoerders hebben de in Duitsland wonende belastingplichtigen aangeschreven en aangegeven dat zij vanaf 1 januari 2017 Nederlandse loonbelasting in gaan houden op de uitkering. Zij zijn immers niet bekend met de persoonlijke situatie en kunnen eigenlijk niet anders.

Er zijn minimaal twee gevallen waarin actie noodzakelijk is.

  • Nederland heft over de pensioenuitkering

In veel gevallen mag Nederland volgens het nieuwe verdrag vanaf 2017 heffen over de uitkering. De instantie die het pensioen uitkeert, houdt geen rekening met het mogelijke lagere Nederlandse belastingtarief door toepassing van het hiervoor genoemde overgangsrecht. De belastingplichtige dient te verzoeken om:

  1. een (maandelijkse) voorlopige teruggave; of
  2. een teruggaaf via de Nederlandse aangifte inkomstenbelasting.
  • Duitsland heft over de pensioenuitkering

Als Duitsland mag (gaan) heffen over de pensioenuitkering is ook actie nodig. Ook voor deze situatie hebben de pensioenuitvoerders aangegeven Nederlandse loonheffing in te gaan houden. Als dit niet terecht is omdat het verdrag de heffing aan Duitsland toewijst, is het aan te raden om een vrijstelling van inhouding van Nederlandse belasting te verzoeken. Als het verzoek niet of te laat wordt gedaan, kan de teruggave alsnog via de Nederlandse aangifte inkomstenbelasting worden geclaimd.

Praktijkvoorbeeld met onverwachte gevolgen

Tot slot nog een voorbeeld om inzichtelijk te maken dat internationale wetgeving en bijbehorende advisering soms erg complex kunnen zijn.

Een ambtenaar is zijn hele leven werkzaam geweest voor de overheid. Hij besluit na pensionering te verhuizen naar Duitsland. Hij ontvangt een Nederlands overheidspensioen van € 40.000 per jaar. Daarnaast ontvangt hij een AOW-uitkering van € 10.000 per jaar omdat hij altijd in Nederland sociaal verzekerd is geweest.

Onder het oude verdrag mocht Nederland heffen over het overheidspensioen. Onder het nieuwe verdrag is dit niet anders. Het oude verdrag wijst het heffingsrecht over de AOW-uitkering toe aan Nederland. Het nieuwe verdrag wijst dit heffingsrecht toe aan Duitsland want het bedraagt minder dan € 15.000 per jaar. Dit lijkt gunstig omdat Duitsland immers een lagere heffing kent. Waarbij de Nederlandse heffing over de AOW-uitkering (gegeven het ABP inkomen) circa 40% is.

Ogenschijnlijk is deze pensionado dus met het nieuwe verdrag beter af. Nederland heeft per 1 januari 2015 (!) de eigen wetgeving echter gewijzigd. Vanaf dat moment is het alleen nog mogelijk te kwalificeren als buitenlands belastingplichtige als 90% van het inkomen vanuit aan Nederland ter heffing toegewezen inkomen komt. En daarin zit hier de crux. De AOW-uitkering is onder het nieuwe verdrag aan Duitsland ter heffing toegewezen. Dit aandeel is 20% (€ 10.000 op een totaal inkomen van € 50.000). Daarmee kwalificeert deze ambtenaar vanaf 2015 niet langer en kan hij de hypotheekrente op de lening in verband met de eigen woning in Duitsland niet langer in Nederland in aftrek brengen. De ambtenaar in dit voorbeeld zou een pensioen van ten minste € 90.000 per jaar moeten ontvangen om toch nog te kunnen kwalificeren als buitenlands belastingplichtige. Dat zal doorgaans niet snel aan de orde zijn.

Conclusie

Het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland kent een nieuw pensioenartikel. Voor in Duitsland wonende belastingplichtigen kan dit artikel aanzienlijke gevolgen hebben, die met name vanaf 2017 effect krijgen. Wel kan de belasting onder voorwaarden nog een aantal jaren worden verminderd.

Uit: Over de Grens nr. 1, 2017.
Auteur:
Ricardo te Kaat, belastingadviseur bij Stolwijk Kelderman te Doetinchem (r.t.kaat@stolwijkkelderman.nl)