Over de Grens
   

Van Oostenrijk naar Uganda en weer terug

Eind vorig jaar oordeelde het Hof van Justitie EU (HvJ) dat een Duitse vrouw die door haar Oostenrijkse werkgever, na het doorlopen van een voorbereidende training in Wenen, in Uganda tewerk was gesteld, onder de Oostenrijkse socialezekerheidswetgeving viel. Reden om weer eens stil te staan bij verordening EG 883/2004 (Verordening) en na te gaan op wie de verordening van toepassing is en daarmee wie waar verzekerd en dus premieplichtig is. Na een uitstapje naar Nederlands nationaal recht wordt aandacht besteed aan de algemene en bijzondere aanwijsregel van artikel 11 lid 3 letters a en e Verordening en daarmee samenhangende jurisprudentie. De Verordening is de opvolger van de ‘oude Verordening 1408/71’. Deze wordt aangeduid als ‘oude Verordening’.

Nederlands nationale wetgeving: volksverzekeringen en zorgverzekeringswet

Iedereen die in Nederland woont, is in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen. Op deze hoofdregel zijn uitzonderingen. Zo zijn bijvoorbeeld niet-inwoners die op het Nederlandse continentale plat in dienstbetrekking werken en in Nederland aan de heffing van loonbelasting zijn onderworpen, in Nederland verzekerd. De plaats waar iemand woont wordt overeenkomstig artikel 4 Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR) bepaald aan de hand van feiten en omstandigheden. Alleen ingezetenen die rechtmatig in Nederland verblijven zijn verzekerd. Iemand die niet rechtmatig in Nederland verblijft (vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel) zijn voor de volksverzekeringen uitgesloten. Soms lijkt het of iedere Nederlandse regel uitzonderingen kent. Bij algemene maatregel van bestuur, uitgewerkt in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekeringen volksverzekeringen 1999 (BUB 1999), heeft Nederland de kring van verzekerden uitgebreid en beperkt. En naast het gebonden zijn aan de Verordening, sloot Nederland sociale zekerheidsverdragen.

Een verzekerde is premieplichtig en premie verschuldigd over het premie-inkomen (artikelen 6 en 7 Wet financiering sociale verzekeringen; Wfsv). Het premie-inkomen is gelijk aan het inkomen in box 1 (inkomen uit werk en woning). De premie wordt of ingehouden via loonheffingen of geheven bij aanslag. De premiegrondslag is gemaximeerd (artikel 8 lid 3 Wfsv) op het eindbedrag van de tweede tariefschijf voor de loon- en inkomstenbelasting. De Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene nabestaanden wet (Anw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) hebben jaarlijks vastgestelde premiepercentages (artikel 11 Wfsv). Iemand die niet een geheel jaar is verzekerd, heeft recht op een tijdsevenredig deel van het premiedeel van de heffingskortingen. In het jaar van overlijden is recht op het volledige premiedeel van de heffingskortingen.

Iedereen die verzekerd is voor de Wlz is verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (artikel 2 Zvw) en moet verplicht een Nederlandse zorgverzekering afsluiten. Voor bepaalde groepen geldt een uitzondering op de verzekeringsplicht. Ook voor de Zorgverzekeringswet is het bijdrage-inkomen gemaximeerd. De bijdragen zijn verschuldigd door inhoudingsplichtigen (werkgever of uitkerende instantie) of de verzekeringsplichtige zelf.

Op grond van de Verordening komen onder voorwaarde zorgkosten van buiten Nederland wonende personen ten laste van de Nederlandse zorgverzekering. Het gaat dan om verdragsgerechtigden die zich moeten verzekeren bij een Nederlandse zorgverzekeraar. Een verdragsgerechtigde is een bijdrage verschuldigd aan het CAK. De hoogte van deze bijdrage is afhankelijk van het woonland.

Nederlands nationale wetgeving: werknemersverzekeringen

Werknemers zijn verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen. De diverse regelingen definiëren de begrippen werknemer, dienstbetrekking en werkgever. Voor de werknemersverzekeringen staat aanwezigheid van een echte of fictieve dienstbetrekking centraal. Ook voor de werknemersverzekeringen is de premielicht geregeld in de Wfsv. Net als voor de volksverzekeringen zijn voor de werknemersverzekeringen bepaalde groepen werknemers van verzekeringsplicht en daarmee ook van premieplicht uitgesloten. In het geval van een fictieve dienstbetrekking is sprake van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. Een werkgever is premieplichtig en de hoogte van de premie is afhankelijk van de aard van de arbeidsovereenkomst. In de Wfsv is geregeld wie ten behoeve van welke fondsen (of kassen) premie verschuldigd is.

Internationale sociale zekerheid

Belastingverdragen regelen welk inkomensbestanddeel waar (welk land) wordt belast. Sociale zekerheidsverdragen stellen de toepasselijke socialezekerheidswetgeving vast en zorgen ervoor dat daadwerkelijk in dat land verzekeringsplicht ontstaat. Belastingverdragen zijn niet relevant voor de volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen en de zorgverzekeringswet. En, zoals al aangegeven heeft Nederland met een aantal landen sociale zekerheidsverdragen gesloten en is Nederland gebonden de Verordening toe te passen. Maar ook andere verdragen spelen een rol, bijvoorbeeld het Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen en het Verdrag betreffende de status van Staatlozen. Als betrokken landen het Vluchtelingenverdrag en/of het Staatlozenverdrag hebben ondertekend en hebben bekrachtigd worden vluchtelingen en/of staatlozen gelijk behandeld als onderdanen van de verdragsluitende landen. Wel geldt dat zij legaal op het grondgebied van een van de verdragsluitende landen moeten verblijven. Het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan vluchtelingen uit Oekraïne wordt vergoed. Dit is zo besloten door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De Verordening (EG 883/2004)10

De Verordening is van toepassing op inwoners van de EU, de EER en Zwitserland die voldoen aan de gestelde vereisten en gaat altijd voor op een bilateraal sociaal zekerheidsverdrag. De Verordening voorkomt situaties van zowel dubbel verzekerd zijn als niet verzekerd zijn. De Verordening kent algemene en bijzondere aanwijsregels.

Een persoon op wie de Verordening van toepassing is, is aan de socialezekerheidswetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke socialezekerheidswetgeving dat is blijkt uit de algemene aanwijsregels. Door de exclusieve werking van het recht van één lidstaat wordt dubbele verzekering voorkomen en worden personen die zich binnen de EU, EER en Zwitserland verplaatsen, niet verschillend behandeld. En omdat iemand alleen in de aangewezen lidstaat is verzekerd, is ook alleen in die lidstaat premie verschuldigd.

De Verordening kent fictiebepalingen voor bijvoorbeeld zeevarenden en cockpit- en cabinepersoneel. De bijzondere aanwijsregels gaan voor op de algemene aanwijsregels.

Aldewereld

In de zaak Aldewereld besliste het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ dat artikel 11 lid 3 letter e van de oude Verordening een algemene vangnetbepaling bevat – deze ontbrak in de oude Verordening. Aldewereld woonde in Nederland en ging voor een Duitse werkgever werken en werd direct naar Thailand uitgezonden. Gedurende zijn uitzending bleef Aldewereld in Nederland binnenlands belastingplichtig. De belastingdienst oordeelde dat Aldewereld in Nederland verzekerd bleef, omdat de werkzaamheden buiten het grondgebied van de EU werden verricht. De oude Verordening miste in die situatie toepassing. In cassatie legde de Hoge Raad een prejudiciële vraag voor aan het HvJ. De Hoge Raad oordeelt, in vervolg op de uitleg door het HvJ, dat Aldewereld niet in Nederland is verzekerd maar dat deze leemte is gevuld met een bijzondere aanwijsregel, inhoudende dat op een persoon die woont in lidstaat X en werkt buiten het grondgebied van de EU, EER of Zwitserland voor een in een andere lidstaat gevestigde werkgever, uitsluitend de socialezekerheidswetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever van toepassing is. Deze (Aldewereld) regel is in het BUB opgenomen en behoort daarmee tot het Nederlands nationale recht.

Letse zeevaarder

De Verordening kent een gesloten stelsel en de ‘Aldewereldregel’ was niet van toepassing op de Letse zeevaarder SF. SF woonde in Letland en had de Letse nationaliteit. Van 13 augustus tot en met 31 december 2013 werkte hij in loondienst van een in Nederland gevestigde vennootschap als steward op een zeeschip dat vaart onder de vlag van de Bahama’s. Het schip ligt in die periode boven het Duitse deel van het continentale plat onder de Noordzee. Vraag was of SF premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. Het is de Hoge Raad onduidelijk welke bepaling van toepassing is en de Hoge Raad stelt het HvJ een prejudiciële vraag.

In antwoord op deze vraag oordeelt het HvJ dat in deze situatie de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat van het woonland (Letland) van toepassing is: SF is in Letland blijven wonen en als zeevarende werkt hij voor een Nederlandse werkgever op een schip dat buiten EU-grondgebied onder de vlag van de Bahama’s vaart. Dit betekent, zo concludeert het HvJ, dat SF binnen de werkingssfeer van artikel 11 lid 3 Verordening valt.

Kik

Kik daarentegen woonde in 2004 in Nederland en werkte sinds 1 juni 2004 voor een Zwitserse werkgever als zeevarende op een Panamese pijpenlegger. Tot 25 augustus van dat jaar werkte hij op het Nederlandse deel van het continentale plat. Daarna werkte hij buiten Nederland op het Spaanse continentale plat, in internationale wateren en in de territoriale wateren van Australië. Vraag was of Kik van 1 juni tot en met 24 augustus 2004 in Nederland verzekerd en daarmee premieplichtig is voor de volksverzekeringen. En ook hier stelde de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het HvJ. Het HvJ oordeelde daarop dat Kik binnen de personele werkingssfeer viel van de oude Verordening. Van belang was dat Kik als inwoner van Nederland in Nederland verzekerd was toen hij werd aangeworven door een Zwitserse onderneming. Volgens het HvJ was de situatie van Kik vergelijkbaar met die van Aldewereld. In beginsel was dus ook de socialezekerheidswetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever (Zwitserland) op Kik van toepassing. Echter, op deze regel bestaat één uitzondering: als Kik zich in Zwitserland slechts vrijwillig kan verzekeren of zich in Zwitserland bij geen enkel stelsel van sociale zekerheid kan aansluiten, dan is hij uitsluitend onderworpen aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving.

QY

Onze ontwikkelingswerker. De Duitse vrouw (QY) werkt sinds 2002 in de ontwikkelingshulp. Van 2013 tot en met 2016 verbleef ze met haar gezin afwisselend in Duitsland en Brazilië. De vrouw en haar drie kinderen zijn Duits onderdaan en wonen in Duitsland. De Braziliaanse echtgenoot, vader van de kinderen, bezit in Brazilië onroerende zaken en werkt als landbouwer. Het gezin gaat steeds met de vrouw op uitzending en de man verricht dan huishoudelijke taken.

Op 6 september 2016 sluit de vrouw een arbeidsovereenkomst met een Oostenrijkse NGO met als standplaats Wenen (Oostenrijk). Het gehele gezin valt dan onder de Wiener Gebietskrankenkasse (lokaal ziekenfonds). Na een voorbereidende training in Wenen (van 6 september tot en met 21 oktober 2016) gaat de vrouw met haar gezin naar Uganda en werkte daar tot 15 augustus 2019. Tijdens deze uitzending bracht het gezin vakanties door in Duitsland en hield het gezin in Duitsland bankrekeningen aan. Van 7 oktober 2017 tot en met 7 februari 2018 logeerde de vrouw in verband met de geboorte van het derde kind bij haar ouders in Duitsland. Tijdens haar zwangerschapsverlof ontving zij van het lokale Weense ziekenfonds een zwangerschapsuitkering.

Tot en met september 2016 ontving de vrouw voor de oudste twee kinderen Duitse gezinsbijslagen. De Duitse autoriteiten hebben deze uitkeringen stopgezet omdat Oostenrijk bevoegd was. De vrouw werkte inmiddels in Oostenrijk – ook haar echtgenoot werkte niet in Duitsland. De vrouw diende op 5 oktober 2016 in Oostenrijk een aanvraag in voor gezinsbijslag voor de oudste kinderen en op 8 januari 2018 diende zij een aanvraag in voor het derde kind. Daarbij werd aangegeven dat het gezin niet over een gemeenschappelijke woonplaats in Duitsland of Brazilië beschikte; alle leden van het gezin gingen altijd mee op de buitenlandse uitzendingen. Toen zij de aanvragen voor haar kinderen indiende, werkte de vrouw in Uganda. De aanvragen werden afgewezen waarbij werd aangegeven dat zij geen recht had op Oostenrijkse gezinsuitkeringen omdat zij in een derde land werkte en in Oostenrijk geen sprake was van werkzaamheden in loondienst in de zin van artikel 11, lid 3 letter a Verordening (met andere woorden: Oostenrijk vindt dat de vrouw niet onder de werkingssfeer van de Verordening valt). Het Weense appartement is voor de Oostenrijkse autoriteiten geen woonplaats of verblijfplaats in de zin van de Verordening (artikel 1 letters j en k). Voor het gezin is Oostenrijk als lidstaat geen woonland in de zin van de Verordening (artikel 11, lid 3 letter e) en heeft de vrouw naar Oostenrijks nationaal recht geen recht op gezinsuitkeringen. Beroep tegen de afwijzing volgt en het Oostenrijkse Bundesfinanzgericht (federale belastingrechter in eerste aanleg) stelt diverse prejudiciële vragen. De eerste vraag ziet op uitleg van artikel 11 lid 3 letter e Verordening.

Volgens de rechtspraak van het HvJ is de enkele omstandigheid dat een werknemer buiten het grondgebied van de EU werkt, geen reden om toepassing van de regels inzake het vrije verkeer van werknemers uit te sluiten als de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met dat grondgebied behoudt. Voldoende nauwe aanknopingspunten tussen de arbeidsverhouding en het EU-grondgebied komen met name voort uit het feit dat een in een lidstaat wonende EU-burger is aangeworven door een in een andere lidstaat gevestigde werkgever en voor rekening van die werkgever werkzaamheden verricht. Voor wat betreft het gezin van mevrouw QY moet beoordeeld worden of er voldoende nauwe aanknopingspunten zijn tussen de arbeidsverhouding en de EU: de werkgever is in Oostenrijk gevestigd, de vrouw heeft voorafgaand aan haar uitzending naar Uganda in Oostenrijk een training gevolgd en bij het einde van de uitzending ook een re-integratie. De arbeidsovereenkomst is gesloten naar Oostenrijks recht en de vrouw gaat in het kader van Oostenrijkse ontwikkelingshulp naar Uganda. Deze factoren zijn volgens het HvJ relevant bij de toepassing van artikel 11 Verordening inhoudende dat slechts de wetgeving van één lidstaat van toepassing is.

In ‘Aldewereld’ en ‘Kik’ is door het HvJ een bijzondere aanwijsregel gegeven, maar is ook de vraag beantwoord of de oude Verordening van toepassing is als iemand uitsluitend buiten de EU werkt. Volgens het HvJ wordt aan de territoriale werkingssfeer van de oude Verordening voldaan als de arbeidsverhouding van iemand die niet op het EU-grondgebied werkt, voldoende nauwe aanknopingspunten heeft (of behoudt) met het grondgebied van een lidstaat. Daarvan is sprake als een EU-burger in een lidstaat woont, is aangeworven door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming en voor rekening van die onderneming activiteiten verricht.

De werkzaamheden worden in Uganda (geen lidstaat) verricht. Vraag is of deze werkzaamheden moeten worden geacht in loondienst “in een lidstaat” te zijn verricht zoals bedoeld in artikel 11, lid 3 letters a of e Verordening. Letter e is een vangnetbepaling voor situaties die niet door andere bepalingen van de Verordening worden geregeld. De vrouw werkte in Uganda, maar vóór vertrek en bij terugkeer werkte zij in Oostenrijk en had daar een dienstwoning. Gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst woonde het gezin in Oostenrijk en was het gezin in Oostenrijk sociaal verzekerd.

Ook als de vrouw in een andere lidstaat zou hebben gewoond, lijkt haar situatie op die van Aldewereld. Het HvJ oordeelde destijds dat in een dergelijke situatie de wetgeving van het woonland van de werknemer niet toegepast kon worden omdat deze geen aanknopingspunten heeft met de arbeidsverhouding. Dit is wel zo in relatie tot de wetgeving van het land waarin de werkgever is gevestigd en welke toegepast moet worden. Dit betekent, zo zegt het HvJ, dat weliswaar de werkzaamheden in Uganda worden verricht maar dat de vrouw in Oostenrijk door een Oostenrijkse werkgever in dienst is genomen en zij ook banden heeft met Duitsland waar zij bij haar ouders kan logeren. Volgens het HvJ moet artikel 11 lid 3 letter a Verordening aldus worden uitgelegd dat dit artikel de wetgeving van de lidstaat van de werkgever aanwijst: de vrouw en haar gezin zijn in Oostenrijk verzekerd.

Lopende procedure

Maar hiermee zijn we er nog niet: er loopt een vergelijkbare zaak bij de Centrale Raad van Beroep. Een in België wonende Belg werkt van 1 oktober 2014 tot 31 juli 2018 in Nederland voor een Nederlandse werkgever en is gedurende deze periode in Nederland verzekerd. Per 1 augustus 2018 wordt de man naar China uitgezonden. De SVB verklaart, op verzoek van de man, dat de man van 1 augustus 2018 tot en met 31 juli 2019 in Nederland verzekerd is gebleven voor de volksverzekeringen. De man is het hier niet mee eens en stelt dat de Belgische socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Nederland en China hebben een sociaalzekerheidsverdrag afgesloten. Dit verdrag stelt niet de voorwaarde dat een werknemer op het grondgebied van Nederland of China moet wonen. Onder verwijzing naar artikel 6 van dit verdrag oordeelde de Rechtbank Amsterdam dat op de man gedurende zijn uitzending naar China de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Wonen in België is voor de Rechtbank geen reden de man een beroep op het verdrag te ontzeggen. Artikel 11 lid 3 letter e van de Verordening is volgens de Rechtbank niet van toepassing omdat dit afbreuk doet op de toepassing van het werklandbeginsel (hoofdregel). Dit beginsel is erop gericht dat werknemers die in hetzelfde land werken onder dezelfde socialezekerheidswetgeving vallen en dezelfde premies zijn verschuldigd. Toepassing van de Verordening heeft als ongewenst gevolg dat de in Nederland wonende collega’s van de man die ook naar China zijn uitgezonden anders worden behandeld. We moeten afwachten wat de Centrale Raad van Beroep zal zeggen.

Conclusie

De verrassing van het HvJ voor de Duitse ontwikkelingswerkster QY is dat de algemene aanwijsregel van artikel 11 lid 3 letter a Verordening wordt toegepast in plaats van de vangnetbepaling van artikel 11 lid 3 letter e Verordening. Het HvJ licht dit niet toe. De vraag, of verknochtheid van de arbeid met het grondgebied van een lidstaat doorslaggevend is, beantwoordde het HvJ niet. Anders dan mevrouw QY werd Aldewereld direct naar Thailand uitgezonden. Het is ook nog een vraag of de verrassing voor de vrouw voor zeevarenden kan spelen – voor hen geldt immers een bijzondere aanwijsregel.

In geval van grensoverschrijdend werken is vaak relatief weinig aandacht voor sociale zekerheid en toepassing van de Verordening wordt vaak ‘even’ afgedaan. Echter, als sprake is van werken in een derde land moet toch wel degelijk nagedacht worden. En, gezien de nog lopende procedure, zoals zo vaak: wordt vervolgd!

Auteur(s): Anja van Velzen, All About Tax Den Haag

Uit: Over de Grens, nr. 3, april 2022