Over de Grens
   

De valkuil voor de Nederbelg bij afkoop pensioen in eigen beheer

In het fiscale recht komt het veelvuldig voor dat wetgeving wordt ingevoerd, die niet voor alle groepen even gunstig uitpakt of in het slechtste geval zelfs een dode letter blijkt te zijn. Wat daarbij opvalt, is dat vooral grenswerknemers in de hoek zitten waar de klappen vallen. Het Wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer is daarvan wederom een recent voorbeeld. Ik zal het probleem schetsen aan de hand van de situatie van een in België wonende DGA van een in Nederland gevestigde BV. Eerst zal ik echter nog kort uitleggen wat de mogelijkheden zijn voor een DGA onder de nieuwe wet en mij vervolgens focussen op de fiscale gevolgen van het ‘afstempelen’ en afkopen van de pensioenaanspraak voor een inwoner van België en hoewel de stemming over het wetsvoorstel in de Eerste Kamer eind vorig jaar op het laatste moment is uitgesteld, zal de wet er uiteindelijk toch komen, zodat een gewaarschuwd mens voor twee telt.

Wet uitfasering pensioen in eigen beheer (PEB)

Op Prinsjesdag 2016 verscheen het in dit kader aangekondigde wetsvoorstel. Voor bestaande pensioenvoorzieningen wordt de mogelijkheid geboden de actuariële waarde van de pensioenverplichting af te stempelen naar de fiscale waarde en vervolgens het pensioen fiscaal-voordelig af te kopen in de jaren 2017, 2018 of 2019 of om te zetten in een spaarvariant
(‘oudedagsverplichting’). Concreet zijn er straks dus drie keuzemogelijkheden:
1) afstempelen naar de fiscale waarde en afkoop van het pensioen;
2) afstempelen naar de fiscale waarde en omzetting in een oudedagsverplichting; of
3) handhaven van het ‘pensioen in eigen beheer’.

Welke keuze het voordeligste is, is niet in zijn algemeenheid te zeggen. Dat moet per DGA worden afgewogen en berekend. In het bestek van dit artikel gaan we alleen in op de eerste keuze.

Afkoop

In dit kader is het belangrijk te onthouden, dat zonder fiscale facilitering afkoop nog steeds gewoon een verboden handeling is, in welk geval bij de belastingplichtige de waarde in het economische verkeer van de aanspraak als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking wordt genomen. De heffing over de waarde in het economisch verkeer wordt in een dergelijk geval nog vermeerderd met 20% revisierente. Dat geldt ook als sprake is van het geheel of gedeeltelijk prijsgeven van een pensioenaanspraak. Op deze systematiek maakt het wetsvoorstel een tijdelijke inbreuk.

Formeel vindt de uitfasering onder het wetsvoorstel in twee stappen plaats: De eerste stap is het zonder belastingheffing afstempelen van de commerciële waarde van de pensioenverplichting naar de fiscale waarde. Na het afstempelen is de tweede stap het maken van een keuze tussen de spaarvariant of afkoop van de PEB. Voor DGA’s die voor afkoop kiezen, geldt in 2017 een korting op de heffingsgrondslag van 34,5%. Bij een afkoop in 2018 geldt een korting van 25% en bij een eenmalige uitkering in 2019 resteert nog een korting van 19,5%. In alle gevallen wordt voor de berekening van de korting (om anticipatie te voorkomen) aangesloten bij de fiscale pensioenvoorziening per 31 december 2015. Over een afkoop in deze jaren is evenmin revisierente verschuldigd. Na 2019 vervalt (ook) de korting en geldt weer gewoon de oude regeling.

Belastingverdrag en heffing in België

De heffingsbevoegdheid over afkoop en het prijsgeven van pensioenrechten wordt geregeld in artikel 18 van het belastingverdrag. In beginsel is bij een afkoop vóór pensioendatum, het werkland (bronland) bevoegd om belasting te heffen en bij een afkoop na pensioendatum, het woonland.

Wel moet in voorkomend gevallen nog rekening worden gehouden met de ‘sourcing-rule’, zoals opgenomen in paragraaf 4, en de uitzondering genoemd in paragraaf 2, subparagraaf a. De laatste uitzondering speelt indien en voor zover de bronstaat de pensioenopbouw fiscaal heeft gefaciliteerd en het inkomen in het woonland toch niet tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief voor inkomsten uit loondienst wordt belast, dan wel het brutobedrag van die inkomsten voor minder dan 90% in de belastingheffing wordt betrokken en het totale brutobedrag van dergelijke inkomsten in het kalenderjaar een bedrag van € 25.000 te boven gaat. In dat geval is ook het bronland bevoegd de inkomsten volgens haar wetgeving te belasten. Tot zover is alles nog redelijk overzichtelijk en gaan we de theorie toepassen in de praktijk.

De eerste vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is de vraag of de afstempeling van de commerciële naar fiscale waarde volgens de Belgische wetgeving (WIB 92) een belastbaar inkomen oplevert. Door de afstempeling worden pensioenaanspraken in zoverre definitief prijsgegeven. Het antwoord op deze vraag is erg belangrijk en dat heeft alles te maken met de redactie van artikel 23 van het belastingverdrag. België stelt de buitenlands inkomsten namelijk slechts vrij voor zover de betreffende inkomsten in Nederland zijn belast. Als Nederland dus niet heft over de inkomsten, zijn de inkomsten alsnog belastbaar in het woonland. Dat geldt niet alleen voor het bedrag van de afstempeling, maar ook voor het bedrag van de korting op de heffingsgrondslag. Welnu, er is voor de DGA in dat kader goed en slecht nieuws te melden. Het goede nieuws is, dat België het zogeheten reële stelsel hanteert en een afstempeling niet leidt tot een belastbare bate bij de belastingplichtige. Het slechte nieuws is echter, dat België geen vrijstelling verleent tot het bedrag van de afkoopwaarde, dat correspondeert met het bedrag van de korting, nu formeel geen sprake is van een belastingkorting, maar van een korting op de heffingsgrondslag. Dat houdt concreet in, dat de in België wonende DGA over de volledige afkoopsom van een nog niet-ingegaan pensioen uiteindelijk belasting betaalt, deels in Nederland (conform de Nederlandse wetgeving) en over het bedrag van de korting in België (conform de Belgische wetgeving). Ik laat daarbij de heffing door de methode van vrijstelling (progressievoorbehoud) buiten beschouwing. Wel wordt de heffing in België verzacht. Onder voorwaarden kent België namelijk zogenoemde ‘gunsttarieven’ bij een voortijdige opname van pensioenkapitaal. Zo betaal je over een intern pensioen (PEB) op de leeftijd van 60 jaar over de afkoopwaarde slechts 20% belasting, op de leeftijd van 61 jaar 18% en vanaf de 62-jarige leeftijd daalt het tarief naar 16,5%. Dezelfde gunsttarieven pakken dan weer onvoordelig uit als de DGA een reeds ingegaan PEB afkoopt. Op basis van de hoofdregel van artikel 18 is het woonland in beginsel bevoegd belasting te heffen, maar in een dat geval komen we toe aan de uitzondering genoemd in paragraaf 2, aanhef en subparagraaf a. Hieraan wordt immers voldaan (vooropgesteld dat de afkoopwaarde meer bedraagt dan € 25.000), zodat ook Nederland op basis van het verdrag bevoegd is de inkomsten conform haar wetgeving te belasten en dat doet Nederland conform haar wetgeving ook. Omdat Nederland vervolgens de afkoopwaarde in de jaren 2017 t/m 2019 niet volledig belast, mag België per saldo nog over het vrijgestelde deel heffen en zijn de fiscale gevolgen in feite gelijk aan een afkoop van het PEB vóór de pensioendatum.

Conclusie

Wat de DGA straks gaat doen, is uiteraard een persoonlijke keuze. De uiteindelijke belastingheffing is echter geheel afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Niet in alle gevallen is direct duidelijk of afkoop in een concreet geval voor- of nadelig is en al helemaal niet in het geval dat de DGA in België woonachtig is. Het pad ligt vol met valkuilen. Het is daarom verstandig dat een belastingplichtige advies inwint en alles laat doorrekenen bij een professioneel adviseur voordat hij beslist.

Uit: Over de Grens nr. 2 van 20 februari 2017
Auteur: Edwin van Overmeire, fiscalist/vennoot bij Bolwerk 7 Fiscale & financiële dienstverlenging te Terneuzen. Tevens lid Raadgevende Commissie GWO – Grensoverschrijdend Werken & Ondernemen (evanovermeire@bolwerk7.nl)