Over de Grens
   

De nieuwe Duitse civiele wetgeving in tijden van de COVID-19 crisis

Sinds het begin van de COVID-19 (corona)crisis – dat was voor Duitsland ergens rond 8 maart jl. – staat de wetgevingsmachine in Duitsland nauwelijks stil. Zelden zijn er zo snel zulke ingrijpende wetten gepasseerd en in tijden waarin de Europese politiek log en niet voldoende voorbereid lijkt, bewijzen nationale parlementen hoe snel men het over normaliter controversiële punten (ten minste tijdelijk) eens kan worden. De effectiviteit en snelheid waarmee beslissingen worden genomen om de gevolgen van de coronacrisis eerlijk(er) tussen alle deelnemers in de economie te verdelen, leidt niet alleen tot applaus, maar veroorzaakt ook vraagtekens of de grondrechten, privacy en economische waarden voldoende worden meegewogen.

In de praktijk confronteert de wetgever ondernemers met een juridische situatie, die vaak om de dag verandert. Frustrerend, moeilijk, tijdrovend en misschien zelfs onmogelijk is het voor buitenlandse ondernemers om zich door de nieuwe wetgevingsjungle van de Duitse Bond en de deelstaten te slaan. Derhalve onderstaand een kort overzicht over de belangrijkste nieuwe steunmaatregelen en de veranderde civiele wetgeving in Duitsland tot aan 19 april 2020.

1. Arbeidsrecht – “Kurzarbeitergeld”, sociaalverzekeringsrechtelijke regelingen
Eén van de eerste wetswijzigingen vond plaats met de aanpassing van de voorwaarden voor werktijdverkorting. De regeling voor ondernemers om werktijdverkorting voor hun personeel aan te vragen, werd aanzienlijk versoepeld. Actueel geldt dat een onderneming voor werktijdverkorting sneller in aanmerking komt en vergeleken met de wetgeving vóór 1 maart 2020 geldt:

  • Als, gezien de economische ontwikkeling, minimaal 10% van alle werknemers minder werk heeft (vroeger was dit 30%), kan er werktijdverkorting worden aangevraagd.
  • Voor ingeleend personeel kan eveneens werktijdverkorting en -vergoeding worden toegekend (dit was eerder niet zo).
  • In bedrijven waar werktijden fluctueren, moet er geen negatief saldo bij de werktijd worden opgebouwd alvorens de werktijdverkorting kan worden aangevraagd.
  • De werkgevers krijgen 100% van de sociaalverzekeringsbijdrage teruggestort. Eerder werd deze niet terugbetaald en moest de werkgever dit compleet dragen.

Vakantiedagen over 2020 moeten door de werknemers niet verplicht worden opgenomen vooraleer werktijdverkorting kan worden aangevraagd. Wel stuurt de Bundesagentur für Arbeit erop aan dat resterende vakantiedagen over 2019 nu, in overleg tussen werknemer en werkgever, worden opgenomen. Een verplichting, tegen de wil van de werknemer en gezien de achtergrond van gesloten scholen en opvangmogelijkheden voor kinderen en de hierdoor ontstane uitdaging voor ouders om kinderopvang en werk te combineren, is het niet.

Oppassen: de Duitse regelgeving is niet één op één vergelijkbaar met de Nederlandse NOW. Werknemers ontvangen in Duitsland bijvoorbeeld 60%-67% compensatie van het verlies van hun netto-inkomen.

2. Algemeen verbintenissenrecht – § 240 EGBGB

Een tweede ingrijpende verandering van de wetgeving vond plaats door het invoeren van een nieuwe § 240 EGBGB. In dit artikel werden verschillende nieuwe regelingen omtrent het verbintenissenrecht tijdelijk toegevoegd aan het Duitse civiel recht. In eerste instantie werd er een omvattend recht voor alle ondernemingen overwogen om prestaties tussen maart en juni 2020 op grond van de COVID-19 pandemie te kunnen weigeren. Uiteindelijk ging dit ook voor de “Corona-wetgever” in Duitsland te ver en werden de navolgende nieuwe regelingen opgenomen.

a. Recht prestaties te weigeren (§ 1 Moratorium)

Consumenten: Consumenten die getroffen zijn door de economische gevolgen van de COVID-19 pandemie hebben het recht prestaties op duurovereenkomsten, die ze vóór 8 maart 2020 zijn aangegaan, uit te stellen tot 30 juni a.s., indien zij anders hun familieleden, alimentatiegerechtigde of zichzelf niet van de benodigde levensbehoefte kunnen voorzien.

Kleine ondernemingen: Voor kleine ondernemingen geldt hetzelfde. Van een kleine onderneming is er sprake indien een onderneming niet meer dan 9 werknemers in dienst heeft en maximaal € 2 miljoen omzet behaalt.

Voor beide groepen geldt tevens dat het uitoefenen van dit recht niet als gevolg mag hebben dat de betrokken schuldeiser hierdoor in een voor hem ondragelijke situatie belandt.

b. Huurrecht (§ 2 Miet- und Pachtverhältnisse)

Het huurrecht is een van de weinige onderdelen waarbij de wetgever voor alle bedrijven – weliswaar in mindere mate dan voor consumenten – een huurbescherming heeft geregeld. Voor alle bedrijven geldt dat indien zij de huur voor panden, op grond van de economische gevolgen van de COVID-19 pandemie, tussen 1 maart 2020 en 30 juni 2020 niet kunnen betalen, de huurovereenkomst met hen door de verhuurder niet kan worden opgezegd. Voor consumenten en kleine ondernemingen geldt aanvullend dat zij de huur voor deze periode met de betreffende onderbouwing – zoals onder a. – beschreven, niet moeten voldoen.

Het verschil hiertussen zit in het juridische gevolg van verzuim. Consumenten en kleine ondernemingen raken niet in verzuim en betalen derhalve ook geen rente over de huurbedragen, deze worden namelijk niet opeisbaar. Dit is anders voor grotere ondernemingen, die alleen voor een opzegging worden beschermd, maar wel de financiële gevolgen van het ontstane verzuim zullen moeten aanvaarden en rechttrekken.

Voor alle huurders geldt dat zij de betreffende redenen aannemelijk moeten maken en opgelopen schulden (eventueel inclusief rente) tot uiterlijk 30 september 2022 moeten vereffenen.

c. Consumentleningen (§ 3 Regelungen zum Darlehensrecht)

Consumenten die vóór 15 maart 2020 leningen zijn aangegaan en de rente en/of afbetaling op grond van de gevolgen van de COVID-19 pandemie niet kunnen betalen, zonder hun familie, alimentatiegerechtigden of zichzelf niet meer van de levensbehoefte te kunnen voorzien, mogen alle betalingen die tussen 1 april en 30 september 2020 ontstaan, uitstellen. De lening verstrekkende instanties mogen in de betreffende periode ook geen overeenkomsten met consumenten opzeggen, doordat hun economische situatie is verslechterd. Partijen hebben wel de mogelijkheid gezamenlijk andere regelingen te treffen, die passen bij de situatie van de consument.
De Bondsregering heeft in de wet tevens de mogelijkheid verkregen, door middel van een verordening, ook kleine ondernemingen (zie boven) van deze uitzondering te laten participeren.

De in § 240 EGBGB getroffen maatregelen kunnen door middel van een verordening van de Bondsregering, en derhalve zonder besluitvorming van de wetgevende instanties, ook na 30 september a.s. worden verlengd.

3. Faillissementsrecht (COVID-19 Insolvenz Aussetzungsgesetz (COVInsAG))

Het Duitse faillissementsrecht kent, vergeleken met het Nederlandse faillissementsrecht, een paar strenge regelingen voor de (verplicht) natuurlijke persoon als bestuurder van een GmbH. Ook voor leveranciers en banken bestaat in Duitsland een groot risico, economische schade op te lopen indien ze verder zaken doen met een onderneming die er, voor hen herkenbaar, zwak voorstaat.

Om het aantal faillissementen op grond van de coronacrisis zo laag mogelijk te houden, heeft de wetgever navolgende versoepelingen in het faillissementsrecht in Duitsland toegepast:

Tot 30 september a.s. geen verplichting voor de bestuurder faillissement aan te vragen, indien er sprake is van een “Zahlungsunfähigkeit” of “Überschuldung” op grond van de economische gevolgen van de COVID-19 pandemie. Van “Zahlungsunfähigkeit” is sprake indien de schuldenaar niet in staat is zijn betalingsverplichtingen met de betaalmiddelen die hij ter beschikking heeft, na te leven (§ 17 InSO). Hiervan wordt uitgegaan indien in de komende drie weken 90% van alle verplichte betalingen waarschijnlijk niet kunnen worden gedaan.

“Überschuldung” bestaat indien het vermogen van de schuldenaar en diens verplichtingen in een grof evenwicht staat en er ook geen concrete prognose iets anders uitwijst.

De bestuurdersaansprakelijkheid omtrent het doen van betalingen aan slechts enkele schuldeisers i.p.v. alle schuldeisers in gelijke delen is beperkt. Betalingen die hebben plaatsgevonden kunnen niet zomaar worden teruggedraaid. Dit geeft zekerheid voor leveranciers, die leveringen doen aan financieel zwakke ondernemingen en normaliter moeten vrezen dat curatoren de door hen verrichtte betalingen na het openen van het faillissement terugvorderen.

Leningsovereenkomsten die ondernemingen gedurende deze periode aangaan en ook leningen die verstrekt worden, worden niet gekwalificeerd als “sittendwidrige” bijdrage aan het onrechtmatig uitstellen van het faillissement. Een “sittenwidrige” overeenkomst is in Duitsland nietig.

Schuldeisers worden beperkt in hun mogelijkheden het faillissement van de schuldenaren aan te vragen.

Samenvatting

Er zijn, in een goede zes weken na de uitbraak van de COVID-19 epidemie, in Duitsland een groot aantal wetten aangepast aan de nieuwe situatie. Dit artikel bevat slechts een klein gedeelte en uitsluitend civielrechtelijke regelingen. Daarnaast is er veel gebeurd op het gebied van publiekrecht, bijvoorbeeld ten opzichte van de voorwaarden wanneer er naar Duitsland mag worden afgereisd (zakelijk en privé), strafrechtelijk en natuurlijk vooral fiscaal (aangepaste belastingregelingen). Tevens heeft de Bond en ook de Bondslanden een groot aantal aan steunmaatregelen genomen en steunfondsen opgericht, waarop uiteenlopende groepen beroep kunnen doen. In de zijlijn van de wetgever zitten tevens nog meerdere wetswijzigingen, bijvoorbeeld omtrent geboekte reizen en het terugbetalen van tickets voor sport- en cultuurevenementen in de vorm van vouchers.

Kortom, grensoverschrijdend zaken doen betekent op dit moment de wetgeving in twee landen op nauwe voet volgen en relevante regelingen tijdig herkennen en naleven.

Uit: Over de Grens nr. 4 van 8 mei 2020

Auteur: Mr. Kristin Schenkel, Rechtsanwältin (Duits Advocaat) bij Heisterborg International en redactielid van Over de Grens.