Juridisch up to Date
   

Kerstbomen zijn zo leuk nog niet

Een val maken uit een zes meter hoge boom, je zal er niet aan moeten denken. Dat is echter wel wat een vrijwilliger (“Vrijwilliger”) overkwam toen hij voor de gemeente Leudal (“Gemeente”) een kerstboom wilde omzagen om in één van de dorpskernen geplaatst te worden. Deze onfortuinlijke val leidde voor Vrijwilliger tot ernstige letselschade: hij liep een dwarslaesie op. De vrijwilliger heeft (1) de Gemeente, (2) een stichting via welke de dorpsraad van één van de dorpskernen van de Gemeente actief is (“Dorpsraad”) én (3) de stichting bestaande uit vrijwilligers die feitelijk het plaatsen van de kerstboom zou verzorgen (“Stichting”) aansprakelijk gesteld voor zijn schade. In dit artikel bespreken wij hoe de procedure verliep bij rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad. De feiten waren als volgt.

Feiten

Tot 2011 verzorgde de Gemeente jaarlijks het plaatsen van een kerstboom in haar dorpskernen. Vanaf 2011 is de Gemeente daarmee gestopt. De dorpskernen hebben hierover hun bezwaar geuit en naar aanleiding daarvan heeft de Gemeente in 2013 aan de onder haar vallende dorpsraden toestemming gegeven tot het (jaarlijks) plaatsen van een kerstboom in de dorpskern tegen een geringe kostenvergoeding. De dorpsraden mochten deze activiteit delegeren aan een andere organisatie, in dit geval aan de Stichting. De Stichting houdt zich normaliter bezig met het onderhouden van speelruimtes en zij wordt in stand gehouden door een dagelijks bestuur bestaande uit vrijwilligers die de activiteiten ook voor hun rekening nemen, waaronder ook de Vrijwilliger. Het plaatsen van een kerstboom behoort dus niet tot haar reguliere activiteiten.

De Stichting vond een geschikte kerstboom in de tuin van de buurman van de Vrijwilliger, die de boom gratis ter beschikking stelde. Voordat de kerstboom kon worden geplaatst, zou die eerst door de – niet gekwalificeerde – vrijwilligers van de Stichting worden omgezaagd. Om de boom begeleid om te halen, moest daarin op hoogte een trektouw worden bevestigd. Daarvoor was een hoogwerker beschikbaar, maar die werd uiteindelijk niet gebruikt omdat die te groot bleek te zijn om de tuin in te kunnen rijden. Een ladder was er wel, maar die bevond zich zeshonderd à zevenhonderd meter verderop in een door de Stichting beheerde speelruimte. Omdat het begon te regenen en de Vrijwilliger de klus snel wilde afronden, besloot hij om zonder enige beschermingsmaatregelen de boom in te klimmen om het trektouw te bevestigen. Vervolgens is hij vanaf circa 3,5 meter hoogte op ongelukkige wijze op het dak van een naast de boom staand tuinhuisje gevallen, met voormelde dwarslaesie en levenslange rolstoelafhankelijkheid tot gevolg.

De Vrijwilliger stelt de Gemeente, de Dorpsraad en de Stichting aansprakelijk voor zijn schade en hij voert daarvoor aan dat:

  1. er sprake is van een schending van een uit een overeenkomst van opdracht ex artikel 7:400 jo 7:406 BW voortvloeiende zorgplicht;
  2. voorgenoemde partijen aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW);
  3. hem een beroep toekomt op analoge toepassing van de werkgeversaansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 lid 4 BW, waarbij voor werkgevers geldt dat de op hen rustende zorgplicht zwaar is en zij eerder dan in ander soortige verhoudingen aansprakelijk zijn.

In de kern komt het er volgens de Vrijwilliger op neer dat Gemeente, Dorpsraad en Stichting hebben nagelaten actief toezicht te houden op de veiligheid van de vrijwilligers door te verzuimen veiligheidsinstructies te geven en voor voldoende (veiligheids)materialen ter plaatse te zorgen.

De rechtbank

De rechtbank oordeelt ten aanzien van de eerste grondslag dat de verhouding tussen (1) de Gemeente en de Dorpsraad en (2) de Dorpsraad en de Stichting en (3) de Stichting en de Vrijwilliger niet als overeenkomst van opdracht kwalificeert. Van een dergelijke overeenkomst is sprake wanneer een partij zich jegens een ander verbindt om werkzaamheden te verrichten, tenzij er sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst tot het tot stand brengen van werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, werken uit te geven, of om personen of zaken te vervoeren. De rechtbank overweegt dat het omzagen van de boom niet als verplichting aan de Stichting of aan de Vrijwilliger is opgedragen. Het omzagen van de boom vindt plaats op basis van vrijwilligheid. Daarmee is volgens de rechtbank reeds niet voldaan aan de vereiste verplichting tot het verrichten van werkzaamheden om te kunnen spreken van een overeenkomst van opdracht en daarmee evenmin van (een schending van een) daaruit voortvloeiende zorgplicht.

De rechtbank verwerpt ook het beroep op onrechtmatig handelen door schending van de zorgplicht die volgens de Vrijwilliger op de Gemeente, de Dorpsraad en de Stichting rustte. Zij overweegt dat de Gemeente en de Dorpsraad slechts schakels waren in de keten en feitelijk geen bemoeienis hebben gehad met het omzagen en plaatsen van de kerstboom. Daarom valt volgens de rechtbank niet in te zien welke zorgplicht op hen zou rusten. Ten aanzien van de Stichting acht de rechtbank bij haar oordeel doorslaggevend dat geen sprake is van onrechtmatigheid dat:

  1. de Stichting ten aanzien van het omzagen van de kerstboom niet beroeps- of bedrijfsmatig handelde en dus geen economisch oogmerk had;
  2. sprake was van vrijwilligerswerkzaamheden, waarbij het de vrijwilligers ook volledig vrij stond om daar al dan niet aan deel te nemen. De Stichting is door de Vrijwilliger ook omschreven als “een organisatie met een daarbinnen heersende ongedwongen, informele sfeer met gezelligheidskarakter“; en
  3. geen sprake was van een gezagsverhouding tussen de Stichting en haar vrijwilligers.

Gelet hierop mogen er volgens de rechtbank geen al te hoge eisen worden gesteld op het toezicht door de Stichting op haar activiteiten en rust er een grote mate van eigen verantwoordelijkheid op de vrijwilligers waardoor van een onrechtmatige daad en een daaruit voortvloeiende zorgplicht geen sprake is. Daarbij acht de rechtbank ook relevant dat de Vrijwilliger zich bewust was van de veiligheidsrisico’s van zijn actie, maar dat hij toch zonder de juiste materialen besloot de boom in te klimmen.

De Vrijwilliger baseert zijn vorderingen daarnaast niet direct op artikel 7:658 lid 4 BW, maar hij doet dat beroep in het kader van de gestelde onrechtmatige daad en hij wenst dat aan de maatstaf van artikel 7:658 BW in dat kader analoge toepassing wordt gegeven. De rechtbank doet dit beroep af op basis van dezelfde overwegingen als bij haar beoordeling van aansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW.

Het gerechtshof

Het gerechtshof is de rechtbank gevolgd voor zover zij oordeelde dat er geen sprake is van (aansprakelijkheid op grond van) een overeenkomst van opdracht. Het gerechtshof volgt de rechtbank ook ten aanzien van het ontbreken van onrechtmatig handelen door de Gemeente en Dorpsraad op basis van in feite dezelfde afwegingen. In tegenstelling tot de rechtbank oordeelt het gerechtshof echter wel dat de Stichting op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is.

Het omzagen van een zes meter hoge boom door niet gekwalificeerde vrijwilligers in een tuin bij een woonhuis in de buurt van andere bomen en bebouwing, is volgens het gerechtshof per definitie gevaarlijk. Of deze gevaarzetting ook onrechtmatig is, toetst het gerechtshof aan de hand van de zogenaamde Kelderluik-criteria. Het hangt daarbij (niet limitatief) af van de mate van waarschijnlijkheid dat potentiële slachtoffers zelf niet voldoende oplettend of voorzichtig zullen zijn, de omvang van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de aard en ernst van de gevolgen daarvan en de mate van bezwaarlijkheid, in termen van tijd, kosten en moeite, van te nemen voorzorgs- of veiligheidsmaatregelen. Aan de hand van deze criteria beantwoordt het gerechtshof de vraag of de Stichting voorzorgsmaatregelen had moeten nemen bevestigend.

(Het dagelijks bestuur van) de Stichting heeft volgens het gerechtshof onterecht nagelaten om voorafgaand aan het omzagen van de boom te beoordelen welke materialen nodig waren en tevens om te bezien of er andere veiligheidsvoorzieningen moesten worden getroffen om schade en/of ongevallen te voorkomen. Zo bleek pas achteraf dat de beschikbare hoogwerker te groot was om de tuin in te kunnen, waardoor deze niet gebruikt kon worden. Ook de ladder bevond zich niet binnen handbereik en waren de aanwezige vrijwilligers niet gekwalificeerd om de werkzaamheden te verrichten. Door het niet direct beschikbaar zijn van de juiste middelen, is de Vrijwilliger mede getriggerd in zijn besluit om op eigen initiatief de boom in te klimmen en het trektouw te bevestigen. Hierdoor is er sprake van een door de Stichting gecreëerde onrechtmatige gevaarzetting en daarvoor is zij aansprakelijk.

Ook bij het gerechtshof faalt het beroep van de Vrijwilliger op analoge toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW overigens. Het gerechtshof stelt wel voorop dat vrijwilligers onder omstandigheden een beroep kan toekomen op dit artikel. Het gerechtshof overweegt onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Hoge Raad dat deze aansprakelijkheidsgrondslag is bedoeld voor opdrachtgevers die gelijk gesteld kunnen worden aan een werkgever als hij gelet op zijn sociaaleconomische positie, zeggenschap en instructiebevoegdheid heeft ten aanzien van een vrijwilliger die in dat geval als “werknemer” beschouwd kan worden. In dat geval rust op de “opdrachtgever” een zorgplicht ex artikel 7:658 BW. Net als de rechtbank overweegt het gerechtshof dat de verhouding tussen de Stichting en de Vrijwilliger in dit geval niet valt aan te merken als die tussen een werkgever en werknemer.

De Stichting heeft ook een beroep gedaan op de eigen schuld van de Vrijwilliger ter beperking van haar schadeplichtigheid. De schadevergoedingsplicht kan bij aansprakelijkheid uit hoofde van een onrechtmatige daad worden verminderd wanneer de schade mede het gevolg is van omstandigheden die aan de benadeelde zijn toe te rekenen. Het gerechtshof heeft in dit geval overwogen dat dat de Vrijwilliger zich ervan bewust was, althans had moeten zijn, dat het aanbrengen van een trektouw in een zes meter hoge boom door het daar zelfstandig in te klimmen gevaarlijk is en dat hij toerekenbaar onzorgvuldig heeft gehandeld. Gelet daarop én op de onzorgvuldige handelswijze en schending van de zorgplicht door de Stichting komt het gerechtshof tot een schadeverdeling van 50/50. Het gerechtshof past daarop nog wel een billijkheidscorrectie toe, vanwege de ernstige gevolgen van de val voor de Vrijwilliger. Het gerechtshof komt uiteindelijk tot een verdeling van 25/75, waarbij de Stichting dus het grootste deel van de schade moet dragen.

De advocaat-generaal overweegt naar aanleiding van het cassatieberoep door de Stichting dat het gerechtshof naar zijn mening tot een juiste uitkomst is gekomen, dat er in deze kwestie geen sprake kan zijn van “werkgeversaansprakelijkheid” en dat hij zich gegeven de omstandigheden wel kan vinden in de uitkomst van de schadeverdeling. De Hoge Raad komt niet tot een inhoudelijke beoordeling en motiveert dat verder niet (artikel 81 lid 1 RO). Daarmee staat de uitkomst met het arrest van het gerechtshof dus vast.

Conclusie

Stichtingen, vereniging of bedrijven die gebruik maken van bijvoorbeeld vrijwilligers, doen er goed aan om te beseffen dat er op hen een bepaalde zorgplicht kan rusten die een verhoogde mate van aansprakelijkheid met zich mee kan brengen. Steeds zullen de risico’s moeten worden geïnventariseerd en aan de hand daarvan zullen gepaste maatregelen moeten worden genomen. Het afsluiten van een bij de activiteiten passende verzekering, kan daarbij bovendien nooit kwaad.

Auteur(s): Richard van der Jagt en en Sara Thoolen, Van Iersel Luchtman Advocaten te Breda

Uit: Juridisch Up to Date, nr. 4, maart 2022