Juridisch up to Date
   

Gewoon: nepbonden

Marieke de Ruiter en Gijs Herderscheé wijzen in hun bijdrage ‘Uitzend­sec­tor zet vakbonden buitenspel’ in de Volkskrant van 1 juni jl. dat een zwakte in de cao-wetgeving is dat iedereen in Nederland een vakbond mag oprichten en cao’s mag afsluiten en dat daarvoor geen leden nodig zijn. Hierop valt wel wat af te dingen. Het recht om een vakbond op te richten is gebaseerd op het grondwettelijk recht op vereniging en het recht om cao’s af te sluiten vindt zijn oorsprong in de contractvrijheid. Dat voor een vakbond, formeel in de cao-wetgeving een werknemersvereniging, geen leden nodig zijn, be­rust op een misverstand; een vereniging zonder leden is namelijk ondenk­baar. Ik heb het ook niet voor niets over werknemersvereniging als de for­me­le om­schrijving van een vakbond in de wet, omdat alleen werknemers lid kunnen zijn van een werknemersvereniging/vakbond. Dit wordt aange­duid met het zijn van een ‘zuivere werknemersvereniging’. Als er anderen dan werkne­mers lid zijn van zo’n vereniging/vakbond, is er sprake van een zogenoemde ‘gemengde vereniging’ en dat heeft vergaande consequenties. Die kan na­melijk geen cao’s afsluiten. Om de status van een cao te kunnen krijgen, moet de collectieve arbeidsvoorwaardenovereenkomst die tussen de werk­gevers(bonden) en de vakbonden is gesloten worden aangemeld bij de Mi­nister van SZW. Zodra hij een zogenoemde ‘kennisgeving van ont­vangst’ heeft verstuurd, krijgt deze collectieve arbeidsvoorwaardenover­een­­komst de status van een cao en dan gelden alle juridische gevolgen die de cao-wetgeving aan het zijn van een cao verbindt. De minister moet dan ook nagaan of er wel sprake is van een zuivere werknemersvereniging, en daarmee dus of de gemelde collectieve arbeidsvoorwaardenovereen­komst wel de status van een cao ‘verdient’. Alleen gaat de minister dat niet na en daarmee laat hij een kans om de LBV en daarmee ver­gelijkbare bonden een halt te roepen, mogelijk dus liggen. Dat speelt zeker omdat ook anderen dan werknemers lid kunnen worden van de LBV en er, als ik het goed heb begrepen, sprake is van een stemlidmaatschap waarvan de contributie ook nog eens door de werkgevers(s) wordt vergoed.
De status van een werknemersvereniging is van be­lang omdat cao-bepalin­gen door de minister algemeen verbindend kunnen worden verklaard. Dat betekent dat die cao-bepalingen niet alleen gaan gelden voor degenen die lid zijn van de cao-partij of voor hen die geen lid zijn van een vakbond of lid zijn van een andere vakbond dan die welke de cao heeft afgesloten, maar voor iedereen die onder het toepassingsbereik van die cao valt.

En dan nog de ‘gele bonden’ waarvan in de bijdrage ook sprake is. ‘Gele bonden’ is de letterlijke vertaling van de Angelsaksische aan­duiding ‘yellow unions’, waardoor de betekenis ervan verloren gaat. ‘Yel­low’ heeft hier de betekenis van ‘niet serieus’. Dat blijkt wel uit de be­naming voor de roddel­bladen, namelijk de ‘yellow papers’. In de Angel­saksische wereld heeft men het overigens liever niet over ‘yellow unions’, maar wordt het eufemistische ‘company unions’ ge­bruikt en dat verschijn­sel kennen wij ook in de door de bedrijven zelf opgerichte bonden. Zullen wij dan maar stoppen met de aan­duiding ‘gele bonden’? Dat geldt ook voor de door De Ruiter en Herder­scheé gebruikte term ‘alternatieve bon­den’. Noem het gewoon wat het zijn: nepbonden.

Harry van Drongelen

(emer.) universitair hoofddocent Sociaal Recht en Sociale Politiek Universiteit van Tilburg en (gepens.) senior wetgevingsjurist ministerie van So­ciale Zaken en Werkgelegenheid, en hoofdredactie Juridisch up to Date