Juridisch up to Date
   

Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van de Beklamel-norm: komt het positieve contractsbelang voor vergoeding in aanmerking?

Als een vennootschap niet haar verplichtingen uit een door haar gesloten overeenkomst nakomt, geldt als uitgangspunt dat alleen deze vennootschap aansprakelijk is voor de schade die de contractuele wederpartij als gevolg daarvan lijdt. De Hoge Raad overwoog in het Beklamel-arrest dat een bestuurder naast de vennootschap aansprakelijk kan zijn als hij bij de totstandkoming van een overeenkomst wist of behoorde te weten dat de vennootschap tekort zou schieten in de nakoming van deze overeenkomst en dat de vennootschap geen verhaal zou bieden voor de schade die haar crediteur als gevolg daarvan zou lijden.1 

De Hoge Raad heeft zich in zijn jurisprudentie waarin deze Beklamel-norm aan de orde wordt gesteld niet uitgelaten over de vraag hoe de schade waarvoor de bestuurder aansprakelijk is, vastgesteld moet worden.2 Is de bestuurder aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van de wanprestatie van de vennootschap? Of gaat het om de schade die het gevolg is van de aan de bestuurder verweten onrechtmatig daad, bestaande in het tot stand brengen van een bepaalde overeenkomst? In deze bijdrage stel ik deze vraag centraal. Deze vraag is relevant, omdat deze schades, zoals ik nog zal toelichten, niet steeds dezelfde hoeven te zijn.

In lagere rechtspraak zijn voorbeelden te vinden waarin in Beklamel-gevallen geoordeeld is dat de aangesproken bestuurder alleen voor de laatstgenoemde schade aansprakelijk is.3 Dit oordeel is gebaseerd op de overweging dat de Beklamel-norm beschermt tegen het gevaar dat een crediteur op basis van een door een bestuurder gewekte schijn van kredietwaardigheid een prestatie levert, terwijl de door de vennootschap te leveren tegenprestatie uitblijft. Daarom moet de benadeelde gebracht worden in de hypothetische situatie waarin de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen. Deze jurisprudentie ziet kennelijk alleen ruimte voor vergoeding van het negatieve contractsbelang. Kenmerkend voor de vergoeding van dit belang is dat de benadeelde gebracht wordt in de situatie waarin hij verkeerd zou hebben als de overeenkomst niet gesloten zou zijn. Bij vergoeding van het positieve contractsbelang wordt de benadeelde gebracht in de positie waarin hij verkeerd zou hebben als de overeenkomst correct nagekomen zou zijn.4

In dit artikel beantwoord ik de vraag of deze in lagere rechtspraak gekozen benadering juist is. Ik licht eerst toe hoe vastgesteld moet worden of iemand schade heeft geleden. Vervolgens analyseer ik wat er uit de Beklamel-jurisprudentie van de Hoge Raad afgeleid kan worden als het gaat om de vraag in welke positie de crediteur van de vennootschap gebracht moet worden. Daarna bespreek ik de in de literatuur heersende opvatting en de bezwaren die tegen deze opvatting opgeworpen kunnen worden. Ik sluit af met een conclusie.

Schadevaststelling: een vergelijking met een hypothetisch scenario
Wat als schade aangemerkt kan worden, hangt af van de hypothetische situatie waarmee de feitelijke situatie (waarin sprake is van de onrechtmatige daad) vergeleken moet worden. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet een vergelijking worden gemaakt met de hypothetische situatie waarin de onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven.5 Dit volgt ook uit de formulering van art. 6:162 lid 1 BW: Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.” (onderstreping, RH). Als in de feitelijke situatie sprake is van een nadeel, dat niet aanwezig is in de hypothetische situatie waarin de onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven, dan is er sprake van een causaal verband tussen de onrechtmatige daad en dat nadeel. Dit nadeel kan als schade gekwalificeerd worden. Ik noem dit de ‘klassieke’ benadering van causaliteit en schade.

Aan de hand van de volgende twee voorbeelden licht ik toe dat het in Beklamel-gevallen voor de aansprakelijkheid van de bestuurder kan uitmaken welke normschending weggedacht wordt: de schending van de Beklamel-norm of de wanprestatie van de vennootschap.

Voorbeeld 1
Een bestuurder leent namens een vennootschap € 100.000 tegen een rente van 6% per jaar. De vennootschap failleert en kan de lening en rente niet (terug)betalen. Als de wanprestatie van de vennootschap wordt weggedacht, dan wordt de schade gevormd door het uitgeleende bedrag én de rente. In het hypothetische geval zonder deze wanprestatie zou de geldverstrekker namelijk de hoofdsom en de rente ontvangen hebben.

Als de onrechtmatige daad van de bestuurder weggedacht wordt, dan wordt de schade gevormd door het uitgeleende bedrag. In het hypothetische geval zonder de onrechtmatige daad van de bestuurder, zou de kredietverstrekker namelijk geen lening verstrekt hebben. De misgelopen rente vormt geen schade, omdat in dat geval er geen aanspraak op rente geweest zou zijn.

Voorbeeld 2
Een bestuurder koopt namens een vennootschap een bedrijfspand voor € 100.000. De vennootschap kan de koopsom niet betalen. Daarom vindt de levering niet plaats. De verkoper ontbindt de koopovereenkomst. De crediteur van de vennootschap vordert van de bestuurder een schadevergoeding voor de misgelopen koopsom.

Als de wanprestatie van de vennootschap weggedacht wordt, dan vormt de misgelopen koopsom schade. In het hypothetische geval zonder de wanprestatie zou de crediteur dit bedrag namelijk betaald hebben gekregen. Als de onrechtmatige daad van de bestuurder wordt weggedacht, dan vormt de misgelopen koopsom geen schade. In dat geval zou de overeenkomst niet tot stand zijn gekomen, zodat er ook geen aanspraak op een koopsom geweest zou zijn.

Schade en de Beklamel-norm in het perspectief van de Hoge Raad

De Hoge Raad spreekt in zijn arresten over de Beklamel-norm over een aansprakelijkheid naast de vennootschap, maar hij overweegt daarbij niet, althans niet expliciet, dat het gaat om een aansprakelijkheid voor dezelfde schade als waarvoor de vennootschap aansprakelijk is.6 De door de Hoge Raad gekozen bewoordingen dwingen daarom niet tot de conclusie dat de bestuurder steeds aansprakelijk is voor dezelfde schade als die waarvoor de vennootschap aansprakelijk is.

In het Beklamel-arrest kwam de Hoge Raad – omdat in die zaak de Beklamel-norm niet geschonden was – niet toe aan de vraag of, en zo ja, welke schade de eisende partij had geleden. Aan de orde was een geval waarin de crediteur van de vennootschap goederen had geleverd waarvoor hij niet betaald had gekregen. De crediteur stelde de schade gelijk aan het onbetaalde factuurbedrag. Als de Hoge Raad wél aan de schade- en causaliteitsvraag was toegekomen en de schade zou hebben vastgesteld op het bedrag van de onbetaalde factuur, dan had niet noodzakelijkerwijs daaruit afgeleid moeten worden dat de Hoge Raad de wanprestatie van de vennootschap heeft weggedacht. Ook als de onrechtmatige daad van de bestuurder weggedacht wordt, kan geconcludeerd worden dat de schade gelijk is aan het bedrag van de factuur. De schade bestaat in dat geval uit de waarde van de goederen die niet geleverd zouden zijn als bestuurder de overeenkomst niet tot stand zou hebben gebracht. Deze waarde kan door de rechter op de voet van art. 6:97 BW begroot of geschat worden op de hoogte van het factuurbedrag. De overeengekomen koopprijs geeft immers een indicatie van de waarde van deze goederen in het economisch verkeer. Hieruit volgt dat in bepaalde gevallen de vennootschap en de bestuurder voor hetzelfde schadebedrag aansprakelijk kunnen zijn.

Aan een inhoudelijke beoordeling van de schadevraag kwam de Hoge Raad ook niet toe in HR 27 november 1998 (NJ 1999, 148), maar dan vanwege een cassatietechnische reden. Uit overweging 3.4.2.1 van de conclusie bij dit arrest volgt dat A-G Mok van mening is dat in Beklamel-gevallen alleen het negatieve contractsbelang voor vergoeding door de bestuurder in aanmerking komt.

In het Kloosterbrink/Eurocommerce-arrest heeft de Hoge Raad in een a-typische Beklamel-situatie geoordeeld dat (alleen) het negatieve contractsbelang voor vergoeding in aanmerking komt.7 Het gaat hier om een a-typisch geval, omdat de Beklamel-norm niet was geschonden jegens een crediteur van een vennootschap, maar jegens een derde. De feiten in deze casus waren, versimpeld weergegeven, als volgt:

Twee vennootschappen zijn zowel aandeelhouder als bestuurder van een derde vennootschap. Ik noem deze vennootschap “Vennootschap X”. De aandeelhouders noem ik “Vennootschap A” en “Vennootschap B”. Vennootschap X wil dat de bank haar kredietlimiet verhoogt. De bank is daartoe bereid als Vennootschap A en Vennootschap B de nieuwe kredietlimiet hoofdelijk garanderen. De vennootschappen A en B geven deze garantie af. Als de bank deze garantie inroept jegens de beide aandeelhouders, geeft Vennootschap A aan niet in staat te zijn om haar deel te betalen. Vennootschap B moet daarom het volledige bedrag aan de bank betalen.

Vennootschap B heeft in een procedure tegen de bestuurder van Vennootschap A zich op het standpunt gesteld dat hij jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door haar te bewegen om de garantieverklaring af te geven, terwijl hij wist of behoorde te weten dat Vennootschap A de daaruit voortvloeiende verplichting jegens de bank niet zou kunnen nakomen (waardoor Vennootschap B het volledige bedrag aan de bank zou moeten betalen). Vennootschap B heeft voorts gesteld dat als de bestuurder haar had geïnformeerd over de gebrekkige kredietwaardigheid van Vennootschap A, zij (in het geheel) geen garantieverklaring zou hebben afgegeven. De Hoge Raad heeft in rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5 overwogen dat de bestuurder de Beklamel-norm jegens Vennootschap B heeft geschonden. Ik zie hierin een analogische toepassing van de Beklamel-norm.Vennootschap B moet namelijk als een derde worden aangemerkt, omdat zij geen partij was bij de (niet nagekomen) garantieverklaring. In ‘normale’ Beklamel-gevallen is de eisende partij wel een crediteur van de vennootschap. In de rechtsoverwegingen 4.9 en 4.10 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat niet het positieve, maar het negatieve contractsbelang voor vergoeding in aanmerking komt, omdat Vennootschap B in de toestand moet worden gebracht waarin zij verkeerd zou hebben als zij de garantieverklaring niet afgegeven zou hebben.Dit betekent dat de schending van de Beklamel-norm weggedacht moet worden en niet de omstandigheid dat Vennootschap A de garantieverklaring niet is nagekomen.

Schade en de Beklamel-norm in de literatuur
De heersende opvatting in de literatuur is dat in Beklamel-gevallen de bestuurder naast de vennootschap aansprakelijk is voor dezelfde schade als waarvoor de vennootschap aansprakelijk is.10 In deze opvatting wordt voor de schadevaststelling de wanprestatie van de vennootschap weggedacht. Als deze opvatting overeenstemt met de door de Hoge Raad uitgezette lijn, dan lijkt geconcludeerd te moeten worden dat de Hoge Raad in Beklamel-gevallen een uitzondering maakt op de klassieke benadering van causaliteit en schade. In de jurisprudentie van de Hoge Raad lees ik geen antwoord op de vraag hoe deze uitzondering gerechtvaardigd kan worden. In de literatuur wordt, als ik het goed zie, ook geen aandacht aan deze vraag besteed.

De heersende opvatting stuit op enkele bezwaren. Zo leidt zij ertoe dat de crediteur van de vennootschap in een betere positie komt te verkeren, dan waarin hij verkeerd zou hebben als de bestuurder de overeenkomst niet tot stand gebracht zou hebben. Dat is in strijd met het aan het Nederlandse schadevergoedingsrecht ten grondslag liggende beginsel dat een benadeelde niet in een betere toestand mag worden gebracht dan die waarin hij verkeerd zou hebben als de aan de aangesproken partij verweten normschending achterwege zou zijn gebleven. Als de klassieke benadering wordt gehanteerd, wordt de crediteur van de vennootschap niet beperkt in zijn mogelijkheden om de daadwerkelijk geleden schade vergoed te krijgen. Als bijvoorbeeld de crediteur in de voorbeeldcasus met de geldlening, wanneer de bestuurder de Beklamel-norm niet zou hebben geschonden, het uitgeleende bedrag op een andere manier geïnvesteerd zou hebben en een rendement behaald zou hebben, dan kan hij dit gemiste rendement ook op de bestuurder verhalen.

Bovendien staat de heersende opvatting op gespannen voet met het relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW. De Beklamel-norm wil verhinderen dat een (rechts)persoon op basis van een door een bestuurder gewekte schijn van kredietwaardigheid een overeenkomst met de vennootschap aangaat en op basis daarvan een prestatie levert.11 Daarom strekt deze norm in de eerste plaats ertoe om die (rechts)persoon te beschermen tegen het verlies van het object of de waarde van de door hem te leveren prestatie. Daarnaast beoogt deze norm die (rechts)persoon te behoeden voor het mislopen van voordelen die hij behaald zou hebben, wanneer hij met een andere partij dan de vennootschap gecontracteerd zou hebben. Gelet hierop behoort alleen het negatieve contractsbelang tot de soort schade waartegen de Beklamel-norm beoogt te beschermen.

Conclusie
De jurisprudentie van de Hoge Raad over de Beklamel-norm geeft geen uitsluitsel over de vraag of de aangesproken bestuurder aansprakelijk is voor dezelfde schade als waarvoor de vennootschap aansprakelijk is. In het Kloosterbrink/Eurocommerce-arrest, waarin de Beklamel-norm analoog is toegepast op een a-typisch Beklamel-geval, overwoog de Hoge Raad dat het positieve contractsbelang niet voor vergoeding in aanmerking komt. Mijn mening is dat hetzelfde moet gelden voor ‘zuivere’ Beklamel-gevallen. Gelet op de strekking van de Beklamel-norm is er geen reden om het positieve contractsbelang te vergoeden. Bovendien zie ik niet in op welke grond in Beklamel-gevallen een uitzondering gemaakt zou moeten worden op de klassieke benadering van causaliteit en schade. De lijn van de lagere rechtspraak, zoals in deze bijdrage is besproken, is naar mijn mening juist en zou wat mij betreft dan ook gevolgd moeten worden. Dit betekent dat de crediteur van de vennootschap gebracht moet worden in de positie waarin hij verkeerd zou hebben als de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen en dat hij dus alleen recht heeft op vergoeding van het negatieve contractsbelang.

Noten:

1. HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286 (Beklamel).
2. Zie bijvoorbeeld HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen); HR 5 september 2014, NJ 2015, 21 (Tulip Air); HR 5 september 2014, NJ 2015, 22 (RCI).
3. Rb. Zwolle-Lelystad 21 september 2005, ECLI:NL:RBZLY:2005:AU3196; Rb. Middelburg 31 maart 2010, ECLI:NL:RBMID:BM8669; Rb. Rotterdam 22 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1671.
4. Zie J. Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, Deventer: Kluwer 2012, nr. 203, waarin wordt ingegaan op het onderscheid tussen het positieve en het negatieve contractsbelang.
5. Zie bijvoorbeeld HR 18 januari 2002, NJ 2002, 168, r.o. 3.3; HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1053, r.o. 4.3.2; HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:354, r.o. 3.3.3.
6. Zie voetnoot 1.
7. HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0468, JOR 2009, 221, r.o. 4.10 (Kloosterbrink/Eurocommerce).
8. In gelijke zin: A. Karapetian, Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad: Civielrechtelijke en strafrechtelijke normen voor bestuurders van noodlijdende ondernemingen (diss. Groningen). Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 4.8.2. (hierna: A. Karapetian, 2019). Eveneens in gelijke zin: S.N. de Valk in haar noot bij het Eurocommerce-arrest in Ondernemingsrecht 2009, 150, sub 2.
9. Zie instemmend A. Karapetian, 2019.
10. Zie bijvoorbeeld Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II 2009/469 en J.B. Wezeman, Aansprakelijkheid van bestuurders (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 1998, p. 111.
11. Zie bijvoorbeeld B.F. Assink e.a. in: Evolutie van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht, Deventer: Kluwer 2001, p. 16.

Uit: Juridisch Up to Date nr. 22 van 6 december 2019
Auteur: Mr. R. (Rachid) Haouli, werkzaam bij UdinkSchepel Advocaten, Den Haag