Fiscoloog
   

Verbod op privégebruik auto in arbeidsovereenkomst DGA niet relevant

Een werkgever hoeft geen bijtelling voor de auto van de zaak van een werknemer te doen als de werknemer overtuigend kan bewijzen dat hij op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 privékilometers met de auto rijdt. De werknemer kan het bewijs op verschillende manieren leveren. Ten eerste kan hij een sluitende rittenregistratie bij zijn werkgever inleveren. Ten tweede kan hij een Verklaring geen privégebruik auto aanvragen in combinatie met een sluitende rittenregistratie of ander soort bewijs. Tot slot kan de werknemen een ander soort bewijs leveren. Het is ook mogelijk dat een werkgever simpelweg verbiedt om de auto voor privédoeleinden te gebruiken. Het opnemen in de arbeidsovereenkomst van dit verbod is niet voldoende, dat zou al te gemakkelijk zijn. Doorgaans zal het gepaard gaan met het na werktijd stallen van de auto op een afgesloten terrein en het inleveren van de autosleutels bij het bedrijf. De werkgever zal bovendien moeten controleren of het verbod om de auto na werktijd te gebruiken en de overige afgesproken regels wel door de werknemer worden nageleefd. Een directeur-grootaandeelhouder (dga) is in zoverre in een lastige positie omdat hij zowel de pet van werkgever als van werknemers op heeft. Het in zijn arbeidscontract opnemen van een verbod op het privégebruik van de auto zal de inspecteur dan ook niet zo makkelijk accepteren.

De zaak
Een dga kreeg van zijn BV een auto ter beschikking gesteld die hij niet privé mocht gebruiken. Een rittenregistratie hield de dga niet bij maar hij verzocht de inspecteur wel om een beschikking Verklaring geen privégebruik auto. De inspecteur kwam aan het verzoek tegemoet, waarop de BV geen loonheffing inhield over de jaren 2012, 2013 en 2014. Na controle legde de inspecteur naheffingsaanslagen loonheffingen op aan de dga. Volgens de inspecteur had het verbod in de arbeidsovereenkomst op privégebruik van de auto geen realiteitswaarde omdat de BV van de dga was. De dga ging in beroep en stelde dat de auto door hem en andere werknemers van de BV alleen voor dienstritten was gebruikt en dat de auto na gebruik op het terrein van de BV werd geparkeerd en na sluitingstijd achterbleef achter een afsluitbaar hek. De feitelijke beschikkingsmacht over de auto lag volgens de dga bij de BV. Hof Arnhem-Leeuwarden verwees naar een arrest van 22 januari 2016 en besliste dat in dit geval geen sprake was van een situatie waarin een werknemer de auto slechts mag besturen voor de uitvoering van bepaalde opdrachten van zijn werkgever om in diens belang personen of goederen te vervoeren. De dga kon als enig bestuurder van de BV zelf bepalen of en hoe hij van de auto gebruikmaakte. Het verbod in de arbeidsovereenkomst was niet relevant, omdat in een geval als dat van de dga een verbod niet van belang is voor de vraag of sprake is van terbeschikkingstelling. Dat andere medewerkers de auto ook konden gebruiken was ook niet van belang omdat zij dit alleen konden na overleg met en na toestemming van de dga. De dga had ook niet aangetoond dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 km voor privédoeleinden was gebruikt zodat de naheffingsaanslagen terecht waren opgelegd.

Bron(nen)
Hof Arnhem-Leeuwarden 10 mei 2017, nr. 16/01418

Uit: Fiscoloog nr. 12 van 16 juni 2017
Auteur: mw. drs. A.N.C. Ligtenberg. Hoofdredacteur Fiscoloog, redacteur Fiscaal up to Date & Belastingadviseur te Boskoop