Fiscoloog
   

Oprichting van BV en agiostorting op 31 december geen fraus legis

Een belastingplichtige is in beginsel vrij om een weg te kiezen die voor hem fiscaal het meest voordelig is. Vermogensbestanddelen die in box 1 of box 2 vallen, behoren in beginsel niet thuis in box 3. In artikel 2.14, lid 3 van de Wet IB 2001 is echter een aantal situaties opgenomen, waardoor een vermogensbestanddeel tóch in box 3 valt, ook al valt het vermogensbestanddeel ook in box 1 of box 2. Het moet dan gaan om een tijdelijke overheveling van vermogensbestanddelen rondom de peildatum. De Belastingdienst heeft zijn vizier op personen die voor het einde van het jaar grote bedragen aan contant geld opnemen van hun rekening, die zij in het begin van het daaropvolgende jaar weer terugstorten. Daarmee proberen zij deze bedragen aan het zicht van de Belastingdienst te onttrekken. Een inspecteur stelde in dit kader dat de oprichting van een BV door een 79-jarige man en de storting van een bedrag van € 1,5 mln kort voor de peildatum van box 3 fraus legis was. Rechtbank Zeeland-West-Brabant was het hier niet mee eens.

De zaak

Een man exploiteerde tijdens zijn leven een landbouwbedrijf samen met zijn broer. Toen die broer in 2009 overleed, verkocht de man de boerderij maar niet de bijbehorende land­bouwgrond die hij wilde behouden met het oog op een herstart van het familiebedrijf. Op 31 december 2012 richtte hij een BV op waar­van hij bestuurder was. Op dezelfde dag stortte de man vanaf zijn privérekening € 1,5 mln op een derdenrekening van de notaris. Op 21 januari 2013 werd eenzelfde bedrag gestort vanaf de derdenrekening op de bankrekening van de BV met als vermel­ding “Agiostorting inzake oprichting”. De man overleed in 2013. Zijn neef en nicht waren zijn erfgenamen. De nicht diende de aangifte inkomstenbelasting 2013 van haar oom in. De inspecteur stelde dat sprake was van fraus legis omdat het oprichten van een BV door een 79-jarige persoon en het storten van het betreffende bedrag kort voor de peildatum van box 3 volgens hem alleen tot doel had om in­komstenbelasting te ontwijken. Hij verhoogde de rendementsgrondslag van box 3 met € 1.861.579, bestaande uit de agiostorting, de waarde van de landbouwgrond en de liquide middelen. De neef en nicht gingen in beroep. Zij stelden dat het bedrag van de agiostorting door de BV was gebruikt voor de aankoop van grond, toeslagrechten, machines en inventaris en als werkkapitaal. Zij wezen op een op 28 december 2012 tussen hun oom en de BV in oprichting gesloten overeenkomst waarbij hun oom de landbouwgrond ter beschikking had gesteld aan de BV in oprichting.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de oom in strijd met doel en strekking van de Wet IB 2001 had gehandeld. Daaraan deed niet af dat de oprichting van de BV en de storting op de dag voor de peildatum van 1 januari hadden plaatsgevonden. Volgens de Rechtbank was het inherent aan het systeem van box 3 dat dit incidenteel een voordeel (of nadeel) kon opleveren voor een belasting­plichtige. De Rechtbank was het niet eens met de inspecteur dat zolang de BV de landbouw­grond nog niet feitelijk in gebruik had genomen er geen sprake kon zijn van terbe­schikkingstelling. De Rechtbank verklaarde het beroep van de erfgenamen gegrond.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 september 2017, nr. 16/2502

Uit: Fiscoloog nr. 19 van 20 oktober 2017
Auteur: mw. drs. A.N.C. Ligtenberg. Hoofdredacteur Fiscoloog, redacteur Fiscaal up to Date & Belastingadviseur te Boskoop