Fiscoloog
   

Eenmalige schenking van € 100.000 behoorde niet tot erfenis

Mevrouw A kreeg op 25 maart 2014 een schenking van mevrouw B van € 100.000. De echtgenoot van mevrouw A was de schriftelijk gevolmachtigde van mevrouw B. In de schenkingsaangifte werd een beroep gedaan op de eenmalige verruimde vrijstelling van artikel 33a van de Successiewet. De inspecteur gaf een beschikking dat geen aanslag schenkbelasting zou worden opgelegd. Op 13 januari 2015 overleed mevrouw B. Uit haar testament bleek dat mevrouw A haar enig erfgenaam was. De echtgenoot van mevrouw A was de executeur. Hij deed aangifte erfbelasting naar een belaste verkrijging voor zijn vrouw van € 75.412. De inspecteur verhoogde dit bedrag met de schenking van € 100.000 die mevrouw A al had ontvangen. De inspecteur stelde primair dat de volmacht van mevrouw B niet de bevoegdheid omvatte om schenkingen te doen en dat de schenking daarom nietig was. Mevrouw A ging in beroep.

Rechtbank Den Haag besliste dat de volmacht van de echtgenoot van mevrouw A toereikend was om de schenking te doen. De door mevrouw B verleende volmacht was een algemene volmacht als bedoeld in artikel 3:63 van het Burgerlijk Wetboek. Daaronder wordt verstaan de volmacht die alle zaken van de volmachtgever en alle rechtshandelingen omvat, met uitzondering van wat ondubbelzinnig is uitgesloten. In de volmacht was het doen van schenkingen niet ondubbelzinnig uitgesloten, zodat de gevolmachtigde bevoegd was om de schenking te doen. De Rechtbank verwierp ook de stelling van de inspecteur dat de schenking nietig was omdat die was gedaan in strijd met het “verbod van selbsteintritt” als bedoeld in artikel 3:68 van het Burgerlijk Wetboek. Daarvoor was nodig dat door één van de partijen de nietigheid werd ingeroepen. Het was echter niet gebleken dat mevrouw B of mevrouw A als haar erfgenaam daar reden toe had. Verder leidde de Rechtbank uit het feit dat mevrouw B mevrouw A tot haar enig erfgenaam had benoemd, af dat mevrouw B haar vermogen aan mevrouw A wilde doen toekomen. Dat ervoor was gekozen dit eerst gedeeltelijk via een (vrijgestelde) schenking te doen, deed volgens de Rechtbank aan deze bedoeling niet af. Integendeel. De schenking was daarom op rechtsgeldige wijze tot stand gekomen en de inspecteur had ten onrechte het bedrag hiervan tot de erfrechtelijke verkrijging gerekend. Verder was de eigenwoningschuld met het bedrag van de schenking afgelost. De Rechtbank verklaarde het beroep van mevrouw A gegrond.

Bron: Rechtbank Den Haag 24 augustus 2017, nr. 17/2377

Uit: Fiscoloog nr. 19 van 20 oktober 2017
Auteur: mw. drs. A.N.C. Ligtenberg. Hoofdredacteur Fiscoloog, redacteur Fiscaal up to Date & Belastingadviseur te Boskoop