Fiscoloog
   

Box 3-heffing over door Staat onteigende SNS-aandelen niet terecht

De Hoge Raad stemde op 10 juni 2016 in met het forfaitair rendement van 4% voor box 3. Die procedure betrof het jaar 2011. Sindsdien zijn er nog veel procedures gevoerd over hetzelfde vraagstuk voor andere (latere) jaren. In alle gevallen beslissen de Rechtbanken en Hoven dat het 4%-rendement is toegestaan en dat dit geen individuele en buitensporige last vormt voor de belastingplichtige. Hof Arnhem-Leeuwarden besliste in een opmerkelijke procedure onlangs afwijkend en besliste dat het 4%-rendement wel een individuele en buitensporige last vormde voor de belastingplichtige.

De zaak betrof een AOW´er die lang geleden zijn eigen woning had verkocht en de verkoopopbrengst had geïnvesteerd in een effectenportefeuille die op 1 januari 2013 € 275.434 waard was. In de loop van januari 2013 verkocht hij al zijn aandelen en op 31 januari 2013 kocht hij van de opbrengst voor € 290.955 aandelen SNS Reaal. Een dag later, op 1 februari 2013 onteigende de minister van Financiën de aandelen SNS van de AOW´er (en alle andere aandeelhouders). Een maand later deed de minister een aanbod van schadeloosstelling van € 0. De AOW´er waardeerde in zijn aangifte inkomstenbelasting 2013 de effectenportefeuille op nihil. De inspecteur was het met de man eens dat zijn geval wel bijzonder sneu was maar er mocht geen rekening worden gehouden met waarde- en vermogensmutaties die zich na de waardepeildatum hebben voorgedaan. De AOW´er liet het er niet bij zitten en stelde dat sprake was van een individuele en buitensporige last omdat zijn vermogen kort na de waardepeildatum van 1 januari 2013 was tenietgegaan zodat hij vanaf dat moment geen enkel rendement meer kon behalen. Hij was 75 jaar, genoot alleen een AOW met een klein aanvullend pensioentje en was door de correctie ook zijn huurtoeslag kwijtgeraakt.

Hof Arnhem-Leeuwarden was het op het door de AOW´er ingestelde hoger beroep met de man eens. De wetgever had weliswaar een zeer ruime beoordelingsmarge en had die volgens het Hof niet overschreden maar in dit specifieke geval was wel sprake was van een individuele en buitensporige last. Het inkomen van box 1 bestond uit een AOW van € 11.627 en een pensioen van € 1.593. De belasting over het inkomen uit box 3 bedroeg € 3.129 zodat nog € 10.062 netto overbleef. Als gevolg van het inkomen van box 3 kwam de man niet meer in aanmerking voor huurtoeslag. Niet alleen kon het onteigende vermogen in 2013 geen inkomsten meer opleveren maar de man zou nooit meer de kans hebben om rendement te behalen omdat het vermogen door de Staat was ontnomen. Daarnaast was per 1 januari 2011 de tweede peildatum (31 december) afgeschaft zodat het nadeel ook niet meer werd gedempt. De wijze van belastingheffing over vermogensinkomsten had voor de AOW´er zo’n verstrekkende gevolgen (door de heffing daalde zijn inkomen namelijk onder de armoedegrens en hij kwam ook niet meer in aanmerking voor huurtoeslag) dat de heffing in dit geval niet meer in een redelijke verhouding stond tot het met de naheffing nagestreefde – legitieme – doel. Het Hof berekende het inkomen uit sparen en beleggen alleen over alleen de maand januari (dus 1/12) en verklaarde het hoger beroep van de AOW´er gegrond.

Bron(nen)
Hof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2017, nr. 16/00215

 

Uit: Fiscoloog nr. 7 van 7 april 2017
Auteur: mw. drs. A.N.C. Ligtenberg. Hoofdredacteur Fiscoloog, redacteur Fiscaal up to Date & Belastingadviseur te Boskoop