Fiscoloog
   

Boete van de baan bij inschakelen van deskundige adviseur

Een belastingplichtige die te goeder trouw is en een (belasting)adviseur heeft ingeschakeld, heeft volgens de Hoge Raad niets te vrezen en hoeft zich inhoudelijk niet te verdiepen in een belastingregeling die in zijn aangifte is toegepast. Dat geldt zelfs als het om betrekkelijk eenvoudige regelingen gaat. De zaak waarin dit werd beslist, lag als volgt.

De zaak

Een BV hield zich bezig met het begeleiden van mensen vanuit een uitkeringssituatie naar een arbeidssituatie. In de jaren 2009 tot en met 2013 plaatste een gemeente langdurig werklozen bij de BV. Zij paste voor hen de afdrachtvermindering onderwijs startkwalificatie toe. De inspecteur kwam erachter dat de BV helemaal niet beschikte over de noodzakelijke verklaring CREBO-erkende opleiding. Verder ontbrak in tien gevallen de verklaring UWV-werkbedrijf. Hij legde aan de BV naheffingsaanslagen loonheffingen op met vergrijpboeten van 25%. Hof Den Haag en Rechtbank Den Haag beslisten dat het bezit van de verklaring CREBO-erkende opleiding en de verklaring UWV-werkbedrijf vereist was voor de afdrachtvermindering, zodat de naheffingsaanslagen terecht waren opgelegd. Wat de boeten betreft, besliste het Hof dat de BV zich op de hoogte had moeten stellen van de voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering. De BV ging in cassatie en stelde dat zij recht had op de afdrachtvermindering. Ten aanzien van de boete (die het Hof had al verminderd naar 50%) stelde de BV dat het Hof ten onrechte geen rekening had gehouden met het feit dat zij een gerenommeerde Register Belastingadviseur had ingeschakeld die op de hoogte had moeten zijn van de ingewikkelde fiscale regeling.

De Hoge Raad was het met het Hof eens dat de BV geen recht had op de afdrachtvermindering. Met betrekking tot de boete besliste de Hoge Raad echter dat als een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet hoeft te twijfelen, de belastingplichtige zich niet zelf ook in de inhoudelijke aspecten van de belastingregelingen hoeft te verdiepen. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en verwees de zaak voor de boete naar Hof Amsterdam. Daarbij gaf de Hoge Raad nog een opdracht mee aan het verwijzingshof. Volgens de Hoge Raad komt het er bij een belastingplichtige die zich heeft laten bijstaan door een adviseur, op aan of de relatie met de adviseur van dien aard is dat de belastingplichtige erop mocht vertrouwen dat de met bijstand van die adviseur gedane aangiften juist zouden zijn. In dit geval had de BV aan het kantoor doorgegeven voor welke werknemers de afdrachtvermindering moest worden toegepast. In verband hiermee moet na verwijzing worden onderzocht of de relatie tussen de BV en het kantoor meebracht dat het kantoor zou beoordelen of en in hoeverre was voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering en daarmee bij het opmaken van de aangiften rekening zou houden.

De Hoge Raad besliste op 13 februari 2009 (zie Fiscoloog 2009-0044 van 5 maart 2009) met betrekking tot een afdrachtvermindering langdurig werklozen dat een belastingplichtige zich niet hoefde te verdiepen in de inhoudelijke aspecten van de toegepaste belastingregelingen als hij zich laat bijstaan door een voldoende deskundige adviseur en niet hoeft te twijfelen aan de zorgvuldige taakvervulling van die adviseur. Dit arrest was volgens het Hof in deze zaak niet aan de orde omdat het bij de afdrachtvermindering onderwijs om betrekkelijk eenvoudige formele voorwaarden ging om in aanmerking te komen voor die afdrachtvermindering. In het marktsegment waarin de BV werkzaam was, was dit geen onbekende afdrachtvermindering en de BV had zich volgens het Hof op de hoogte moeten stellen van de voorwaarden. De Hoge Raad hield zich op 3 februari 2017 echter vast aan zijn arrest van 13 februari 2009. Als een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mag houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet hoeft te twijfelen, kan van de belastingplichtige niet worden verlangd dat hij zich verdiept in de belastingregelingen die op hem van toepassing zijn. Dit geldt zelfs als de belastingplichtige zich wél heeft verdiept in belastingregelingen die op hem van toepassing zijn; ook dan hoeft hij niet te controleren of de deskundige adviseur die hij heeft ingeschakeld die regelingen wel goed heeft toegepast.

De fiscale kennis van een belastingplichtige speelt dus alleen een rol als hij zijn zaken zelf, zonder gemachtigde, regelt. Als de belastingplichtige een belastingadviseur inschakelt, is de kennis en ervaring met betrekking tot belastingaangelegenheden van de belastingplichtige van belang bij de zorg die van hem mag worden verwacht in de keuze en bij de samenwerking met de belastingadviseur. Als de belastingplichtige op dit punt niets kan worden verweten, doen zijn kennis en ervaring met betrekking tot de inhoudelijke aspecten van fiscale regelingen er niet meer toe. Dat geldt dus ook voor betrekkelijk eenvoudige regelingen.

Bron(nen)
Hoge Raad 3 februari 2017, nr. 16/02451

Uit: Fiscoloog nr. 4 van 24 februari 2017
Auteur: mw. drs. A.N.C. Ligtenberg. Hoofdredacteur Fiscoloog, redacteur Fiscaal up to Date & Belastingadviseur te Boskoop