Fiscaal Praktijkblad
   

Vertrouwen in de toekomst mag blijkbaar wat kosten

De fiscale maatregelen uit het regeerakkoord

Na een recordformatie (althans wat duur betreft) werd op 10 oktober 2017 door VVD, CDA, D66 en ChristenUnie het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ gepresenteerd. Hoe een regeerakkoord getiteld moet worden is blijkbaar nog wel ‘een dingetje’. Niet te oubollig of braaf, niet te vaag en vooral veel (heel veel) hoop en daadkracht. Blijkbaar voldeed de nu voorliggende slogan aan de gestelde vereisten. In het – van kaft tot kaft – zeventig pagina’s tellende document is erg veel opgenomen, waaronder ook tal van fiscale maatregelen. Het zijn deze maatregelen die in deze bijdrage onder de loep zullen worden genomen. Deze maatregelen staan overigens – vooralsnog! – los van het op Prinsjesdag gepresenteerde Belastingpakket 2017. Toch valt het niet helemaal uit te sluiten dat de in het Regeerakkoord opgenomen plannen (deels) aanhaken bij het Belastingpakket 2017. Dat zal ook vele te maken hebben met de datum waarop het nieuwe kabinet zijn nieuwe plannen in werking wil laten treden en waar de daarvoor benodigde dekking vandaan moet komen. Om de plannen van ‘Rutte 3’ volledig te doorgronden moet ook aandacht besteed worden aan details. Want nu al is gebleken dat in een tabel verstopte bedragen of een tussen neus en lippen door gebezigd woordje voor grote paniek kunnen zorgen. En natuurlijk zijn er de (naar ik hoop en aanneem) onverwachte gevolgen. Want wie had voorzien dat door de voorgestelde renteaftrekbeperkingen de door velen zo intens gehate private equity sector (door de toenmalige Duitse minister Franz Müntefering als Heuschrecken (sprinkhanen) aangeduid) minder op tafel zal willen gaan leggen voor overnameprooien, zoals het Financieele Dagblad onlangs berichtte? Of dat – zoals dezelfde krant wist te melden – het verdwijnen van de dividendbelasting vijandige overnames lastiger al gaan maken? Dit soort collateral damage maakt de nu op tafel liggende voorstellen alleen maar interessanter!

De voorstellen omvatten nagenoeg de totale pocket belastingwetten. Een overzicht.

Inkomstenbelasting

De wijzigingen in de inkomstenbelasting zijn talrijk en divers. Ze zijn ook omstreden en hebben ook al enkele nieuwe woorden (aflosboete en boodschappentaks) opgeleverd.

Tarief en heffingskortingen

Centraal in de plannen staat de invoering van een oude CDA-wens, de (sociale) vlaktaks. Dit is een – soort van – vlaktaks, maar toch ook weer niet helemaal omdat er voor de hogere inkomstens toch een hoog tarief gaat gelden. Vlak maar wel met mate dus. Overigens zou het overgrote gedeelte van de Nederlanders wel alleen maar in de eerste schijf belast gaan worden. In de plannen van het nieuwe kabinet zullen er nog maar nog maar twee belastingschijven bestaan: een basistarief van 36,93 procent en een hoog tarief van 49,5 procent. Het lage tarief zal gaan gelden voor inkomsten tot ongeveer € 68.600 euro. Over die inkomsten betaal je in de toekomst dus 36,93 procent. De nieuwe tariefstructuur lijkt vooral voordelig uit te pakken voor mensen met een inkomen tussen € 20.000 en € 68.000. Maar ook wie nu al in de hoogste schijf van 52% valt gaat er over het in de hoogste schijf vallende inkomen 2,5% op vooruit, waarbij opgemerkt moet worden dat de grens van het inkomen waarover dit hoogste tarief betaald moet worden wordt opgerekt.

Mensen die op dit moment met hun inkomen enkel in de laagste schijf vallen gaan er op achteruit, nu hun tarief van 36,55% naar 36,93% gaat. Deze groep kan echter aanspraak maken op de verhoogde heffingskortingen. Zo zal de algemene heffingskorting met circa € 350 verhoogd gaan worden terwijl de arbeidskorting met circa € 365 stijgt. Vraag daarbij is dan wel of deze verhoogde heffingskortingen inkomensafhankelijk zullen zijn of niet.

Wat ook nieuw is, is de invoering van een extra schijf voor AOW-gerechtigden. Deze extra schijf zal een tarief gaan krijgen dat lager ligt dan het tarief in de eerste schijf. Dit verschil wordt gerechtvaardigd door het feit dat deze belastingplichtigen geen premie AOW verschuldigd zijn. Overigens bevatte het Belastingpakket 2018 al enkele maatregelen voor senioren.

Per saldo is de invoering van een sociale vlaktaks geen goedkope maatregel. De gezamenlijke maatregelen kosten de Staat bijna zes-en-een-half miljard euro.

Eigen woning

Ook de fiscale behandeling van de eigen woning gaat in de nu voorliggende plannen weer uitgebreid op de schop. Allereerst wordt – en die mogelijkheid zat er eigenlijk al in vanaf het moment dat deze maatregel werd ingevoerd – de afbouw van het tarief waartegen hypotheekrente in aftrek kan worden gebracht versneld. Vanaf 2020 zal in vier jaarlijkse stappen van 3%-punt aftrek enkel alleen nog maar mogelijk zijn naar het nieuwe basistarief. Het aftrektarief komt in 2021 op 43%. Anders gezegd: na een relatief korte overgangsperiode van vier jaar is aftrek van hypotheekrente (en andere aftrekbare kosten) enkel mogelijk tegen het eerste schijf tarief. Daarmee wordt de nu reeds bestaande niet-spiegelbeeldige behandeling van inkomsten en aftrekposten met de eigen woning alleen nog maar vergroot.

De opbrengst van de versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek wordt – volgens de tekst van het regeerakkoord – volledig gebruikt om de eigenwoningbezitters te compenseren door verlaging van het eigenwoningforfait. De vraag is hoeveel waarde aan dergelijke toezeggingen moet worden gehecht, nu verlagingen in de regel slechts houdbaar zijn tot aan de eerstkomende verhoging. Maat goed: het is een gebaar, wat niet wegneemt dat het zuur (de versobering van de aftrek) en het zoet (de verlaging van de bijtelling) dan wel binnen één-en-de-zelfde groep belastingplichtigen wordt verdeeld, maar dat niet iedere belastingplichtige in dezelfde mate deelt in het zuur in het zoet.

Last – but zeker nog least – is besloten om de bekende regeling ‘aftrek wegens geen of beperkte eigen woningschuld’ (beter bekend als de Wet Hillen) de komende 30 jaar (op het allerlaatste moment is besloten om deze overgangsperiode op te rekken van twintig naar dertig jaar) stapsgewijs af te bouwen. Het plan hiertoe kwam niet uit de koker van de VVD aldus de premier, maar in combinatie met de verlengde afbouwperiode vond hij het wel verdedigbaar. Bovendien, zo stelde de bewindsman, zou door de verplichte aflossing over een aantal jaren iedereen aanspraak kunnen maken op deze faciliteit, en dat was nu ook weer niet de bedoeling. Waarmee de wijze woorden van wijlen professor Van Dijck werden bevestigd dat fiscale faciliteiten die niet (langer) aan de happy few zijn voorbehouden doorgaans hun langste tijd wel hebben gehad. Verder viel in alle ingezonden mededelingen – en zeker niet alleen op de beruchte website Geen Stijl – de vox populi te beluisteren, die toch in grote meerderheid van oordeel is dat de (nieuwe) regering zich met het afschieten van de Wet Hillen zich weer eens van haar meest onbetrouwbare kant heeft laten zien. Want eerst werden belastingplichtigen met de wortel van Hillen verleid om massaal af te lossen, in het vooruitzicht gesteld, waarna als die wortel binnen handbereik was gekomen de regeling schielijk werd afgeschaft maar het terugdraaien van de eerdere vrijwillige aflossingen uiteraard niet denkbaar was, althans niet met herstel van de fiscale situatie van voor de aflossing!

Box 3

De in 2001 ingevoerde vermogensrendementsheffing (ook wel bekend als de pretbox van Gerrit Zalm) lag al jaren onder vuur, nu het daar verondersteld te behalen risicoloze rendement van 4% in de verste verten niet meer haalbaar was. Dat dit scheve ogen gaf bij belastingplichtigen die hun hele (of meer!) reële rendement (voor inflatie, ook dat nog) wegbelast zagen worden mag duidelijk zijn. Tot overmaat van ramp werden iets grotere vermogen met ingang van 2017 ook nog eens zwaardere aangeslagen, vanuit de (overigens op drijfzand gebaseerde veronderstelling) dat een groter vermogen ook automatisch beter rendeert.

Afgesproken is nu (maar let er op dat er met veel meel in de mond wordt gesproken) dat in de vermogensrendementsheffing (box 3) ‘sneller’ (een begrip dat welbewust niet nader wordt gedefinieerd of gekwantificeerd) aangesloten zal worden op het werkelijke behaalde rendement van spaartegoeden. Met andere woorden: in de komende kabinetsperiode zit u nog vast aan het welhaast frauduleuze systeem van box 3, omdat de komende kabinetsperiode gebruikt zal gaan worden om een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van het werkelijk behaalde rendement worden uit te werken. Het is daarbij overigens opvallend dat men zich hierbij beperkt tot de vermogenscategorie spaartegoeden en andere bezittingen (effecten, onroerende zaken) nadrukkelijk niet noemt. Als pleister(tje) op de wonde zal het heffingsvrije vermogen worden verhoogd van € 25.225 naar € 30.000 euro (€ 60.000 voor partners).

Ondernemers

Voor veel – veelal kleinere – ondernemers is de zelfstandigenaftrek een (zeer) belangrijke fiscale faciliteit. Nadat eerder al maatregelen waren genomen om in de ogen van de wetgever onwenselijk gebruik van deze faciliteit te voorkomen is nu in het regeerakkoord in een verdere afbouw van deze faciliteit voorzien. Vanaf 2020 zal de zelfstandigenaftrek in vier jaarlijkse stappen naar het nieuwe basistarief worden afgebouwd. Verdwenen is de faciliteit dus nog niet, maar opnieuw zal de kasschaaf gebruikt gaan worden.

De fiscale status van zzp’ers is lange tijd omstreden geweest. Zijn het wel (echte) ondernemers, zijn het dwangondernemers of zijn het eigenlijk gewoon werknemers? In het regeerakkoord is nu afgesproken – het is vanzelfsprekend geen fiscale maatregel maar het heeft voor de praktijk natuurlijk wel ingrijpende gevolgen – dat zzp’ers met een laag tarief (tot maximaal 125% van het wettelijk minimumloon) en een langere duur van de overeenkomst (> 3 maanden) bij wijze van (civielrechtelijke en daarmee dus ook fiscaalrechtelijke) fictie altijd in dienstbetrekking werkzaam zullen zijn. Zzp’ers met een hoog uurtarief (van minimaal € 75) en een kortere duur van de overeenkomst (< 1 jaar) krijgen een ‘opt out’ voor loonbelasting en werknemersverzekeringen. Als sluitstuk van deze operatie wordt voor zzp’ers boven het lage tarief een opdrachtgeversverklaring ingevoerd. Met deze opdrachtgeversverklaring krijgt een opdrachtgever zekerheid vooraf van vrijwaring van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen. Of hiermee het laatste woord in de VAR resp. BGL resp. WDBA discussie gesproken is moet natuurlijk nog maar worden afgewacht, maar het lijkt al met al een hoopgevende stap in de goede richting.

Verhoging box 2 tarief

In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III zit een addertje onder het gras voor directeuren-grootaandeelhouders (DGA’s). De ondernemers met een eigen bv dreigen meer in plaats van minder belasting te moeten betalen over winsten uit het verleden die zij in hun bedrijf hebben laten zitten. Dat wordt veroorzaakt doordat de voorgenomen verlaging van het tarief in de vennootschapsbelasting gecombineerd wordt met een verhoging van het tarief voor winst uit aanmerkelijk belang. De reden voor deze verhoging is gelegen in de verlaging van het Vpb-tarief. Verder wil men met deze tariefsverhoging een (te) sterke aanzuigende werking naar de BV voorkomen.

Om belastingontwijking aan te pakken pleiten we daarnaast voor het opstellen van een zogenaamde zwarte lijst met niet-coöperatieve jurisdicties op het gebied van belastingen en een verplichting voor multinationals om per EU-land en per land op de zwarte lijst te rapporteren over hun activiteiten. Met deze verhoging zou de gezamenlijke belastingdruk voor de DGA ongeveer gelijk blijven als ware de vennootschapsbelasting niet verlaagd. Het tarief in box 2 zal – zo is de bedoeling – verhoogd gaan worden van de huidige 25% naar 27,3% in 2020 en 28,5% in 2021. Daarmee is de verlaging van de vennootschapsbelasting voor de DGA niet alleen maar een sigaar uit eigen doos, het is – zoals geformuleerd door de voorzitter van het Register Belastingadviseurs Wil Vennix – zelfs een giftige sigaar uit eigen doos (een klapsigaar zo u wilt) omdat de verhoging van het tarief niet alleen betrekking heeft op nieuwe (en dus in de vennootschapsbelasting lager belaste) door de BV behaalde winsten, maar – zo lijkt het althans de bedoeling te zijn – ook op reeds aanwezige winstreserves, die in de regel onderworpen geweest zullen zijn aan een hoger vennootschapsbelastingtarief. Omdat veel DGA’s zichzelf – en echt niet alleen uit fiscale overwegingen – geen of maar betrekkelijk weinig dividend uitkeren doet dat dus pijn. Want die winstreserves (die uiteindelijk bij verkoop van de BV belast zullen worden) zijn maar al te hard nodig om te investeren of een buffer aan te houden. Hadden veel Bv’s niet zo’n gezonde financiële politiek gevoerd dan waren er in de recente crisis gegarandeerd heel wat meer omgevallen. De conclusie moet dus zijn dat de voorgenomen verhoging resulteert in een verhoging van de fiscale druk op reeds bestaande winstreserves stijgt met 3,5%-punt. Tel uit je winst.

Een verzachting zou gelegen kunnen zijn in een aanpassing van het AB tarief naar mate de BV winst eerder hoog resp. minder hoog belast is geweest. In Duitsland kende men eerder zo’n systeem, wat tot enorme uitvoeringstechnische problemen heeft geleid. Die kant moeten we dus maar niet op willen. Een andere oplossing is de belastingheffing naar voren halen. Nu dus uitkeren tegen een tarief van 25%. In de praktijk onwenselijk en feitelijk ook ondoenlijk. Daarmee zal de oplossing uiteindelijk wel uitkomen op het uitstellen van heffing in box 2. Niet uitkeren en niet belast verkopen maar als het even kan onbelast doorschuiven van de AB claim naar de volgende generatie. De verhoging van het tarief in box 2 kan niet anders gezien worden dan als uitlokking van anti-fiscaal gedrag.

Loonbelasting

Ook in de loonbelasting staan de nodige wijzigingen op stapel als de plannen uit het regeerakkoord onverkort doorgang zullen vinden. Allereerst zal er gesneden gaan worden in de al weer geruime tijd onder vuur liggende 30%-regeling. Er is (vooralsnog?) voor gekozen om niet te gaan snijden in de voorwaarden voor toepassing van deze regeling. Het is de looptijd waar aan gesleuteld zal gaan worden. De maximale looptijd van de regeling zal worden verkort naar 5 jaar.

De hand van de ChristenUnie is duidelijk te herkennen in de verruiming van de onbelaste vrijwilligersvergoeding naar € 1.700 per jaar. Een grote en principiële wijziging is het vanzelfsprekend niet, maar het toont wel aan dat – zeker in een coalitie met vier partijen – iedere partij wil kunnen wijzen op binnengehaalde punten. Overigens lijken de andere voorwaarden voor toepassing van deze regeling niet veranderd te zullen gaan worden, zodat er alle ruimte blijft om de rondom deze regeling veel gemaakte fouten gewoon te blijven maken! Er gaat namelijk fiscaal bezien nog wel eens wat mis met de vrijwilligersregeling.

Veel belangrijker dan de verruiming van de onbelaste vrijwilligersvergoeding is de vervanging van de Wet DBA. Dit punt kwam hiervoor al ter sprake. De nieuwe regeling lijkt het sluitstuk van een nieuwe fiscale benadering van ZZP’ers. We zullen moeten afwachten of deze regeling er wel in slaagt om recht te doen aan de belangen van alle bij deze problematiek betrokken partijen.

Vennootschapsbelasting

Ook gaat in de plannen van het nieuwe kabinet vennootschapsbelasting stevig op de schop. Allereerst komt er een verlaging van de tarieven. Die gaan van 20% (eerste schijf) resp. 25% (tweede schijf) naar 16% resp. 21% per 2021. In 2019 gaan de tarieven met 1%-punt omlaag, in 2020 met 1,5%-punt en in 2021 met 1,5%-punt. De eerdere verlenging van de eerste schijf wordt echter teruggedraaid. Deze blijft derhalve € 200.000. Maar er is meer.

In de strijd tegen internationale belastingontduiking zal er een bronbelasting ingevoerd gaan worden op rente- en royaltystromen naar laagbelaste landen. De rol van Nederland als doorstroomland zal er een flinke knauw van oplopen, zeker nu als onderdeel van het Belastingplan 2018 ook al een poes is gezet bij het muizenhol van de doorstroomcoöperatie. Verder komt er in de vennootschapsbelasting een generieke renteaftrekbeperking: het saldo van verschuldigde en ontvangen rente boven een drempel van € 1 miljoen is aftrekbaar tot maximaal 30% van het brutobedrijfsresultaat. Er komt geen groepsescape. Er is echter ook goed nieuws, al is dat wel een heel klein pleistertje. De nu in de vennootschapsbelasting bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen zullen gaan verdwijnen, met uitzondering echter van artikel 10a Wet VPB.

Zoals Herman Finkers eerder al wist te melden: ‘ … ik vind romantiek best, maar het moet wel betaalbaar blijven’. Dat geldt dus ook voor de hiervoor beschreven tariefsverlaging. Allereerst zal de termijn voor voorwaartse verliesverrekening worden verkort naar zes jaar. Daarmee wordt de totale winstgedachte nog verder losgelaten, en zijn we inmiddels mijlenver verwijderd van de eertijds in de tijd onbeperkte verliescompensatie. Systematisch kloppen doet het niet, en deze maatregel kan dan ook alleen maar worden verklaard uit budgettaire overwegingen. Verder zal het effectief tarief voor de innovatie box worden verhoogd naar 7%. Op dit fiscale snoepje voor – met name – het grootbedrijf bestond al langere tijd veel kritiek.

Waar de laatste maatregel nog in veel gevallen aan het MKB voorbij zal gaan is dat met de laatste maatregel niet het geval: de beperking van de afschrijving op gebouwen in eigen gebruik tot 100% van de WOZ-waarde. Daarmee raken veel ondernemers een belangrijke aftrekpost kwijt en zal het aan vennootschapsbelasting betaalde bedrag aanmerkelijk gaan stijgen.

De conclusie kan dan ook niet anders zijn dat met name het grootbedrijf van de voorgestelde tariefsverlagingen zal gaan profiteren, en dat de daarmee gepaard gaande kosten voor een belangrijk gedeelte opgebracht zullen moeten worden door het MKB.

Tegengaan belastingontwijking

De commotie in de strijd tegen belastingontwijking is ook in het regeerakkoord terug te vinden. Zo zal er allereerst een zogenaamde zwarte lijst met niet-coöperatieve jurisdicties op het gebied van belastingen worden opgesteld en zal verder een verplichting voor multinationals worden ingevoerd om per EU-land en per land op de zwarte lijst te rapporteren over hun activiteiten. Verder wordt, om brievenbusconstructies tegen te gaan, een bronbelasting op rente en royalty’s ingevoerd op uitgaande financiële stromen naar landen met zeer lage belastingen (low tax jurisdictions). Ook wordt het regelgevend kader voor de trustsector strenger en zal het instrumentarium van de toezichthouder (De Nederlandsche Bank) worden uitgebreid. Met deze laatste maatregelen lijkt een voorschotje te worden genomen op de uitkomsten van de parlementaire mini-enquête naar belastingontwijking.

Hoewel de uitkomsten van het onderzoek daar vooralsnog weinig aanleiding voor geven (‘Een eerste gevoel van teleurstelling is niet te onderdrukken’, zei staatssecretaris Eric Wiebes tijdens een debat in de Tweede Kamer) is in het regeerakkoord overeengekomen de informatiepositie en de opsporingscapaciteit van de Belastingdienst te versterken. Ook komt er meer transparantie en zal er een business case worden uitgewerkt. Wat daarmee concreet bedoeld wordt is niet helemaal duidelijk. De Belastingdienst is in ieder geval al spekkoper in het regeerakkoord. Niet alleen wordt haar positie zoals gezegd versterkt, maar ook zal om de uitvoering van het fiscale stelsel te verbeteren de komende jaren 500 miljoen euro worden gereserveerd om de investeringsagenda van de Belastingdienst uit te voeren.

Milieu

Er komen verder nog wat fiscale milieumaatregelen. Milieuvervuilend gedrag zal worden beprijsd door de invoering van een CO2-minimumprijs in de elektriciteitssector, aanpassingen in de energiebelasting, een hogere belasting op het storten en verbranden van afval en het afschaffen van de teruggaafregeling voor taxi’s. Mogelijk wordt ook de vliegbelasting – bij voorkeur in Europees verband – van stal gehaald. Toegezegd wordt daarbij dat de opbrengst van de vergroening zal worden teruggesluisd naar lagere lasten voor burgers en bedrijven.

Afschaffing dividendbelasting.

De dividendbelasting zal op termijn worden afgeschaft. Tegelijkertijd echter wordt – om brievenbusconstructies tegen te gaan – een bronbelasting op rente en royalty’s ingevoerd op uitgaande financiële stromen naar landen met zeer lage belastingen (low tax jurisdictions).

De meeste betrokken fiscalisten toonden zich verrast door dit voorstel. Wellicht is de maatregel ingegeven door veronderstelde juridische kwetsbaarheid van de dividendbelasting, aangezien er in veel gevallen in deze belasting een onderscheid wordt gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse beleggers, wat op zijn minst de schijn (want discriminatie!) tegen heeft. Verder heeft men wellicht getracht de positie van het Nederlandse grootbedrijf te versterken: onderneming zouden in de nieuwe situatie eenvoudiger en voordeliger eigen vermogen uit het buitenland kunnen aantrekken, wat een ongewenst overname zou kunnen bemoeilijken.

Voor de Nederlandse DGA ondertussen is de afschaffing zonder betekenis. Sterker nog: het wordt even opletten. In de oude situatie (met 15% dividendbelasting) moest er 15% belasting worden ingehouden ingeval van een dividend en moest er 10% in de inkomstenbelasting worden bijbetaald. Wie naliet om om een (nadere) voorlopige aanslag te vragen moest bijbetalen wat weer belastingrenteperikelen kon opleveren. Dat probleem blijft in het nieuwe systeem bestaan, maar dan groter! Het belang van het monitoren van de fiscale positie van de DGA in geval van een dividenduitkering wordt namelijk alleen maar groter.

Omzetbelasting

Een van de meest omstreden onderdelen van het regeerakkoord betreft de verhoging van het verlaagde tarief in de omzetbelasting van 6% naar 9%. De linke oppositie (die daarbij de steun krijgt van meerdere partijen en organisaties, zoals Partij voor de Dieren, 50plus, FNV, ANBO, Patiëntenfederatie Nederland) wil een brede beweging tegen deze verhoging. De petitie is te vinden op de website www.geenbtwverhoging.nl. Koninklijke Horeca Nederland is bang dat we door deze verhoging minder uit zullen gaan geven in de horeca, en verder we door deze belastingverhoging zouden minder gaan sporten. Die laatste twee factoren kunnen – zo dunkt me – tegen elkaar weggestreept worden! Zelfs Arjan Lubach is tegen. Tsja. De verhoging lijkt een van de voornaamste financieringsbronnen voor de verlaging van de tarieven in de inkomstenbelasting en zal daarom niet snel verdwijnen.

Conclusie

Het regeerakkoord voor het Kabinet Rutte 3 is de opmaat naar een interessante politieke periode. Dat geldt zeker ook voor de fiscale paragrafen, waarvan – met een meerderheid van één enkel zeteltje – nog maar afgewacht moet worden of ze ongeschonden de streep halen. En u weet; de van oorsprong Chinese wens ‘May you live in interesting times’ is niet geheel en al vriendelijk bedoeld!

Bron
FP 2017-0072

Uit: Fiscaal Praktijkblad nr. 15 van 23 oktober 2017
Auteur: Mr. S.F.J.J. Schenk RB is directeur van het Register Belastingadviseurs (RB) te Culemborg