Fiscaal Praktijkblad
   

Sparen voor de oude dag wel/niet via box 3; graag minder fiscale verstoring…

Na een werkzaam leven breekt de oude dag aan. Ook in die levensfase dient er inkomen te zijn om van te leven. Werknemers sparen voor hun oude dag vaak via een pensioenregeling. Met de pensioenuitkeringen wordt dan voorzien in dat inkomen voor de oude dag. Maar niet iedereen is werknemer. Zelfstandigen, ondernemers, freelancers c.s. hebben geen pensioenregeling en moeten dus zelf sparen om later ook geld te hebben om van te leven. En sommige werknemers hebben geen pensioenregeling zodat ook zij het zelf moeten regelen. Wie het sparen voor de oude dag zelf moet regelen, heeft ruwweg de keus uit twee mogelijkheden: 1) premies inleggen die aftrekbaar zijn van het box 1-inkomen, of 2) gewoon in privé sparen, waarbij de belastingheffing zich afspeelt in box 3. Naast deze twee mogelijkheden bestaat nog een derde optie, te weten: het spaargeld onderbrengen in een eigen BV. In dit artikel probeer ik de diverse spaarvormen te vergelijken. Daarbij richt ik mij op de nettobedragen die dat sparen uiteindelijk opleveren gedurende de uitkeringsfase. De uitkomst van deze vergelijking kan ik al enigszins ‘verklappen’: de ene oude dag zal beduidend minder royaal als de andere zijn, omdat de fiscaliteit sterke invloed heeft op de nettobedragen. Dit werk ik hieronder nader uit, waarbij ik afsluit met de oproep dat die ongelijkheid in fiscale behandeling zoveel mogelijk weggenomen moet worden.

Sparen via box 1: premies aftrekbaar, uitkering belast
De huidige wetgeving bevat ruimte om premies in te leggen die aftrekbaar zijn in box 1. Het gaat dan om lijfrenteverzekeringen en banksparen. De premies zijn gemaximeerd via het systeem van de reserveringsruimte. Onderstaand werk ik uitsluitend de variant ‘banksparen‘ uit omdat in die sfeer het rendement geen ‘levenrisico‘ bevat. Het banksparen betreft een fiscaal gefacilieerd product in box 1. De mate van risicoprofiel is daarbij op dezelfde manier te kiezen als bij gewoon sparen of beleggen in privéDe inleg bij banksparen kan immers gewoon op een spaarrekening of op een termijndeposito worden gezet, of er kan belegd worden in bepaalde (ter beurze genoteerde) mixfondsen. Er zijn echter wel de nodige spelregels aan banksparen verbonden. De eenmaal ingelegde premies zijn niet tussentijds opneembaar. Dus ‘tijdens de rit’ is dit spaarpotje niet te openen. Ook in de uitkeringsfase is er minder flexibiliteit dan bij gewoon sparen in privé. Het tijdslot op het gebankspaarde bedrag gaat er in principe pas af in het jaar waarin de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt. De rekeninghouder mag eventueel binnen 5 jaar voordat de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt, wel al beginnen met de uitkeringsreeks van ’20 jaar vast’ maar die reeks moet dan wel verlengd worden met het aantal jaren dat eerder is begonnen met uitkeren. Wie bijvoorbeeld 5 jaar voor de pensioengerechtigde leeftijd wil beginnen met uitkeren, zal dus gedurende 25 jaar een uitkering ontvangen.  

Gerekend vanaf één jaar voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zijn de uitkeringsvoorwaarden als volgt. De uitkeringen moeten  als zij starten na het kalenderjaar waarin de leeftijd wordt bereikt die één jaar lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd – in dat geval ten minste 5 jaar lopen als de jaarlijkse uitkering niet hoger is dan € 21.741, cijfer 2019. Is de uitkering per jaar meer dan € 21.741 (cijfer 2019) dan moet deze uitkeringsreeks minimaal 20 jaar lopenDe bankspaar-rekeninghouder mag er ook voor kiezen om de start van de uitkeringsreeks uit te stellen tot na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, maar uiterlijk 5 jaar na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd moet gestart worden met uitkeren. 

Anders dan bij een lijfrente blijft het bankgespaarde bedrag gewoon ongewijzigd bij eventueel overlijden van degene die de premies heeft ingelegd. Er is wel een verschil in uitwerking tussen overlijden gedurende de opbouwfase en overlijden in de uitkeringsfase. Bij overlijden van de rekeninghouder in de uitkeringsfase zullen de erfgenamen gerechtigd worden tot het resterende bankspaarsaldo. De reeds ingezette uitkeringsreeks zal worden voortgezet jegens de erfgenamen. Bij overlijden van de rekeninghouder in de opbouwfase zullen de erfgenamen tijdig (binnen zes maanden na overlijden van de bankspaar-rekeninghouder) een uitkeringsreeks moeten aangaan om het gebankspaarde bedrag uit te laten keren. Hierbij gelden termijnen en allerlei voorwaarden. Het is wel zaak dat binnen die termijnen en voorwaarden wordt gebleven, omdat anders de sanctie van 20% revisierente in beeld komt naast de acute heffing van inkomstenbelasting wegens het ‘onzuiver’ worden van het gebankspaarde bedrag.

Gewoon in privé sparen (box 3)
Het alternatief voor de hiervoor geschetste ‘box 1-route’ is dat er gespaard wordt in privé. De premies zijn niet aftrekbaar, de uitkeringen zijn niet belastbaar. Het spaarpotje, dat hopelijk jaarlijks toeneemt door behaald rendement en bijstortingen, vormt onderdeel van het box 3 vermogen. Jaarlijks wordt een forfaitair rendement bepaald over de hoogte van dat vermogen. Het aldus bepaalde rendement wordt belast tegen (nu nog) 30%. De fiscus neemt dus met de jaarlijkse belastingheffing ieder jaar een hapje uit deze spaarpot, zowel in de opbouwfase als in de uitkeringsfase.

Sparen via een eigen BV
Voor degene die de jaarlijkse box 3-heffing te hoog vindt, is te overwegen om te sparen via een eigen BV. Uiteraard zijn er extra kosten verbonden aan deze route, zoals eenmalige kosten wegens oprichting en jaarlijks terugkerende kosten wegens de plicht tot het opmaken van een te deponeren jaarrekening bij het Handelsregister en een aangifte vennootschapsbelasting. Tegenover die kosten staat wel het voordeel van een beduidend lagere belastingdruk op het – rendement dat is behaald met – het gespaarde vermogen. De acute heffing betreft immers de jaarlijkse vennootschapsbelasting over het werkelijke rendement na aftrek van kosten. Bij een tarief van 15% (jaar 2021) is de acute belastingheffing zeer bescheiden. Degenen die welbewust kiezen voor sparen c.q. beleggen met weinig risico, zijn in de BV beduidend beter af ten opzichte van sparen in privé waarop de box 3 heffing van toepassing is. Naast de acute heffing van vennootschapsbelasting moet rekening worden gehouden met beclaiming via box 2 van de inkomstenbelasting. Het in de BV behaalde rendement na vennootschapsbelasting zal bij uitkering naar privé onderworpen zijn aan inkomstenbelastingheffing in box 2. Het tarief van box 2 is nu nog 25% maar stijgt komend jaar (2020) naar 26,25% en een jaar later (2021) zal dit tarief 26,9% bedragen. De gezamenlijke belastingdruk blijft dan hooguit steken op circa 38% van het werkelijk behaalde rendement na aftrek van kosten. De box 3 heffing kan daar fors bovenuit torenen. Bij de hoogste schijf in box 3 is de belastingdruk 1,68% van het vermogen. Sparen via de eigen BV is niet rendabel voor kleine bedragen. Dat komt door de vrijstelling in box 3 van heffingvrij vermogen (ruim € 30.000 per persoon, bij fiscaal partners verdubbeling naar ruim € 60.000) en de eenmalige en doorlopende kosten van een BV die relatief zwaar drukken als het om relatief geringe vermogens gaat.

De vergelijking gemaakt: fiscaliteit verstoort substantieel
Bij het vergelijken van banksparen versus gewoon sparen in box 3 ontkomen we niet aan het doen van aannames. Uiteraard beïnvloeden aannames de eindresultaten. Gelukkig zijn de rekentools tegenwoordig eenvoudig te hanteren en dus kunnen desgewenst meerdere scenario’s doorgerekend worden.

Een cijfervoorbeeld:
Wie 15 jaar lang jaarlijks € 10.000 fiscaal aftrekbaar kan inleggen in banksparen, of € 6.265 (dat is € 10.000 minus de box 1 belasting van zeg 37,35%) opzij zet in box 3, komt bij uitkering via een reeks van 20 jaar, tot een verschil in netto-uitkering van zo’n 28%. Bij banksparen is de netto-uitkering in de uitkeringsfase namelijk € 6.494 per jaar, bij sparen via box 3 is dat slechts € 4.699 per jaar. Een verschil in het voordeel van banksparen van jaarlijks € 1.795, circa 28% dus.

Het sparen voor de oude dag via banksparen levert dus beduidend hogere netto-uitkeringen op ten opzichte van gewoon sparen in privé. Dat is een nogal serieus verschil! In werkelijkheid is het verschil nog veel groter, waardoor we mogen spreken van een superserieus verschil. Dat vindt zijn oorzaak in een tweetal redenen:
a. de rentevergoeding bij banksparen ligt beduidend hoger, circa 1,0%, ten opzichte van het sparen via een gewone spaarrekening in privé, en
b. de inkomensafhankelijke heffingskortingen zorgen feitelijk voor aftrek tegen een veel hoger tarief. Komend jaar (2020) is de afbouw van die heffingskortingen voor veel mensen goed voor bijna 12% (11,672% om precies te zijn). Dus als we rekenden met aftrek tegen 37,35% (de eerste schijf van box 1 in 2020), dan kan die aftrek feitelijk tegen afgerond 49% worden doorgerekend. 

Hetzelfde cijfervoorbeeld met inachtneming van deze twee redenen levert dan de volgende resultaten op: banksparen blijft ongewijzigd een jaarlijkse uitkering van € 6.494 opleveren, het sparen in privé levert dan nog maar netto € 3.502 per jaar op. Het verschil tussen banksparen en sparen in privé is dan € 2.992, dat is maar liefst 46%. 

De vergelijking maakt maar weer eens duidelijk hoe groot de gevolgen zijn van het in box 3 jaarlijks wegbelasten van het opgebouwde privévermogen en die vreselijke inkomensafhankelijke heffingskortingen. Sparen met fiscale bescherming is wel heel erg bevoordelend. Wie niet op een houtje wil bijten tijdens de oude dag, moet dus vooral de mogelijkheden van banksparen benutten. Daarbij hoort dan wel dat je de weinig flexibele uitkeringsvoorwaarden van banksparen accepteert. 

Privé (box 3) sparen of sparen via een eigen BV
Voor degene die de voorwaarden van banksparen te beperkend vindt, doemt dan nog de vergelijking op tussen sparen in privé en sparen via een eigen BV. Bij dit vergelijk veronderstel ik dat met de gespaarde gelden geen risico gelopen zal worden. In de huidige tijd betekent dat we moeten rekenen met een rente van nihil. Voor de wat grotere vermogens maakt privé of BV dan wel een verschil. Hoewel het inkomen dan nihil is, in privé moet toch jaarlijks box 3 worden betaald. Degenen die in de hoogste schijf zitten van box 3, stuiten in zoverre op een belasting die afgerond 1,7% van het vermogen bedraagt. In de BV speelt dat niet. Bij nul rendement is de belastbare winst ook nul en is dus geen vennootschapsbelasting verschuldigd. Afhankelijk van de hoogte van de eenmalige en de jaarlijkse kosten van ‘de eigen BV’ is dan te bedenken waar je beter mee af bent. De belastingplichtige met fiscaal partner die vandaag de dag in privé beschikt over 1 miljoen euro spaargeld, is in box 3 (cijfer 2019) zo’n € 12.000 per jaar kwijt aan box 3 belasting. Mij dunkt dat het onderbrengen in een eigen BV bij dit soort spaarsaldi heel snel is terugverdiend. 

De vraag is natuurlijk ook hoe je de ontwikkeling in de komende jaren ziet van ‘de spaarrente’. Blijft deze nog jarenlang om en nabij nihil, dan is de eigen BV een gunstige plek voor de spaargelden. Stijgt de rente substantieel, dan kan dat weer anders komen te liggen. Dan moet ‘de spaarrente’ wel echt heel serieuze stappen omhoog gaan maken. Daarnaast doemt nog een onzekerheid op. Box 3 zal per 2022 mogelijk wijzigen waardoor spaargeld niet of nauwelijks belast wordt, indien en voor zover ‘de spaarrente’ om en nabij nihil blijft. Ziehier een bijkomstig risico dat ingeschat moet worden. Hoe groot is de kans dat box 3 per 2022 op de thans op hoofdlijnen geschetste manier gewijzigd wordt? 

De oplossing: een hoge vrijstelling in box 3 voor oudedagspaarders
De hiervoor gemaakte analyse inzake banksparen versus sparen in privé maakt duidelijk dat degenen die niet via box 1 sparen c.q. gespaard hebben voor hun oude dag, fiscaal behoorlijk gestraft worden. Afhankelijk van je aannames (zie hiervoor) kan die straf zelfs oplopen tot bijna de helft. Idealiter is er fiscale neutraliteit. Het zou niet mogen uitmaken langs welke fiscale route je spaart voor de oude dag. Je moet dat dus ‘boxen overstijgend’ beschouwen. Dat is ook precies wat de Hoge Raad predikt als het gaat om de vraag of bij de box 3 belasting sprake is van een ‘individuele, buitensporige last’. Ons hoogste rechtscollege kijkt dan nadrukkelijk naar het overige inkomen en vermogen, de zaken die zich in de andere boxen bevinden (1 en 2). Als we zo’n box overstijgende benadering loslaten op de hiervoor geconstateerde ongelijkheid, dan is de ongelijkheid enigszins te beperken door een extra vrijstelling in box 3 te verlenen voor belastingplichtigen die geen of weinig gebruik maken (opbouwfase) c.q. hebben gemaakt (uitkeringsfase) van fiscaal aftrekbare premie-inleg in box 1. Uiteraard is dan de vraag: hoe bepaal je dan een adequate vrijstelling? Een lastige zaak misschien. Maar in box 1 weten we haarfijn van alles uit te rekenen: de zogenoemde factor A en de reserveringsruimte (zowel de jaarlijkse als de inhaal). Er zijn jaarlijks pensioenoverzichten (UPO’s), we weten de leeftijd van belastingplichtigen. Kortom, de ingrediënten om een systeem te bedenken dat een jaarlijkse box 3 vrijstelling geeft voor hen die niet via box 1 kunnen of willen sparen voor de oude dag, zijn allemaal voorhanden. Waar een wil is, is een weg. 

Een argument dat tegen een extra vrijstelling in box 3 pleit, is wellicht dat in het voorgestelde box 3 systeem vanaf 2022 er sowieso al wordt voorzien in een hoge vrijstelling voor spaargeld. Op zich is dat slechts ten dele correct. Uitsluitend zolang ‘de spaarrente’ om en nabij nul procent blijft, klopt dat argument wel. Maar ‘de spaarrente’ hoeft maar wat te gaan stijgen en de vrijstelling voor spaargeld in box 3 daalt bijzonder scherp. Waar we bij een spaarrente van 0,09% en een heffingvrij inkomen van € 400 een vrijstelling zullen hebben van zo’€ 444.000, is dat bij een spaarrente van 1,0% nog maar een vrijstelling van € 40.000. Iemand die in privé dan € 100.000 gespaard heeft, zal dan in de 2022-plannen toch jaarlijks weer € 198 box 3 belasting betalen. Dat is afgerond 20% belastingdruk op de rente (1% rente van € 100.000 = € 1.000, minus € 400 heffingvrij inkomen = € 600 grondslag, belast tegen 33%).

Tot slot
In een tijd waarin de overheid burgers toch vooral en op zich terecht aanspoort om zo veel mogelijk financieel zelfredzaam te zijn, is het een slechte zaak dat sparen voor de oude dag behoorlijk wordt verstoord door de fiscaliteit. Bij dit probleem hoort dan ook de vraag of de burgers in dit land beseffen dat dit verschil bestaat en vervolgens dus welbewust gaan kiezen inzake hoe ze (extra) willen sparen voor hun oude dag. Sparen via box 1 levert beduidend hogere netto uitkeringen op ten opzichte van het sparen in box 3. Afhankelijk van hoe je rekent, kan sparen via privé uitkeringen opleveren die maar liefst 46% lager zijn dan via banksparenAnders gezegd: de netto-uitkering bij banksparen is bijna het dubbele van de netto-uitkering bij sparen in privé. De burger die via box 3 werkt aan zijn oudedagsvoorziening is eigenlijk een dief van zijn eigen portemonnee. Het adagium dat belasting betalen voor de dommen is, doet ook hier dus opgeld. Hoogste tijd dat hier verandering in komt. Een vrijstelling in box 3 die gekoppeld is aan de mate waarin iemand geen of beperkt gebruik maakt (opbouwfase) c.q. heeft gemaakt (uitkeringsfase) van box 1-oudedagsvoorzieningen, heft de verstoring enigszins op. Maar zelfs bij een volledige vrijstelling in box 3 voor dit soort ‘oude dag sparen’ in zowel de opbouw- als de uitkeringsfase blijft banksparen nog steeds gunstiger. Dit vrijstellen in box 3 moet bovendien zowel in de opbouwfase als in de uitkeringsfase gebeuren. Voor de vraag hoe iemand spaart voor de oude dag, mag de fiscaliteit niet zulke grote verschillen veroorzaken. Zo misleid je grote groepen burgers. Om maar te zwijgen over wat dit soort verschillen doet met de belastingmoraal. Tijd voor actie, maar ik vrees dat ook dit thema fijn kan worden weggestopt in het bouwstenen-archief. Wie 100 jaar later, dus in het jaar 2119, een bezoekje brengt aan het Belastingmuseum en zich (alsdan terugkijkend naar hoe men 100 jaar geleden bezig was met belastingen) verdiept in het vroeg 21eeeuwse verschijnsel ‘bouwstenen voor een nieuw belastingstelsel’, zal een hele waslijst van zaken aantreffen die eindeloos op de lange baan zijn geschoven. Waaronder vermoedelijk ook deze. Waarschijnlijk is de collectie bouwstenen zo groot dat er een aparte zaal mee te bouwen was (de Sint Juttemis-zaal). De politieke daadkracht op fiscaal vlak bevindt zich op een te laag niveau en dat is pech voor de dommen onder ons.

Uit: Fiscaal Praktijkblad nr. 11 van 22 november 2019
Auteur: Dhr. drs. C. Overduin, werkzaam bij Grant Thornton.