Fiscaal Praktijkblad
   

Hoge Raad gooit deur dicht: tijdelijke verhuur van deel van de eigen woning toch belast in box 1!

Het tijdelijk verhuren van een gedeelte van de eigen woning, bijvoorbeeld een kamer of tuinhuis, via digitale platformen zoals Airbnb is de afgelopen jaren steeds populairder geworden. Tot voor kort oordeelden verschillende lagere rechters dat de opbrengsten die met deze verhuur worden behaald, geheel onbelast zijn. Hierover schreven wij vorig jaar al een artikel: “Deur open, deur dicht” (FP 2019-0063). Op 18 september 2020 heeft de Hoge Raad het finale oordeel geveld: de inkomsten uit de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning zijn toch belast in box 1. In deze bijdrage gaan wij nader in op dit zogenoemde ‘tuinhuisje-arrest’ en de gevolgen daarvan voor de praktijk.

1. Rechtspraak voorafgaande aan het ‘tuinhuisje-arrest’

 1.1 Het geschilpunt

De casus betreft een echtpaar dat in 2015 het tuinhuis dat bij hun eigen woning hoorde via Airbnb verhuurde aan toeristen. Het tuinhuis werd voor in totaal 21 dagen verhuurd. De huuropbrengsten die hiermee werden behaald bedroegen € 3.564. Deze huuropbrengsten zijn niet opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting (van mevrouw).

In geschil is de vraag of de inkomsten uit de verhuur van het tuinhuis zijn belast op grond van artikel 3.113 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB). Dit artikel luidt als volgt: “Met betrekking tot de eigen woning die tijdelijk ter beschikking is gesteld aan derden wordt het ingevolge artikel 3.112 als voordelen uit eigen woning in aanmerking te nemen bedrag vermeerderd met 70 percent van de voordelen ter zake van het ter beschikking stellen”. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of artikel 3.113 Wet IB van toepassing is, nu slechts een gedeelte van de eigen woning – en dus niet de gehele eigen woning – is verhuurd. De inspecteur is van mening dat dit artikel van toepassing is en heeft een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij een bedrag van € 2.494 aan huuropbrengsten (70% van € 3.564) tot het belastbaar inkomen uit werk en woning is gerekend.

Tussen partijen is niet in geschil dat:

  • het tuinhuis een aanhorigheid bij de eigen woning vormt;
  • het tuinhuis tijdelijk verhuurd is aan derden;
  • de inkomsten uit tijdelijke verhuur niet in aanmerking kunnen worden genomen als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden.

1.2 Rechtbank Noord-Holland

Volgens de rechtbank zijn de huurinkomsten niet belast op grond van artikel 3.113 Wet IB, omdat de tekst van deze wettelijke bepaling uitgaat van de tijdelijke verhuur van de gehele eigen woning. De parlementaire toelichting en wetsgeschiedenis leiden niet tot een andere conclusie. Nu niet in geschil is dat het tuinhuis een aanhorigheid is bij de eigen woning van de belastingplichtige, kan het tuinhuis op basis van de rangorderegeling van artikel 2.14 Wet IB niet tot box 3 worden gerekend. Het tuinhuis, als onderdeel van de eigen woning, behoort tot box 1. Dat de huuropbrengsten niet belast zijn, maakt dit niet anders.

1.3 Hof Amsterdam

Het hof komt evenals de rechtbank tot de conclusie dat de inkomsten uit de tijdelijke verhuur van het tuinhuis niet belast zijn op basis van artikel 3.113 Wet IB. Het hof bewandelt echter wel een andere weg dan de rechtbank.

Volgens het hof behoort het tuinhuis niet langer tot de eigen woning. Op basis van artikel 3.111 lid 1 Wet IB wordt tot de eigen woning onder meer gerekend een gebouw of een gedeelte daarvan met de daartoe behorende aanhorigheden, voor zover dat de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Niet in geschil is dat het tuinhuis moet worden aangemerkt als aanhorigheid. Daaruit volgt volgens het hof dat het tuinhuis vanwege de tijdelijke verhuur ervan slechts tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Uit het systeem van de wet volgt dat het tuinhuis dan behoort tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Omdat het tuinhuis niet meer tot de eigen woning behoort, wordt aan toepassing van artikel 3.113 Wet IB niet toegekomen.

Wel merkt het hof nog op dat artikel 3.113 Wet IB niet van toepassing zou zijn op de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning. De wetgeschiedenis leidt niet tot een ander oordeel. De wettekst is volgens het hof duidelijk en dient te prevaleren bij het ontbreken van een (duidelijke) toelichting van de wetgever.

1.4 Conclusie A-G Niessen

Naar aanleiding van de hofuitspraak heeft A-G Niessen conclusie genomen over de vraag of de inkomsten uit verhuur van een deel van de eigen woning zijn belast als inkomen uit werk en woning in box 1. Daartoe onderzoekt de A-G allereerst of de verhuur van het tuinhuis invloed heeft op de kwalificatie daarvan als eigen woning. De toets of een object kwalificeert als ‘aanhorigheid’ is volgens de A-G van feitelijke aard. Daarbij is ruimte gelaten aan de feitenrechter om dit per geval te beoordelen. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin een tuinhuis dermate zelfstandig zou kunnen zijn dat dit niet meer behoort tot de eigen woning, is dit in de onderhavige zaak niet in geschil. Het staat vast dat het tuinhuis als aanhorigheid in de zin van artikel 3.111 lid 1 Wet IB moet worden aangemerkt.

Volgens het hof stond het tuinhuis door de tijdelijke verhuur slechts tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking aan belastingplichtige, zodat het niet langer behoort tot diens eigen woning. Dit is volgens de A-G een onjuist oordeel. Uit de jurisprudentie volgt dat een object een ‘aanhorigheid’ is, als deze behoort bij de woning, in gebruik is bij de woning of daaraan dienstbaar is. De wet eist niet dat de aanhorigheid zelf in de functie van hoofdverblijf aan de belastingplichtige en diens huishouden ter beschikking staat. De bijzin uit artikel 3.111 lid 1 Wet IB ‘voor zover dat de belastingplichtige (…) als hoofdverblijf ter beschikking staat’ slaat terug op ‘gebouw’ en ‘gedeelte’ (enkelvoud) maar niet op ‘aanhorigheden’ (meervoud).

Een tijdelijk gebruik van een aanhorigheid dat niet overeenkomt met de hoofdfunctie, doet niet af aan de beschikbaarheid als hoofdverblijf van het geheel. Dit kan volgens de A-G anders worden, wanneer een aanhorigheid permanent voor een ander doel dan als hoofdverblijf wordt gebruikt, waardoor de aanhorigheid niet meer dienstbaar is aan het hoofdgebouw en een zelfstandige eigen functie heeft. Maar daarmee zou het bijgebouw ook niet meer kwalificeren als aanhorigheid. Dit doet zich in de onderhavige zaak echter niet voor.

Volgens de A-G moet ook bij de kortstondige verhuur van slechts een deel van de eigen woning worden aangenomen dat deze ruimte op dat moment niet meer ter beschikking staat aan de belastingplichtige en diens huishouden. Ten tijde van de verhuur heeft de huurder namelijk het gebruiksrecht van de ruimte gekregen. De verhuurder kan op dat moment niet voor zijn eigen behoefte de ruimte gebruiken. Het is de vraag of dit betekent dat het tuinhuis de kwalificatie als eigen woning verliest. Artikel 3.111 lid 7 Wet IB bepaalt in dit kader dat een woning niet de kwalificatie als eigen woning verliest, indien deze tijdelijk ter beschikking wordt gesteld aan derden. Dit artikellid is volgens A-G Niessen alleen van toepassing als sprake is van tijdelijke verhuur in de zin van artikel 3.113 Wet IB. Artikel 3.113 Wet IB definieert ‘tijdelijke verhuur’ en artikel 3.111 lid 7 Wet IB verbindt daaraan het gevolg dat de woning niet de kwalificatie van ‘eigen woning’ verliest. Beide artikelen moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. Als sprake is van tijdelijke verhuur in de zin van artikel 3.113 Wet IB, dan is artikel 3.111 lid 7 Wet IB dus ook (voor zover nodig) van toepassing.

De vervolgvraag komt dan op of onder tijdelijke verhuur als bedoeld in artikel 3.113 Wet IB ook de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning moet worden begrepen. Uit de wetsgeschiedenis komt niet eenduidig naar voren of de wetgever naast de verhuur van de gehele eigen woning ook de tijdelijke verhuur van een deel van de eigen woning heeft willen laten vallen. De artikelen 3.113 en 3.111 lid 7 Wet IB moeten op voet van de eigen tekst en ratio worden uitgelegd. De tekst van artikel 3.113 Wet IB (“de eigen woning die ter beschikking is gesteld aan derden”) sluit volgens A-G Niessen niet uit dat hieronder ook delen van de eigen woning worden verstaan. Als op grond van artikel 3.111 lid 7 Wet IB de gehele woning in het geval van tijdelijke verhuur blijft kwalificeren als eigen woning, zou het eigenaardig zijn wanneer dit niet voor de verhuur van een deel van de eigen woning zou gelden. Volgens de A-G heeft de wetgever, anders dan voorheen, willen voorkomen dat de woning door tijdelijke verhuur niet langer kwalificeert als eigen woning. Artikel 3.111 lid 7 Wet IB zorgt er daarom voor dat een eigen woning in geval van kortstondige verhuur blijft kwalificeren als eigen woning. Bijgevolg worden de inkomsten uit verhuur belast op grond van artikel 3.113 Wet IB.

Het is in overeenstemming met de ratio van de artikelen 3.111 lid 7 en 3.113 Wet IB om ook de kortstondige verhuur van delen van de eigen woning aan te merken als tijdelijke verhuur. Daaruit volgt dat de verhuurde delen van de eigen woning aan te merken blijven als eigen woning en dat de inkomsten uit verhuur van delen van de woning op grond van art. 3.113 Wet IB zijn belast. Uit het oogpunt van ratio legis (de strekking van de wet) ligt dit eveneens meer voor de hand dan onbelastbaarheid, aldus de A-G.

2. Het ‘tuinhuisje-arrest’

2.1 De Hoge Raad

De Hoge Raad volgt de conclusie van A-G Niessen. De inkomsten uit de tijdelijke verhuur van het tuinhuis zijn belast op grond van artikel 3.113 Wet IB. Volgens de Hoge Raad blijft het tuinhuis, als aanhorigheid bij de eigen woning, onderdeel van de eigen woning, ook al wordt het tuinhuis tijdelijk aan derden ter beschikking gesteld. De Hoge Raad is het dus niet eens met het oordeel van het hof dat het tuinhuis door de tijdelijke verhuur slechts tijdelijk als hoofdverblijf aan belastingplichtige ter beschikking stond en daardoor tot box 3 behoort.

De Hoge Raad overweegt als volgt. Aan de intentie van de wetgever om geen gevolgen voor de eigenwoningregeling te verbinden aan de tijdelijke terbeschikkingstelling van een eigen woning aan derden, wordt onvoldoende recht gedaan indien zou worden aanvaard dat de tijdelijke terbeschikkingstelling van een gedeelte van of aanhorigheid bij een eigen woning aan derden tot een ander gevolg zou leiden dan de tijdelijke terbeschikkingstelling van de gehele woning. Dit geldt zowel voor toepassing van artikel 3.111 lid 7 Wet IB als voor toepassing van artikel 3.113 Wet IB. Volgens de Hoge Raad moet worden aangenomen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de beide artikelen zoveel mogelijk in dezelfde gevallen van toepassing te laten zijn. Dat betekent dat de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning dan wel aanhorigheid bij de eigen woning, aan die woning niet het karakter van eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 lid 1 Wet IB ontneemt. Het tuinhuis blijft tot de eigen woning behoren en de huurinkomsten zijn voor 70% belast in box 1.

2.1 Nadere analyse

Behoort het tuinhuis tot de eigen woning?

Belangrijk om te realiseren is dat in de onderhavige uitspraak niet in geschil was dat het tuinhuis kwalificeerde als aanhorigheid bij de eigen woning. Daarmee stond voor de Hoge Raad vast dat het tuinhuis onderdeel uitmaakte van de eigen woning en dat de eigen woning als geheel, ondanks de tijdelijke verhuur van het tuinhuis, de belastingplichtige (of tot diens huishouding behorende personen) anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking stond.

Het is echter ook mogelijk dat een gedeelte van de woning niet langer als eigen woning kwalificeert, maar behoort tot het box 3-vermogen. Een voorbeeld daarvan vinden wij in de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch. In deze casus werd een deel van de eigen woning gebruikt als Bed & Breakfast (B&B). De inkomsten uit de exploitatie van de B&B vormden winst uit onderneming. De woning behoorde tot het keuzevermogen en was aangemerkt als privévermogen. Het hof moest daarom toetsen of de B&B-ruimtes kwalificeerden als eigen woning. Volgens het hof stonden de B&B-ruimtes in de woning niet langer als hoofdverblijf ter beschikking aan belastingplichtige, omdat de ruimtes waren ingericht en bestemd voor de verhuur aan gasten. De ruimtes waren bovendien afsluitbaar. Niet was gesteld, en dat was ook niet aannemelijk, dat de ruimtes in de niet-verhuurperiodes werden gebruikt door belanghebbende en/of haar gezinsleden. De B&B-ruimtes kwalificeerden dus niet langer niet als eigen woning in box 1, maar behoorden tot box 3. De staatssecretaris is niet in cassatie gegaan tegen deze uitspraak.

In de praktijk zal dus eerst moeten worden beoordeeld of het deel van de woning behoort tot box 1 of box 3. Indien de ruimte permanent is bestemd voor de tijdelijke verhuur aan derden, dan is naar onze mening sprake van box 3. Dit gedeelte van de woning staat immers dan niet meer (anders als tijdelijk) als hoofdverblijf ter beschikking. Is slechts sprake van tijdelijk verhuur van een deel van de eigen woning, dan blijft volgens het ‘tuinhuisje-arrest’ de ruimte behoren tot de eigen woning en zijn de huurinkomsten belast in box 1. Er wordt bij tijdelijke verhuur geen onderscheid gemaakt tussen een aanhorigheid, een gedeelte van de woning of de gehele woning.

De exacte grens tussen tijdelijke kortstondige verhuur en permanente kortstondige verhuur zal echter niet altijd eenvoudig te trekken zijn. De feiten en omstandigheden van het concrete geval zijn hiervoor doorslaggevend. Zo komt het ons voor dat naar de aard van de activiteiten, bij een B&B eerder wordt toegekomen aan een kwalificatie als box 3 dan bij tijdelijke verhuur via Airbnb.

Maar wat zou de uitkomst van het ‘tuinhuisje-arrest’ zijn geweest als de belastingplichtige had gesteld dat het tuinhuisje permanent was bestemd voor de tijdelijke verhuur en zij aannemelijk had gemaakt dat het tuinhuisje, hoewel slechts 21 dagen daadwerkelijk verhuurd, wel het merendeel van het jaar is aangeboden op Airbnb en niet tussentijds is gebruikt door belastingplichtige zelf? Vragen die dan opkomen, zijn:

  • Is de intentie van de belastingplichtige (de bestemming) doorslaggevend of moet daadwerkelijke sprake zijn van permanente verhuur?
  • Kan de belastingplichtige volstaan met het fysiek afsluiten van de voor verhuur bestemde ruimte in de periode dat de ruimte niet wordt verhuurd?
  • Na hoeveel dagen is geen sprake meer van tijdelijke verhuur, maar van permanente verhuur?
  • En hoe maakt men het voorgaande dan aannemelijk?

Al dit soort vraagstukken zijn in de onderhavige zaak niet aan de orde gekomen, omdat niet in geschil was dat het tuinhuis kwalificeerde als aanhorigheid bij de eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 lid 1 Wet IB.

Overigens zal toerekening van een deel van de eigen woning aan box 3 in de praktijk tot de nodige uitvoeringstechnische vraagstukken leiden, bijvoorbeeld ten aanzien van het eigenwoningforfait, de beperking van de hypotheekrenteaftrek en de waardering in box 3.

Zijn inkomsten uit tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning belast op grond van artikel 3.113 Wet IB?

In ons eerdere artikel in FP 2019-0063 hebben wij al opgemerkt dat artikel 3.113 Wet IB naar onze mening niet van toepassing is op de inkomsten uit de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning. De wettekst is helder en spreekt van ‘de eigen woning’ die tijdelijk ter beschikking is gesteld aan derden’. De wetsgeschiedenis bij de invoering (en latere wijziging) van artikel 3.113 Wet IB leidt naar onze mening niet tot een ander inzicht.

Bovendien is bij de invoering van artikel 3.113 Wet IB bewust afgeweken van de ‘voor zover’-benadering die in artikel 42a lid 8 Wet op de inkomstenbelasting 1964 – de voorganger van artikel 3.113 Wet IB – werd gehanteerd. In dit artikel was het volgende bepaald: ‘Voor zover een woning ten gevolge van het tijdelijk ter beschikking stellen van derden niet als eigen woning kan worden aangemerkt, worden in afwijking in zoverre van de derde afdeling van dit hoofdstuk, de inkomsten gesteld op drie kwart van de ter zake van dat ter beschikking stellen verkregen voordelen (…)’.

Op de overwegingen van de Hoge Raad in het ‘tuinhuisje-arrest’ valt ons inziens dus het nodige af te dingen. Hoewel wij ons kunnen voorstellen dat het, mede gezien de steeds moderner en digitaler wordende economie, wenselijk is ook inkomsten uit de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning te kunnen belasten, volgt dit niet uit de letterlijke tekst van de wet. Deze nieuwe vormen van economie zullen bij invoering (en wijziging) van artikel 3.111 lid 7 en 3.113 Wet IB simpelweg ook niet zijn voorzien. Het was wat ons betreft passender geweest als de wetgever tijdig had ingegrepen met een wetswijziging. Dan was de intentie van de wetgever vanaf dat moment duidelijk geweest. Nu heeft de Hoge Raad de wetgever een handje moeten helpen door de heldere en grammaticale uitleg van artikel 3.113 Wet IB opzij te zetten en de (onduidelijke) intentie van de wetgever als uitgangspunt te nemen.

3. Belang voor de praktijk

De aangifte inkomstenbelasting

Met het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2020 is eindelijk duidelijkheid gekomen over de belastbaarheid van inkomsten uit de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning via digitale platformen zoals Airbnb. Ook inkomsten uit de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning zijn op grond van artikel 3.113 Wet IB belast met inkomstenbelasting. Het verhuurde gedeelte van de eigen woning blijft onderdeel van de eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 lid 1 Wet IB. Daarmee bestaat geen onderscheid (meer) tussen de tijdelijke verhuur van de gehele eigen woning, bijvoorbeeld bij een tijdelijk verblijf in het buitenland, en de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning, bijvoorbeeld via een platform als Airbnb.

Deze uitspraak zal ongetwijfeld voor veel huiseigenaren gevolgen hebben, nu de verhuur via digitale platformen als Airbnb de laatste jaren een enorme vlucht heeft genomen. Een substantieel gedeelte van de Nederlandse huiseigenaren zal voortaan huurinkomsten in box 1 van de aangifte inkomstenbelasting moeten aangeven. Dat het Ministerie van Financiën op zoek is naar meer mogelijkheden om grip te krijgen op deze nieuwe (digitale) vorm van economie blijkt wel uit het pakket ‘Bouwstenen voor een beter belastingstelsel’. In het daartoe behorende rapport ‘Het belasten van inkomsten behaald uit de deel- en kluseconomie’ wordt onder meer een renseigneringsplicht voorgesteld om meer informatie van digitale platformen te krijgen, zodat bijvoorbeeld de voor ingevulde aangifte (VIA) hiermee kan worden uitgebreid.

Vooralsnog moeten belastingplichtigen (of hun adviseur) zelf de inkomsten uit tijdelijke verhuur opgeven in de aangifte inkomstenbelasting. Hierbij is relevant dat artikel 3.113 Wet IB uitgaat van de voordelen uit de tijdelijke verhuur. Onder voordeel wordt verstaan de netto-huuropbrengsten, dus de huurinkomsten minus de bijbehorende kosten. De kosten van bijvoorbeeld gas, water, licht, schoonmaak en Airbnb komen dus in aftrek op de huurinkomsten. De bewijslast voor deze kosten ligt bij de belastingplichtige en deze zal dus een administratie moeten bijhouden. Vervolgens wordt 70% van de voordelen bijgeteld bij het eigenwoningforfait. Fiscale partners kunnen de belastbare inkomsten uit eigen woning onderling verdelen.

Zijn er met deze Hoge Raad-uitspraak in de hand dan nog situaties denkbaar die niet leiden tot belastingheffing over inkomsten uit de verhuur van (een gedeelte van) de eigen woning?

Kamerverhuurvrijstelling mogelijk?

In paragraaf 2 hebben wij besproken dat het ook mogelijk is dat de belastingplichtige een gedeelte van de eigen woning permanent bestemd voor de tijdelijke verhuur aan derden. Het verhuurde gedeelte van de woning valt dan in principe in box 3. Hierop bestaat echter een uitzondering, namelijk de kamerverhuurvrijstelling van artikel 3.114 Wet IB. Op basis hiervan blijft de verhuurde woonruimte tot de eigen woning behoren en zijn de huurinkomsten onbelast, indien:

  • het gaat om het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van woonruimte;
  • de (al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde) woonruimte geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat;
  • de huuropbrengsten niet meer bedragen dan € 5.506 per jaar (2020); en
  • de belastingplichtige en degene aan wie de woonruimte ter beschikking wordt gesteld, gedurende de tijd van de terbeschikkingstelling op het adres van de woning staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP).

De vraag is of de kamerverhuurvrijstelling ook van toepassing kan zijn op de verhuur van een gedeelte van de woning via Airbnb. Deze vraag is voorgelegd aan Hof Den Haag. In deze casus was sprake van verhuur van een gedeelte van de eigen woning in verschillende periodes van het jaar via Airbnb. Het ging om vier huurders met een huurperiode van maximaal één of twee maanden. Het hof oordeelde dat aan alle materiële vereisten van de kamerverhuurvrijstelling is voldaan. Het enkel ontbreken van een inschrijving in het BRP is in deze situatie geen reden om de kamerverhuurvrijstelling te weigeren. Dit vervult slechts een bewijsfunctie.

De staatssecretaris is tegen deze uitspraak in cassatie gegaan. In zijn conclusie naar aanleiding van deze hofuitspraak geeft A-G Niessen aan dat de inschrijvingseis niet zomaar opzij kan worden gezet. De wettekst biedt daar geen ruimte toe. Bovendien kan uit de wetshistorie niet worden afgeleid dat deze eis alleen een bewijsfunctie heeft. Daarnaast wordt volgens de A-G niet voldaan aan het materiële vereiste dat sprake is van verhuur anders dan voor korte duur. De A-G leidt uit de parlementaire geschiedenis namelijk af dat de verhuur voor periodes van één of twee maanden is aan te merken als kortdurend en dus niet onder de kamerverhuurvrijstelling valt. Deze visie sluit aan bij de antwoorden op Kamervragen in 2018, waarin de staatssecretaris van Financiën al eens heeft aangegeven dat de kamerverhuurvrijstelling volgens hem niet van toepassing is bij tijdelijke verhuur aan bijvoorbeeld toeristen. De conclusie van de A-G in deze procedure is dat de inkomsten uit tijdelijke verhuur zijn belast op grond van artikel 3.113 Wet IB.

Het is nu wachten op het eindoordeel van de Hoge Raad in deze uitspraak. De uitkomst laat zich al wel voorspellen. Wij verwachten dat de Hoge Raad zich aansluit bij de conclusie van de A-G dat sprake is van tijdelijke verhuur. Uit het ‘tuinhuisje-arrest’ volgt dan dat de inkomsten zijn belast op basis van artikel 3.113 Wet IB. Dit arrest was overigens nog niet verschenen ten tijde van de conclusie van de A-G. Onze verwachting is dat de kamerverhuurvrijstelling dus geen soelaas zal bieden in geval van de toeristische verhuur via Airbnb, mede gelet op de formele inschrijvingseis.

De enige manier om mogelijk aan belastingheffing in box 1 te ontkomen, lijkt volgens ons het permanent bestemmen van een deel van de eigen woning voor de tijdelijke verhuur aan derden. In dat geval wordt box 1-heffing verruild voor box 3-heffing. Dit kan fiscaal voordelig zijn, maar zal ook leiden tot uitvoeringstechnische problemen. Bovendien moeten de feiten en omstandigheden zich daarvoor ook lenen. In dat kader wordt bijvoorbeeld de recent door de Eerste Kamer aangenomen ‘Wet toeristische verhuur van woonruimte’ relevant. Op basis van deze wet kan de gemeente bepalen dat een woonruimte slechts een maximaal aantal nachten per jaar toeristisch verhuurd mag worden.

Het zou ons in ieder geval niet verbazen als de volgende discussies zich gaan toespitsen op de scheidslijn tussen kortstondige verhuur en verhuur anders dan voor korte duur. Gooit de Hoge Raad de deur (van het tuinhuisje) nu dicht?

Uit: Fiscaal Praktijkblad nummer 11 van november 2020

Auteurs:
Kim Dekkers, Joanknecht
Patrick van de Heuvel, vennoot bij Marree & Van Uunen Belastingadviseurs