Douane Update
   

Vermindering douanewaarde bij gebreken (conclusie A-G)

Art. 236 CDW / art. 145, lid 2 en lid 3, UCDW

Op grond van art. 145, lid 2, sub a, UCDW kan een importeur vanwege achteraf vastgesteld lagere douanewaarde betaalde invoerrechten terugvragen als de goederen ten tijde van de invoer gebreken vertoonden. De A-G Hof van Justitie heeft geconcludeerd dat ook van een “gebrek” kan worden gesproken wanneer wordt vastgesteld dat er een risico is dat goederen niet de eigenschappen bezitten die men gerechtigd is daarvan te verwachten en daarom maatregelen neemt (met name vervanging van verdachte onderdelen). Verder concludeerde de A-G dat voor de teruggaaf van invoerrechten inzake een gebrek een termijn moet gelden van 3 jaar en niet van 12 maanden zoals art. 145, lid 3, UCDW voorschrijft.

X heeft personenauto’s van drie verschillende types (A, C en D) gekocht van een in Japan gevestigde fabrikant. Deze auto’s zijn door X in het vrije verkeer gebracht in het douanegebied van de Unie. De douanewaarde van deze auto’s is vastgesteld aan de hand van art. 29 CDW (koopprijs). X heeft de auto’s doorverkocht aan dealers, die de auto’s hebben verkocht aan eindgebruikers. Na een poosje heeft de Japanse fabrikant X verzocht om alle eigenaren van de auto’s van het type A uit te nodigen om een afspraak te maken met een dealer om de stuurkoppeling te laten vervangen. De auto’s van de types C en D hadden ook onderdelen die mogelijk gebrekkig waren. Ook deze moesten door de dealers worden hersteld.

X heeft de gemaakte kosten vergoed aan de dealers en de fabrikant heeft de kosten aan X vergoed op grond van de contractuele garantieverplichtingen. De vergoeding van de fabrikant voor de auto’s van type A heeft plaatsgevonden binnen twaalf maanden na de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer. De vergoeding van de fabrikant voor de auto’s van de types C en D heeft meer dan twaalf maanden na de datum van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer plaatsgevonden.

X heeft op grond van art. 236 CDW verzocht om terugbetaling van een gedeelte van de voldane invoerrechten. X stelde dat de vastgestelde douanewaarde van de ingevoerde auto’s dient te worden verminderd met de vergoedingen van de fabrikant. De inspecteur wees dit verzoek af, omdat de voorgestelde correcties van de douanewaarde waren gebaseerd op art. 145, lid 2, UCDW en dat artikel niet voorziet in prijsverminderingen voor verleende vergoedingen om defecten uit te sluiten maar slechts voor daadwerkelijke gebreken. Daarnaast werd het verzoek afgewezen, omdat de betaling van de fabrikant voor de auto’s van de types C en D buiten de gestelde termijn van twaalf maanden, van art. 145, lid 3, UCDW had plaatsgevonden.

De Nederlandse rechter stelde twee prejudiciële vragen (Hoge Raad, nr. 14/00580, Douane Update 2015-0601). De eerste vraag houdt verband met de reikwijdte van het begrip “goederen die gebreken vertonen” van art. 145, lid 2, UCDW. De tweede vraag ziet op de vraag of de termijn van art. 145, lid 3, UCDW, in strijd is met art. 78 en art. 236 CDW.

De A-G concludeerde dat de hoedanigheid “gebreken vertonen” van art. 145, lid 2, UCDW geldt voor een voorwerp dat “niet de vereiste eigenschappen bezit”. Het bestaan van een risico impliceert dat die goederen niet de eigenschappen bezitten die men gerechtigd is daarvan te verwachten. Anders gezegd, gelet op de aard van onderhavige goederen vormt het risico op een defect in deze goederen een gebrek op zichzelf.

Daarbij dient de douanewaarde gelijk te zijn aan de werkelijke economische waarde van het ingevoerde goed. Derhalve komt de A-G tot de conclusie dat art. 145, lid 2, UCDW van toepassing zou moeten zijn in een situatie als de onderhavige.

De A-G vervolgt met de vraag of de termijn van twaalf maanden van art. 145, lid 3, UCDW geldig is. Dit is volgens de A-G niet het geval. Ten eerste ziet de A-G niet de noodzaak of het nut van art. 145, lid 3, UCDW. De A-G zet uiteen dat art. 143, lid 2, UCDW vereist dat, indien er sprake is van een gebrek, de importeur ten genoegen van de douaneautoriteiten moet aantonen dat het gebrek op het tijdstip van invoer van de desbetreffende goederen bestond. Zodoende ligt de bewijslast bij de importeur om de douanewaarde aan te passen en is het niet meer noodzakelijk noch nuttig om aan de aanpassing van de douanewaarde de aanvullende voorwaarde te verbinden dat de prijswijziging moet plaatsvinden binnen een termijn van 12 maanden na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte. Bovendien beschermt reeds de termijn van art. 236, lid 2, CDW de rechtszekerheid en de uniformiteit voor de douaneadministratie en het budget van de Unie, waardoor geen noodzaak of nut aan de termijn in art. 145, lid 3, UCDW toekomt. Daarbij concludeert de A-G dat er tevens geen noodzaak bestaat dat de termijn van art. 145, lid 3, UCDW gelijk is aan de termijn van art. 238, lid 4, CDW. Gezien de situatie van de koper in art. 238, lid 4, CDW (constatering van een gebrek op het moment van invoer) niet gelijk is aan de situatie van de koper in art. 145, lid 3, UCDW (constatering van een gebrek na moment van invoer).

Op grond van dit alles is volgens de A-G de termijn van art. 145, lid 3, UCDW niet verenigbaar met de bepalingen van het CDW. Wanneer de voorwaarden van art. 145, lid 2, UCDW zijn vervuld, kan een schuldenaar op grond van art. 29 CDW in samenhang met art. 78 CDW en art. 236, lid 2, CDW terugbetaling van voldane invoerrechten krijgen tot drie jaar vanaf het moment dat de douaneschuld is ontstaan.

Ons commentaar

Een logische conclusie van de A-G lijkt ons. Aardig is dat de A-G laat zien aan welke voorwaarden dient te worden voldaan om een artikel van het UCDW ongeldig te laten zijn. De uitleg van “gebreken” zal onder het DWU wellicht ook van pas kunnen komen (als het Hof van Justitie beslist in lijn met de conclusie van de A-G).

Onder de oude wetgeving moest een verzoek tot teruggaaf zijn ingediend binnen drie jaar nadat de douaneschuld is meegedeeld (art. 236, lid 2, CDW), maar gold daarbovenop nog dat de aanpassing van de prijs moest hebben plaatsgevonden binnen 12 maanden na aanvaarding van de aangifte, om voor teruggaaf in aanmerking te kunnen komen (art. 145, lid 3, UCDW). De A-G concludeert nu dat die tweede voorwaarde geen nut heeft en niet noodzakelijk is voor de uitvoering van art. 29 CDW (de bepaling van de douanewaarde op basis van de transactiewaardemethode of koopprijs). Volgens de A-G verzekert de termijn van 3 jaar waarbinnen het teruggaafverzoek moet zijn ingediend, in voldoende mate de rechtszekerheid en uniformiteit voor de douaneautoriteiten en het budget van de Unie. Het is dan niet nodig om ook nog de voorwaarde te stellen dat de prijsverandering binnen 12 maanden na aanvaarding van de douaneaangifte moet hebben plaatsgevonden.

Onder het Douanewetboek van de Unie (“DWU”) is de procedure voor terugbetaling opgenomen in artt. 116 en 121 DWU. Volgens het nieuwe artikel (art. 121, lid 2, sub b, DWU) moet in geval van gebreken het teruggaafverzoek zijn ingediend binnen één jaar na de datum waarop de douaneschuld is meegedeeld (dit was onder het CDW dus nog 3 jaar). Vervolgens wordt in art. 132, sub c, Uvo. DWU bepaald dat de prijsaanpassing voor gebrekkige goederen moet zijn gedaan binnen één jaar na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte (hier is dus niets veranderd ten opzichte van art. 145, lid 3, UCDW). De douanewetgever heeft onder het DWU dus een nieuwe termijn geïntroduceerd waarbinnen een teruggaafverzoek moet zijn gedaan, als het gaat om gebrekkige goederen: 1 jaar in plaats van 3 jaar. Blijkbaar heeft de douanewetgever gevonden dat bij prijsaanpassingen aan gebrekkige goederen, toch alleen recht op teruggaaf van betaalde invoerrechten bestaat als het niet langer dan een jaar duurt voordat de prijsaanpassingen zijn gemaakt. Omdat in het DWU zelf nu reeds de termijn van 1 jaar is opgenomen voor het terugvragen van de betaalde invoerrechten, zal de conclusie van de A-G met betrekking tot de termijnen en de ongeldigheid van de termijn in art. 145, lid 3, UCDW (als deze wordt overgenomen door het Hof van Justitie), onder het DWU waarschijnlijk geen betekenis meer hebben.

Bron(nen):
Conclusie A-G Hof van Justitie, nr. C-661/15, 30-03-2017

Uit: Douane Update nr. 8 van 14 april 2017
Nummer Duda20170199