Douane Update
   

Na nietigverklaring van verordening niet alleen terugbetaling van antidumpingrechten maar ook van rente

Art. 241 CDW Containerschip

Op grond van art. 241 CDW zijn de douaneautoriteiten bij terugbetaling van rechten bij invoer in beginsel geen rente verschuldigd over de terugbetaalde bedragen. Het Hof van Justitie oordeelt dat art. 241 CDW op zichzelf niet kan impliceren dat een nationale regeling rechtsgeldig kan bepalen dat over het bedrag van de terugbetaalde invoerrechten geen rentevergoeding hoeft te worden betaald over de periode vanaf de datum van betaling van deze rechten tot aan de terugbetaling ervan. Het bedrag van deze door de bevoegde nationale autoriteit aan de betrokken onderneming terugbetaalde rechten moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde rente.

In de periode van 2006 tot 2012 bracht Wortmann KG Internationale Schuhproduktionen (“Wortmann”) in Duitsland schoeisel in het vrije verkeer. Het ging om schoeisel van oorsprong uit China waarvoor destijds een antidumpingrecht gold. In 2010 begon Wortmann met het indienen van verzoeken om terugbetaling, omdat de geldigheid van de desbetreffende antidumpingverordening (Vo. (EG) nr. 1472/2006) werd aangevochten bij het Hof van Justitie. Bij arrest van 2 februari 2012, Brosmann Footwear (C-249/10 P, Douane Update 2012-0083), verklaarde het Hof van Justitie de antidumpingverordening nietig voor zover die betrekking had op een aantal fabrikanten, onder andere die waar Wortmann haar schoeisel van betrok.

Op 17 april 2013 betaalden de Duitse douaneautoriteiten aan Wortmann de ten onrechte over de jaren 2007 en 2008 betaalde antidumpingrechten terug. In november 2013 vroeg Wortmann om een rentevergoeding over de terugbetaalde bedragen en wel vanaf het tijdstip waarop zij het antidumpingrecht had betaald. De douane wees dit verzoek af omdat geen sprake was geweest van een situatie bedoeld in art. 241 CDW. Op grond van deze bepaling hoeft uitsluitend rente te worden betaald wanneer ofwel meer dan drie maanden over is gedaan om de rechten terug te betalen ofwel de nationale bepalingen in betaling van rente voorzien. De Duitse wetgeving geeft uitsluitend recht op rentevergoeding vanaf de datum waarop het verzoek bij de rechter is ingediend.

Het geschil kwam terecht bij het Finanzgericht Düsseldorf. Deze rechter overwoog dat art. 241 CDW in beginsel geen verplichting kent tot vergoeding van rente maar dat twijfel mogelijk is of een weigering om rente te vergoeden verenigbaar is met de in de rechtspraak van het Hof van Justitie ontwikkelde algemene beginselen van het Unierecht. In het arrest Irimie (C-565/11, Douane Update 2013-0256) oordeelde het Hof van Justitie dat wanneer een lidstaat rechten heeft geheven in strijd met het recht van de Unie, de belastingplichtigen niet alleen recht hebben op terugbetaling van de belasting, maar ook van de aan die lidstaat betaalde bedragen die rechtstreeks verband houden met die belasting. Hiertoe behoren ook de verliezen die het gevolg zijn van het feit dat geldsommen door de voortijdige verschuldigdheid van de belasting niet beschikbaar zijn (rente).

Het Finanzgericht Düsseldorf legde aan het Hof van Justitie de vraag voor of art. 241 van het CDW zo moet worden uitgelegd dat nationale recht vanwege ongeschreven Unierecht, in het bijzonder het doeltreffendheidsbeginsel, dient te voorzien in een rentevergoeding over terugbetaalde invoerrechten over de periode vanaf de datum van betaling van deze rechten tot aan die van de terugbetaling ervan.

In zijn conclusie heeft A-G Campos Sánchez-Bordona het Hof van Justitie in overweging gegeven te oordelen dat de verplichting van de douaneautoriteiten tot terugbetaling van ten onrechte door een importeur betaalde bedragen ook geldt voor de vergoeding van rente over die bedragen vanaf het moment dat deze zijn betaald, wanneer het gaat om anti­dumpingrechten die zijn geheven bij een door het Hof van Justitie nietig verklaarde veror­dening (Douane-Update 2016-5177).

Het Hof van Justitie overweegt dat art. 241 CDW op zichzelf niet uitsluit dat een nationale regeling in een situatie als de onderhavige rechtsgeldig kan bepalen dat over het bedrag van de terugbetaalde invoerrechten geen rentevergoeding hoeft te worden betaald over de periode vanaf de datum van betaling van deze rechten tot aan de terugbetaling ervan. Zowel uit de ontstaansgeschiedenis van art. 241 CDW als uit de context waarin die bepaling is opgenomen, blijkt immers volgens het Hof van Justitie dat deze in de betreffende omstandigheden niet van toepassing is. Art. 241 CDW heeft betrekking op de situatie dat de douane na het doen van een aangifte de goederen vrijgeven en voorlopig een aanslag opleggen in afwachting van een nadere controle en de resultaten daarvan. In de onderhavige zaak berust de terugbetaling van antidumpingrechten niet op een fout bij de berekening van die rechten die pas na de vrijgave van de goederen bij een controle zou zijn vastgesteld.

Hoewel de Duitse rechter zijn vragen formeel heeft beperkt tot de uitlegging van art. 241 CDW vindt het Hof van Justitie het nodig om aanwijzingen te geven over het Unierecht die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de onderliggende zaak.

Het Hof van Justitie stelt voorop dat het volgens de rechtspraak aan de nationale autoriteiten is om in hun eigen rechtsorde de consequenties te trekken uit de nietig- of ongeldig­heidsverklaring van een verordening waarbij antidumpingrechten zijn opgelegd. Eén van deze consequenties zou kunnen zijn dat antidumpingrechten terugbetaald moeten worden bij de vaststelling dat deze niet wettelijk verschuldigd zijn (op grond van art. 236 CDW). De Duitse douaneautoriteiten hebben na nietigverklaring van de betreffende verordening het bedrag van antidumpingrechten aan Wortmann terugbetaald, zonder deze te vermeerderen met de door die onderneming gevorderde moratoire interest.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat wanneer de belastingen of de rechten zijn geïnd door een lidstaat overeenkomstig een Unieregeling die door de Unierechter ongeldig of nietig is verklaard, de belanghebbenden die de betrokken belastingen of rechten hebben voldaan, niet alleen recht hebben op terugbetaling van de betaalde bedragen, maar ook op de rente over die bedragen (zie arrest van het Hof van Justitie van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich, nrs. C-113/10, C-147/10 en C-234/10).

Binnen deze context moet volgens het Hof van Justitie het bedrag van de aan de betrokken onderneming terugbetaalde rechten worden vermeerderd met de daarover verschuldigde rente. Noch art. 236, lid 1, CDW noch art. 241 CDW sluiten de terugbetaling van rente in een dergelijke situatie uit. Voorts vond de terugbetaling van de betrokken antidumping­rechten plaats na de nietigverklaring door het Hof van Justitie van de verordening op basis waarvan deze rechten waren geïnd.

Het Hof van Justitie verklaart voor recht dat wanneer invoerrechten, met inbegrip van antidumpingrechten, worden terugbetaald omdat zij zijn geïnd in strijd met het Unierecht, er voor de lidstaten een uit het Unierecht voortvloeiende verplichting bestaat om aan de justitiabelen die recht hebben op de terugbetaling, de daarover verschuldigde rente te vergoeden, welke rente begint te lopen op de datum van betaling door deze justitiabelen van de terugbetaalde rechten.

Hof van Justitie, nr. C-365/15 (Wortmann), 18-01-2017

Ons commentaar

Dit is een belangrijk arrest van het Hof van Justitie, een zogenaamde “landmark case”, voor het douanerecht.

Het Finanzgericht Düsseldorf had middels zijn prejudiciële vraag de pijlen gericht op de interpretatie van art. 241 CDW (thans: art. 116, lid 6, DWU) en dan met name op de lacune die het nationale recht moet opvullen: een rentevergoeding over de terugbetaalde invoer­rechten over de periode vanaf de datum van betaling van deze rechten tot aan dat van de terugbetaling ervan. Evenals de A-G stelt het Hof van Justitie vast dat art. 241 CDW niet van toepassing is in deze omstandigheden maar reikt vervolgens wel instrumenten aan om de zaak te beslechten op basis van vast gebruik (lees: “vaste rechtspraak”). De kapstok waar het Hof van Justitie in navolging van de A-G naar verwijst, is een arrest over productieheffingen in de suikersector (Zuckerfabrik Jülich, C-113/10, C-147/10 en C-234/10). In die zaak was al ondubbelzinnig vastgesteld dat voor lidstaten de verplichting bestond om rente te betalen in een situatie van een ongeldig vastgestelde verordening. In dat arrest onderstreepte het Hof van Justitie dat het argument van lidstaten dat de lidstaat zelf die rente niet kan terugvorderen ten laste van de eigen middelen van de Europese Unie, niet opgaat.

Nu rijst de vraag hoe ver de gevolgen reiken van het Wortmann-arrest. Het Hof van Justitie heeft naar onze mening richting gegeven door helder aan te geven op welke situatie art. 241 CDW (en in wezen nu ook art. 116, lid 6, DWU) betrekking heeft: de terugbetaling van invoerrechten door een fout bij de berekening van die rechten die pas na de vrijgave van de goederen door de bevoegde douaneautoriteit bij controle zou zijn vastgesteld. Eén van de situaties die buiten voornoemde afbakening vallen, is kennelijk het geval waarin een (rechts-)persoon een verordening betreffende antidumpingrechten eerbiedigt, welke achteraf nietig wordt verklaard. Een ander voorbeeld zou kunnen zijn een indelingsverordening die door het Hof van Justitie achteraf – al dan niet deels – ongeldig wordt verklaard (als voorbeeld verwijzen wij naar het Kawasaki-arrest, nr. C-91/15, Douane Update 2016-0475). Ook in het laatste geval kan verdedigd worden dat sprake is van invoerrechten die zijn terug­betaald omdat zij “zijn geïnd in strijd met het Unierecht”.

Wat de Nederlandse wetgeving betreft voorziet hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 in de vergoeding van invorderingsrente bij terugbetaling van belasting. In het bijzonder art. 28c van de Invorderingswet (sinds 1 januari 2015 in werking getreden) regelt de vergoeding van rente ingeval belastingen die in strijd met het Unierecht zijn geheven, worden terugbetaald. Deze wettelijke regeling is er gekomen naar aanleiding van het arrest Irimie en gold ook voor rechten bij invoer.

Bij de Wet aanpassingen aan het Douanewetboek van de Unie, Kamerstuk 34409, die tegelijkertijd met het DWU in werking is getreden, is het regime van de invorderingsrente van hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 nadrukkelijk uitgezonderd voor (onder meer) rechten bij invoer (zie art. 27quater van de Invorderingswet 1990). Als reden daarvoor wordt in de memorie van toelichting genoemd dat het DWU niet meer toelaat te voorzien in eigen aanvullende bepalingen op het gebied van het in rekening brengen van rente. Het Wortmann-arrest roept de vraag op of deze wettelijke aanpassingen niet te rigoureus zijn geweest.

Uit: Douane Update nr. 3 van 3 februari 2017