Beloning & Belasting
   

Vergoeding voor het niet-uitoefenen van optierechten vormt loon

Een werkgever, onderdeel van een concern, heeft aan zijn directeur (werknemer) in zijn arbeidsovereenkomst van 1996 een winstdelingsregeling toegekend. De werknemer heeft daarnaast optierechten gekregen. In juni 1998 heeft de werkgever een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten met de werknemer. De nieuwe arbeidsovereenkomst verving de arbeidsovereenkomst uit 1996. In de nieuwe arbeidsovereenkomst zijn een jaarlijkse tantième en een winstdelingsregeling opgenomen. Tevens heeft de werknemer optierechten toegekend gekregen.

In 1999 heeft het concern besloten om naar de beurs te gaan. In verband met de beursgang heeft het concern de optierechten van alle werknemers afgewikkeld, waaronder met de werknemer in kwestie. De werkgever heeft met de werknemer een overeenkomst gesloten waarvan drie ‘side-letters’ deel uitmaken. De werknemer heeft op grond van de overeenkomst een vergoeding ontvangen van f 3.850.000 voor het vervreemden van de optierechten. De werkgever heeft geen loonbelasting ingehouden op de vergoeding van f 3.850.000. De werkgever heeft een beroep gedaan op het geldende regime voor optierechten in 1999, te weten dat belastingheffing plaatsvindt bij het toekennen (dan wel uitoefenen binnen drie jaar) van de optierechten.

In één van de side-letters is een bedrag van f 1.095.000 aangemerkt als een voordeel dat is behaald met de optierechten. Dit bedrag is gelijk aan de waarde van de optierechten van de andere werknemers van het concern. Het andere deel van de vergoeding ad f 2.755.000 zag volgens een andere side-letter op de algehele en finale kwijting ten aanzien van de verplichtingen tot de uitkering van tantièmes en (extra) winstdeling die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien. De werknemer is in oktober 2000 uit dienst getreden. De werkgever heeft in 2000 een bedrag van f 1.000.000 aan de werknemer betaald en in 2002 een bedrag van f 2.850.000.

De belastingdienst heeft in 2002 een boekenonderzoek ingesteld bij de werkgever. Naar aanleiding van het boekenonderzoek is van het bedrag van f 3.850.000 dat de werknemer heeft ontvangen een bedrag van f 1.095.000 aangemerkt als een voordeel dat is toe te rekenen aan de optierechten. Het restant van de vergoeding, zijnde f 2.755.000, is volgens de inspecteur aan te merken als nettoloon van de werknemer. De Inspecteur heeft voor dit bedrag een naheffingsaanslag opgelegd aan de werkgever.

In geschil bij het Hof is de vraag of het bedrag van f 2.755.000 geheel of gedeeltelijk tot het loon uit dienstbetrekking moet worden gerekend, en zo ja, of er sprake is van de uitzonderingssituatie op basis van het zogenoemde Verduisteringsarrest.

Het staat vast dat de directie van het concern in de loop van 1999 heeft besloten om in 2000 naar de beurs te gaan. Als voorbereiding op de beursgang dienden de optie-, winst- en tantièmerechten, die werknemers in het kader van binding aan het concern hadden verkregen, te worden afgekocht. Alle werknemers hebben voor ieder optierecht een vergoeding gekregen van f 219. De werknemer in kwestie bezat 5.000 optierechten en derhalve is f 1.095.000 van het totale bedrag van f 3.850.000 aan de optierechten toegerekend. De Inspecteur heeft dit bedrag op basis van het geldende regime voor optierechten niet in de heffing van loonbelasting betrokken.

De werkgever stelt dat het bedrag van f 2.755.000 ook geheel of gedeeltelijk, is betaald als vergoeding voor de optierechten. Het hof oordeelt dat uit onder meer de side-letters blijkt dat de vergoeding per optierecht die de werknemer heeft ontvangen hetzelfde is als die van de andere werknemers. Het Hof is van mening dat de werknemer een hogere vergoeding heeft ontvangen, doordat onder meer bedragen op grond van de winstdelings- en tantièmeregeling zijn meegenomen. De vergoeding van f 2.755.000 is volgen het Hof, gelet op de emolumenten waaruit deze is opgebouwd, te weten extra winstdeling van f 1.700.000, tantième van f 450.000, schikken conflict f 100.000 en extra compensatie f 505.000, volledig aan te merken als genoten loon uit dienstbetrekking.

De werkgever stelt verder nog dat de werknemer frauduleus heeft gehandeld waardoor hij een hoger recht op een bonus en een tantième heeft ontvangen dan waarop hij recht had gehad als hij niet op frauduleuze wijze onjuiste omzetcijfers zou hebben gepresenteerd. Op grond van het Verduisteringsarrest kwalificeert volgens de werkgever derhalve slechts f 614.298 als loon uit dienstbetrekking. Naar het oordeel van het Hof heeft de werkgever de rechten van de werknemer op basis van de winstdelings- en tantièmeregeling weloverwogen afgekocht. Een beroep op het Verduisteringsarrest wordt door het Hof teniet gedaan, nu de werkgever achteraf van mening was dat de werknemer vanwege zijn mogelijk bedrog een te hoge vergoeding heeft ontvangen. De naheffingsaanslag ad f 2.755.000 is terecht aan de werkgever opgelegd aldus het Hof.

Opmerking B&B

Wij hebben niet zoveel toe te voegen aan het oordeel van het Hof. De werknemer heeft op basis van de side-letters blijkbaar recht op enerzijds een vergoeding voor optierechten en anderzijds op een vergoeding op grond van de winstdelings- en tantièmeregeling. Het standpunt van de werkgever dat de laatste vergoeding ook een vergoeding is voor de optierechten kunnen wij dan ook niet goed volgen. Het Verduisteringsarrest houdt – kort gezegd – in dat voordelen die niet door de werkgever zijn verstrekt, maar die de werknemer kon behalen omdat zijn dienstbetrekking hem daartoe in staat stelde, niet tot het loon behoren. Het is immers niet aannemelijk dat de wetgever zou hebben bedoeld dat ook voordelen tot het loon behoren waarover de werkgever geen loonbelasting kan inhouden, omdat hij met die voordelen niet bekend is. Ook het beroep van de werkgever op dit punt faalt volgens het Hof, nu de werkgever blijkbaar achteraf van mening is dat de werknemer vanwege zijn bedrog een hogere vergoeding heeft gehad dan waarop hij normaal gesproken recht zou hebben gehad.

Bron(nen)
Hof ‘s Hertogenbosch, 01-02-2018, nr. 11/00361, ECLI:NL:GHSHE:2018:373

Uit: Beloning & Belasting nr. 6 van 23 maart 2018