Beloning & Belasting
   

Uit het dagboek van een salarisadministrateur: nihilwaardering en cafetariaregeling

Inleiding

Bedrijf X wil haar medewerkers graag de mogelijkheid bieden deel te nemen aan een fitnessprogramma en zorgt voor de benodigde voorzieningen op de werkplek. Voor de medewerkers is het helaas zo dat X de kosten niet (volledig) voor haar rekening wil nemen. Deelnemers aan de fitnessfaciliteit moeten een eigen bijdrage betalen. Per half jaar betalen zij een bedrag voor het fitnessabonnement rechtstreeks aan het bedrijf dat de fitnesssessies begeleidt. De salarisadministratie van X krijgt het verzoek om deelname aan het fitnessprogramma fiscaal vriendelijk te verwerken via een cafetariaregeling. Medewerkers zien af van brutoloonbestanddelen en in ruil daarvoor ontvangen zij een bedrag ter grootte van de abonnementskosten. Dit bedrag wordt, zo is de bedoeling, zonder inhouding van loonheffingen aan de medewerkers uitbetaald. Bedrijf X blij, deelnemende medewerkers blij.

Maar bij nader inzien vraagt de salarisadministrateur zich af of het beoogde doel (uitruil brutoloon voor een onbelaste vergoeding) via deze route wel kan worden bereikt. Hij ziet immers in het Handboek Loonheffingen ondermeer het volgende:

Loon in natura: nihilwaarderingen

Alles wat u uw werknemer verstrekt, vergoedt of ter beschikking stelt voor zijn dienstbetrekking, is loon. Om te voorkomen dat de waarde van voorzieningen op de werkplek in de vrije ruimte valt, is een aantal voorzieningen op nihil gewaardeerd. Nihilwaarderingen gelden alleen voor loon in natura, meestal in de vorm van een terbeschikkingstelling, en niet voor vergoedingen in geld.

En dit laatste lijkt nu te gebeuren. De medewerker ruilt immers brutoloon uit voor een vergoeding ter grootte van de kosten van het abonnement. Voor deze vergoeding in geld kan dan, althans volgens de regels van het Handboek Loonheffingen, ook geen gebruik worden gemaakt van de ‘faciliteit’ van de nihilwaardering. Voor een vergoeding in geld geldt, met andere woorden, de nihilwaardering niet zodat de vergoeding bij de medewerker dan ook voor de volle waarde als belast loon moet worden aangemerkt. In ruil voor het uitruilen van brutoloon ontvangt de medewerker dus een bruto vergoeding zodat na inhouding van loonheffing slechts het netto equivalent resteert. Tja, en daarmee kunnen de op de medewerker drukkende abonnementskosten slechts ten dele worden gecompenseerd. Daarnaast is X om zijn moverende redenen niet bereid de vergoeding aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel om deze vervolgens in de vrije ruimte onder te brengen, zou het al gebruikelijk zijn een dergelijke vergoeding als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen.

De salarisadministrateur informeert X over de gewenste regeling en de uitvoering ervan. Jammer maar helaas. Dit gaat zo niet lukken.

Nihilwaarderingen

Gelet op de tekst in het Handboek Loonheffingen zou de salarisadministrateur kunnen besluiten om het hierbij te laten. Maar laten we de diverse elementen eens tegen het licht houden.

In de uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 is geregeld dat de waarde van voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op de werkplek worden gebruikt of verbruikt en waarvan het niet gebruikelijk is deze elders te gebruiken of verbruiken, in redelijkheid op nihil wordt gesteld. Als werkplek heeft daarbij te gelden iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt gebruikt en waarvoor voor de inhoudingsplichtige de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing is met uitzondering van enkele door de wetgever specifiek genoemde plekken.

In de parlementaire geschiedenis is expliciet opgemerkt dat het genot van het gebruik van een fitnessruimte op de werkplek voldoet aan het hiervoor genoemde en daarmee op nihil wordt gewaardeerd. Hiervan uitgaande zou dus gesteld kunnen worden dat de fitnessvoorziening van X met uitruil van brutoloon op fiscaal vriendelijke wijze aan de medewerkers kan worden vergoed.

Maar daarmee zijn we er nog niet. De wettelijke basis voor de nihilwaarderingen ligt in de wet op de loonbelasting zelf. Daarin is bepaald dat bij ministeriƫle regeling nadere regels kunnen worden gesteld voor wat betreft de lagere fiscale waardering van voorzieningen op de werkplek. Maar de mogelijkheid om deze voorzieningen op een lager bedrag te waarderen geldt slechts voor niet in geld genoten loon. De lagere waardering is daarmee slechts mogelijk voor voorzieningen op de werkplek in natura die in zoverre aan de medewerkers ter beschikking worden gesteld.

Naar de letter van de wet- en regelgeving zal het cafetariseren door X van de fitnessvoorziening op de werkplek inderdaad niet het beoogde gevolg hebben. Het cafetariseren van de voorziening vindt immers plaats via het uitbetalen van een vergoeding aan de deelnemende medewerkers en daarmee is het formeel een in geld genoten voorziening zodat dan ook niet aan een nihilwaardering toe wordt gekomen.

Ratio nihilwaarderingen

De bovengenoemde uitkomst is, zoals gezegd, gebaseerd op de letterlijke tekst van de wet. Maar strookt dit met de ratio van de nihilwaarderingen van de voorzieningen op de werkplek?

Nihilwaarderingen gelden niet voor aan medewerkers uitbetaalde vergoedingen in geld (waarbij het niet uitmaakt of de vergoeding in combinatie met een cafetariaregeling wordt uitbetaald of niet). Bij een uitbetaling van een medewerker in geld wordt de medewerker immers, zo is de opvatting, eigenaar van de voorziening. En dat is nu net niet de bedoeling van voorzieningen op de werkplek. De medewerker gebruikt of verbruikt de voorziening maar wordt er geen eigenaar van. De gedachte van de nihilwaarderingen is dan ook dat voor zover de voorziening ter beschikking wordt gesteld aan de medewerker (deze wordt daarmee dan ook geen eigenaar) de waardering ervan op nihil kan worden gesteld.

Maar betekent dit nu dat het aanbieden van een voorziening aan medewerkers voor een vergoeding in geld dat dit dan altijd een situatie oplevert dat de medewerker ook (deels) eigenaar wordt van de betreffende voorziening? Of andersom geredeneerd: is er bij een vergoeding in geld nimmer sprake van een voorziening waarbij de facto sprake is van een terbeschikkingstelling van deze voorziening?

In het onderhavige geval bij X kan worden gesteld dat de deelnemende medewerker weliswaar een geldelijke vergoeding ontvangt ter zake van bedrijfsfitness maar eigenaar van de bedoelde voorziening wordt de medewerker toch echt niet. Feitelijk wordt de medewerker niet meer dan deelname aan bedrijfsfitness ter beschikking gesteld. Het is immers ook niet zo dat wanneer de dienstbetrekking eindigt gedurende de looptijd van het fitnessabonnement de medewerker nog op zijn oude werkplek terecht kan om daar nog van de fitnessfaciliteiten gebruik te kunnen maken. Hiervan uitgaande is er feitelijk sprake van het ter beschikking stellen van een fitnessvoorziening en is het verdedigbaar te stellen dat in deze situatie de fitnessvoorziening van X in combinatie met de vergoeding via de cafetariaregeling op nihil kan worden gewaardeerd.

Aanpassing cafetariasystematiek

Mocht de Belastingdienst hier niet mee akkoord gaan en dus geen soelaas bieden, zit er voor X niets anders op de cafetariasystematiek anders in te regelen. Dit zou dan concreet betekenen dat X de bedrijfsfitness aan haar medewerkers ter beschikking stelt en de factuur ter zake van de fitnessbegeleiding zelf betaalt. In ruil voor deelname aan de fitnessvoorziening zien de deelnemende medewerkers vervolgens af van de nodige brutoloonbestanddelen. Eind goed al goed.

Uit: Beloning & Belasting nr. 7 van 7 april 2017