Beloning & Belasting
   

Freelancer in fictieve dienstbetrekking bij payrollorganisatie

Belanghebbende is geboren in 1939 en werkzaam als enquêteur/opinieonderzoeker. In 2013 heeft hij uitsluitend werkzaamheden verricht voor X via tussenkomst van payrollorganisatie Y.

In het onderhavige jaar heeft [Y] een bedrag van € 5.641 aan belanghebbende uitbetaald en hierover is € 45 loonheffing ingehouden. Y heeft de Belastingdienst ook verklaard dat er geen opting-in verklaring is getekend. Er is volgens haar sprake van een regulier dienstverband, dus een arbeidsovereenkomst, loonstroken en loonheffing die door werkgever (Y) is afgedragen.

Belanghebbende heeft over het jaar 2013 in zijn aangifte inkomstenbelasting/pvv een bedrag van € 33.796 aangegeven als loon uit vroegere dienstbetrekking. De van Y ontvangen beloning van € 5.641 zijn vermeld. De Belastingdienst legt een definitieve aanslag inkomstenbelasting/pvv op inclusief het bedrag dat belanghebbende van Y heeft ontvangen (loon uit tegenwoordige dienstbetrekking).

Volgens belanghebbende is de aanslag niet juist vastgesteld omdat hij stelt freelancer te zijn en niet in dienstbetrekking te werken. Ook is er bij de vaststelling ten onrechte geen rekening gehouden met de aftrek van van € 1.817,20 reiskosten en € 1.625 administratiekosten.

De Rechtbank stelt dat voor het bestaan van een dienstbetrekking vereist is dat sprake is van het verrichten van arbeid, het ontvangen van loon en het bestaan van een gezagsverhouding tussen [Y] en belanghebbende. Aan de eerste twee eisen is voldaan. Wil sprake zijn van een gezagsverhouding, dan moet belanghebbende verplicht zijn bij het vervullen van zijn werkzaamheden de opdrachten of aanwijzingen van [Y] te volgen.

Uit de overeenkomst tussen [Y] en belanghebbende blijkt dat belanghebbende zich tegenover [Y] heeft verplicht persoonlijk de werkzaamheden uit te voeren, en voor [Y] telefonisch bereikbaar en beschikbaar te zijn om door [Y] ter beschikking gesteld te kunnen worden aan een opdrachtgever. Dat [Y] aan belanghebbende enige opdracht of aanwijzingen zou kunnen of willen geven over de te verrichten werkzaamheden of dat zij enige controle daarop zou kunnen of willen uitoefenen, blijkt niet uit het contract. De enige bepaling die iets bevat over de werkwijze van belanghebbende bepaalt niet meer dan dat belanghebbende zijn werkzaamheden naar beste kunnen en weten moet uitoefenen en de opdrachten zorgvuldig en met grote ijver moet uitvoeren. Dat is onvoldoende om het bestaan van een gezagsverhouding aan te nemen. Volgens de Rechtbank volgt dan ook niet uit het contract dat sprake is van een gezagsverhouding tussen [Y] en belanghebbende.

Ook zijn er verder geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit het bestaan van een gezagsverhouding valt af te leiden. Dat belanghebbende wordt betaald conform de CAO voor medewerkers van Payroll ondernemingen is geen bewijs voor het bestaan van een gezagsverhouding. De Rechtbank oordeelt dan ook dat geen sprake is van een dienstbetrekking tussen [Y] en belanghebbende.

De Rechtbank merkt voorts op dat het contract tussen belanghebbende en [Y] inhoudt dat [Y] belanghebbende ter beschikking stelt aan een opdrachtgever, kennelijk steeds [X]. Artikel 4 van de Wet op de loonbelasting 1964 biedt de mogelijkheid om arbeidsverhoudingen die maatschappelijk gelijk worden gesteld met dienstbetrekkingen, als dienstbetrekking aan te merken. In artikel 2a van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wordt bepaald dat als dienstbetrekking wordt aangemerkt de arbeidsverhouding van degene die door tussenkomst van degene tot wie de arbeidsverhouding bestaat, persoonlijk arbeid verricht ten behoeve van een derde. Deze bepaling geldt voor uitzendkrachten. De situatie van belanghebbende komt daarmee zozeer overeen dat deze op belanghebbende van toepassing is. Er is dus toch sprake van een (weliswaar fictieve) dienstbetrekking. Belanghebbende heeft dan ook geen mogelijkheid de opgevoerde kosten in aftrek te brengen. Het gelijk is aan de Belastingdienst.

Opmerking B&B

Het idee van payrollorganisaties is nu juist dat personen die via een dergelijke organisatie werkzaam zijn, in dienst treden bij de payrollorganisatie. Deze zorgt er ook voor dat op de ontvangen beloningen de nodige loonheffingen worden ingehouden en afgedragen. De bedrijven die als opdrachtgever fungeren (in deze zaak: X) hebben dan in principe de zekerheid dat er geen inhoudingsverplichting bij hen ontstaat met alle naheffingsrisico’s van dien. De stelling van belanghebbende dat hij freelancer zou zijn en zijn beloning als winst of resultaat uit overige werkzaamheden zou moeten kwalificeren, is dan ook gedoemd te mislukken.

Bron:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 december 2016, nr. AWB – 15/4574, ECLI:NL:RBZWB:2016:8436

Uit: Beloning & Belasting nr. 3 van 10 februari 2017