Beloning & Belasting
   

Beloning en belasting: toch voorzichtige mogelijkheden om eerder te stoppen met werken?

In Beloning & Belasting nummer 11 van 2019 schreef ik al over de aankondiging van een aanpassing in de wetgeving, waardoor het mogelijk zou worden gemaakt om toch eerder te stoppen met werken, zonder dat direct de RVU-heffing van 52% van toepassing is. Het concrete wetsvoorstel is nu op 3 september 2020 ingediend bij de Tweede Kamer met als titel “Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen”. In dit artikel volgt een beschrijving van dit wetsvoorstel, waarin diverse maatregelen worden aangekondigd die het toch mogelijk maken om op de een of andere manier eerder te stoppen met werken.

In het pensioenakkoord zijn al afspraken gemaakt om meer maatwerk mogelijk te maken voor werkgevers en werknemers. De afspraken zien op het volgende:

  • Werknemers moeten meer keuzevrijheid krijgen bij de aanwending van hun pensioen;
  • Werknemers moeten meer keuzevrijheid krijgen om toch eerder te stoppen met werken; en
  • Er moeten ruimte mogelijkheden komen om te sparen voor langere periodes van verlof.

In het nieuwe wetsvoorstel zijn deze opties uitgewerkt.

Bedrag ineens

Bij het opbouwen van pensioen gelden er in de huidige wet- en regelgeving vrij stikte regels. Kenmerk van opbouwen van pensioen is dat de aanspraak nu vrijgesteld is en de uitkering te zijner tijd vrijgesteld. Dat betekent dat de premie die de werknemer nu betaalt aftrekbaar is van zijn brutoloon, en dat een eventuele werkgeversbijdrage onbelast is. De hoofdregel is, heel kort, dat de werknemer in beginsel niet aan zijn gespaarde pensioen mag komen. Gebeurt dit toch, dan is de gehele pensioenaanspraak direct belast en moet de werknemer een revisierente van 20% betalen over zijn pensioenkapitaal.3

Er zijn op basis van het huidige wettelijke systeem beperkte uitruilmogelijkheden, maar die mogelijkheden blijven beperkt tot uitruil binnen pensioenmogelijkheden. Dat betekent dat de werknemer alleen mag uitruilen tussen verschillende vormen van pensioen, de pensioendatum mag vervroegen of uitstellen, en gebruik kan maken van het zogenoemde hoog-laagpensioen. Deze laatste optie betekent dat de werknemer variatie mag aanbrengen tussen de hoogte van de pensioenuitkeringen.

Het blijkt in de praktijk dat werknemers steeds vaker deze keuzemogelijkheden benutten, en dat men behoefte heeft aan ruimere keuzemogelijkheden. Ook is uit onderzoek naar voren gekomen dat Nederland minder mogelijkheden biedt dan andere landen op het gebied van de keuzemogelijkheden. Het voorstel biedt de mogelijkheid om bij het ingaan van het ouderdomspensioen een percentage van maximaal 10% op te nemen, zonder dat daardoor de gehele pensioenregeling bovenmatig wordt geacht te zijn. Deze optie staat alleen open voor ouderdomspensioen, en niet voor nabestaandenpensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen, of andere vormen van pensioen.

Het recht om 10% af te kopen wordt als wettelijk recht in de regelgeving opgenomen. Dit betekent dat elke werknemer die pensioen opbouwt deze mogelijkheid heeft, en niet afhankelijk is van een pensioenregeling, cao of de mogelijkheden die zijn werkgever biedt. De werknemer mag vervolgens zelf bepalen wat hij met het geldbedrag doet, in de wet wordt geen bestedingsdoel opgenomen.

De wet neemt wel een paar voorwaarden op:

  • Het maximumopname bedrag is 10% van de pensioenaanspraken.
  • De datum van de afkoop is op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen en kan niet eerder of later plaatsvinden. Op deze hoofdregel geldt één uitzondering, dat is de situatie dat de werknemer deeltijdpensioen opneemt.
  • Er mag geen stapeling plaatsvinden met het hoog-laagpensioen. Dit betekent dat de werknemer dus niet én gebruik mag maken van variatie in zijn pensioenuitkering én de 10% afkoopmogelijkheid.
  • Er wordt een grens gesteld op de afkoop van 10%: de waarde van de resterende pensioenaanspraak moet liggen boven de afkoopgrens van kleine pensioenen.
  • De eventuele partner moet toestemming geven.

Indien de werknemer met deeltijdpensioen gaat, mag hij telkens op het moment dat een deel van zijn pensioen ingaat, van dat deel 10% afkopen, gerelateerd aan het gedeelte dat op dat moment ingaat.

Tijdelijke versoepeling RVU-heffing

Een deel van het praktijkprobleem voor het eerder stoppen met werken van de oudere werknemer wordt (gedeeltelijk en tijdelijk) opgelost. Doel is met name de werknemer die overvallen is door de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd, en die niet de mogelijkheid heeft te werken tot die nieuwe datum, een mogelijkheid te bieden toch eerder te stoppen met werken, zonder dat dit een RVU-heffing van 52% bij de werkgever met zich brengt. Dit onderdeel is onder druk van partijen opgenomen, om werknemers met zware beroepen de gelegenheid te geven eerder te stoppen met werken. Juist die groep werknemers heeft in de praktijk problemen met de werktijd vol te maken tot hun AOW-gerechtigde leeftijd, en problemen de financiering tot die datum te regelen. Bijzonder aan dit voorstel is wel dat het uitgangspunt is dat de werkgever de financiering van de overbrugging voor zijn rekening neemt, en wordt vrijgehouden van de eventuele 52% RVU-heffing.

De uitwerking van het voorstel heb ik reeds in het eerder genoemde artikel beschreven. Praktisch gezien komt het erop neer dat werknemers die maximaal drie jaar voor hun AOW-gerechtigde leeftijd een regeling aangeboden krijgen door hun werkgever, niet geraakt worden door de RVU-heffing. De regeling ziet er als volgt uit:

Het is een vrijstelling die enkel geldt voor de jaren 2021 tot en met 2025, daarna komt de vrijstelling weer te vervallen.
De werkgever mag een ontslagvergoeding betalen tot een maximaal vrijgesteld bedrag, over het meerdere is wel RVU-heffing verschuldigd.
De vrijstelling geldt voor zover de uitkeringen plaatsvinden in de 36 maanden vóór de AOW-leeftijd.
De drempelvrijstelling is € 1.767 per maand.

Vanzelfsprekend is deze vrijstelling niet nodig als de werknemer wordt ontslagen wegens reorganisatie of disfunctioneren, of een andere reden die niet leidt tot een RVU.

Voorbeeld 1

  • De werknemer treedt uit drie jaar vóór zijn AOW-gerechtigde leeftijd.
  • De werkgever betaalt een bruto uitkering van € 75.000.
  • De werkgever krijgt een vrijstelling van 36 maanden x € 1.767 = € 63.612.
  • Over het meerdere van € 11.388 moet de werkgever nog 52% eindheffing betalen, een bedrag van € 5.921.

Voorbeeld 2

  • Een werknemer treeft uit twee jaar vóór zijn AOW-gerechtigde leeftijd.
  • De werkgever betaalt een bruto uitkering van € 75.000.
  • De werkgever krijgt een vrijstelling van 24 maanden x € 1.767 = € 42.408.
  • Over het meerdere van € 32.592 moet de werkgever nog 52% eindheffing betalen, een bedrag van € 16.947.

Voorbeeld 3

  • Een werknemer treedt uit drie jaar vóór zijn AOW-gerechtigde leeftijd.
  • De werkgever betaalt een bruto uitkering van € 40.000.
  • De werkgever krijgt een vrijstelling van 36 maanden x € 1.767 = € 63.612.
  • Deze werkgever hoeft geen eindheffing te betalen.
  • Belangrijk is dat de toekenning van de uitkering moet plaatsvinden uiterlijk 31 december 2025. Het is dan niet van belang dat de werkelijke uitkering later ingaat, partijen mogen dan toch nog gebruik maken van de vrijstelling.

In de Memorie van Toelichting staat nog één addertje onder het gras: als de werknemer gebruikmaakt van deze optie, is het de vraag of hij nog in aanmerking komt voor een WW-uitkering. Immers, zo wordt in de memorie gesteld, de werknemer die deze overeenkomst met zijn werkgever ondertekent, gaat vrijwillig akkoord met een uitdiensttreding. Om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering moet je tegen je wil in ontslagen worden (althans niet vrijwillig werkloos worden), als een van de voorwaarden. De vraag is of deze stelligheid uit de memorie van toelichting wel klopt.

Uitbreiding vrijstelling verlof

De laatste uitbreiding uit het voorstel is de uitbreiding van de vrijstelling op fiscaal gefaciliteerd verlof.

Nu staat in de wet dat een werknemer maximaal 50 weken vrijgesteld verlof mag sparen (fulltime werkende werknemer, voor een parttimer naar rato). Heeft een werknemer op 31 december van een kalenderjaar meer verlofdagen op zijn saldo staan, dan is het meerdere belast.

Hoe werkt dit uit? Het recht op verlof is in feite het recht op een dag niet werken, terwijl toch je salaris wordt uitbetaald. In de praktijk wordt de loonheffing over je salaris ingehouden en afgedragen op de dag dat dit ook wordt uitbetaald, en wel de dag dat je je vrije dag opneemt. Op basis van de huidige wet is echter de waarde van een vrije dag belast op de dag dat je hem toegekend krijgt. Dit zou betekenen dat op het moment van toekennen de werkgever de loonheffingen moet berekenen, inhouden, en afdragen, terwijl de werknemer het bijbehorende salaris nog niet ontvangen heeft. Dit is de reden dat de vrijstelling van 50 weken is opgenomen in de loonbelastingwetgeving. Deze 50 weken lijkt veel, maar er zijn werknemers die deze grens overschrijden, en dus al in de belaste sfeer terecht komen voordat ze de dag daadwerkelijk opnemen.

Doel van het kabinet is juist dat werknemers zelf sparen om eerder te kunnen stoppen met werken. Deze wetgeving maakt dit niet altijd mogelijk, in verband met de grens van 50 weken. Daarom is opgenomen dat de grens van maximaal 50 weken wordt verhoogd naar 100 weken. In veel cao’s zijn al ruime spaarmogelijkheden opgenomen of mogelijkheden om extra dagen bij te kopen. Onder verlof wordt ook verstaan overuren, compensatieverlof, en andere verlofaanspraken.

Tot slot

Een samenvatting van het nieuwe voorstel is dat al met al drie voorstellen zijn gedaan die de werknemer meer flexibiliteit moeten bieden om de periode voorafgaande aan zijn pensioen meer naar eigen wens in te delen. Nadeel van de optie van het sparen van verlof en de RVU-vrijstelling is, dat hij daarbij wel de medewerking van zijn werkgever nodig heeft. We zullen de behandeling in de Tweede en Eerste Kamer nog moeten afwachten, doel is dat het voorstel per 1 januari 2021 in werking treedt. De mogelijkheid tot afkoop van het pensioendeel zal op 1 januari 2022 in werking treden.

Auteur: Miriam Michiels, EY People Advisory Services, kantoor Eindhoven
UIt: Beloning & Belasting nummer 10 van oktober 2020