Hoge Raad gaat 80a en 81 RO-arresten niet onderbouwen

De Hoge Raad heeft in een arrest laten weten dat hij bij toepassing van artikel 80a Wet RO geen standaardoverwegingen zal toevoegen aan het arrest, zoals Advocaat-Generaal (A-G) Niessen bepleitte in zijn conclusie van 28 maart 2017 (zie FutD 2017-0775 met ons commentaar).

X ging in bezwaar, beroep en hoger beroep tegen een aanslag IB 2008. De Hoge Raad wees zijn klachten in een arrest van 18 april 2014 af met toepassing van artikel 81 Wet RO (zie Fida 20171806). X verzocht vervolgens om herziening van dat arrest, maar de Hoge Raad verklaarde dit herzieningsverzoek op 8 juli 2016 niet-ontvankelijk onder verwijzing naar artikel 80a, lid 1, Wet RO. X diende een tweede herzieningsverzoek in, maar de Hoge Raad heeft dit niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek van X rechtvaardigde volgens de Hoge Raad geen behandeling in cassatie omdat het geen feiten of omstandigheden behelsde als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, Awb.

Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening ging de Hoge Raad uitgebreid in op de conclusie van 28 maart 2017 waarin A-G Niessen de Hoge Raad in overweging had gegeven om in gevallen waarin werd besloten tot toepassing van artikel 80a, lid 1, Wet RO, niet te volstaan met een verwijzing naar de in deze bepaling genoemde gronden. De A-G adviseerde om standaardoverwegingen toe te voegen die de grond voor de afwijzing van de klachten aanwijzen zonder deze klachten specifiek te behandelen. De Hoge Raad gaf aan dat hij deze suggestie niet wilde volgen. Artikel 80a Wet RO was ingevoerd bij de Wet versterking cassatierechtspraak om de Hoge Raad in staat te stellen zich te concentreren op zijn kerntaken. De wetgever heeft geconstateerd dat een adequate uitvoering van die taken onder druk stond, onder meer doordat een toenemend aantal kansloze of voor cassatie ongeschikte zaken bij de Hoge Raad werd aangebracht. Met het oog hierop had de wetgever een nieuwe afdoeningsmodaliteit geïntroduceerd, waarbij cassatieberoepen die zich daartoe lenen vereenvoudigd en versneld kunnen worden afgedaan. Het toevoegen van nadere standaardoverwegingen, zoals door de A-G bepleit, vermindert volgens de Hoge Raad het effect dat met artikel 80a, lid 4, Wet RO is beoogd voor de werklast van de Hoge Raad. De toevoeging van nadere standaardoverwegingen zal volgens de Hoge Raad ook geen bijdrage leveren aan de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad merkte tot slot op dat hij om vergelijkbare redenen ook geen standaardoverwegingen toevoegt aan de algemene formulering waarmee daarvoor in aanmerking komende zaken op de voet van artikel 81 Wet RO worden afgedaan. De mogelijkheid om zaken op die manier af te doen, bood bij de invoering in 1988 juist de mogelijkheid een einde te maken aan de toen bij de Hoge Raad bestaande praktijk van – doorgaans weinig zeggende – standaardoverwegingen waarmee dergelijke zaken indertijd werden afgedaan.

Hoge Raad 11-8-2017, nr. 16/03548 (Fida 20175256)

Ons commentaar
In een bijzondere conclusie onderzocht A-G Niessen (zie FutD 2017-0775 met ons commentaar) niet alleen de gegrondheid van een ingediend herzieningsverzoek, maar gaf hij ook een uitgebreide rapportage over de achtergrond, totstandkoming en de fiscaalrechtelijke toepassing van artikel 80a Wet RO. Hij gaf bovendien een oplossing voor in de literatuur en praktijk gesignaleerde onduidelijkheden ten aanzien van de toepassing van artikel 80a Wet RO. Inhoudelijk stelde de procedure die aanleiding gaf tot deze conclusie niets voor, maar de A-G greep hem aan om zijn ongenoegen te uiten over de werkwijze van de Hoge Raad bij artikel 80a RO. Deze conclusie was een mooie aansluiting op onze ergernissen over toepassing van de artikelen 81 en 80a Wet RO (zie FutD 2015-1060 met ons commentaar en de column “Hoge Raad stuurt belastingbetaler steeds vaker het bos in” van 22 januari 2014 op www.futd.nl). Maar de Hoge Raad wil er niet aan, ook de door A-G Niessen bepleite standaardoverweging bij artikel 80a-arresten komt er niet. De Hoge Raad laat bovendien weten dat we ook niets hoeven te verwachten bij de artikel 81 RO-arresten. Er komt daarbij geen hele korte uitleg, een piepkleine overweging waarom de zaak op deze manier is afgehandeld. Dat de Hoge Raad de suggestie van de AG laat liggen, is jammer en frustrerend, want een 81 RO-arrest zegt niets. Het zegt alleen dat de aangedragen cassatiemiddelen ongegrond zijn verklaard. Zonder kennis van die middelen heeft het arrest geen betekenis. Dat pleit ervoor om bij de publicatie van de 81 RO-arresten in elk geval ook de beroepschriften in cassatie te voegen. Het siert de Hoge Raad overigens wel dat hij eindelijk eens inhoudelijk een onderbouwing geeft waarom hij zijn artikel 81 RO-arresten niet onderbouwt. Hiermee probeert de Hoge Raad waarschijnlijk ook verdere klachten over 81 RO-afdoening te voorkomen. Wellicht helpt het, maar op dit moment is de wond nog te vers. Wij verwijzen naar de column “Advocaten-Generaal onmisbare kanaries in fiscale mijn” vanaf 14 augustus 2017 op internet.