FutD - archief
Print

Artikelnummer: FutD 2022-0223

Omzet in aangiften BTW bepalend voor TVL-subsidie

De RVO wees de aanvraag van BV X voor een TVL-subsidie af, omdat er geen sprake was van een omzetverlies van ten minste 30% in de subsidieperiode in 2020 ten opzichte van de referentieperiode in 2019. De RVO baseerde zich daarvoor op de aangiften BTW van BV X over het tweede en derde kwartaal van 2020. BV X ging in beroep en stelde dat de BTW-aangiften een vertekend beeld gaven van haar werkelijke omzet in 2020. De aangifte over het derde kwartaal van 2020 was hoger dan de werkelijke omzet, omdat daarin een doorbelasting zat van kosten uit 2019 voor een zusteronderneming. Dit was voor BV X geen omzet. BV X vond dat zij de gelegenheid moest krijgen om haar omzet los van haar aangiften BTW aan te tonen. Het CBB stelde BV X in het ongelijk. De regelgever had er voor de bepaling van het omzetverlies bewust voor gekozen om uit te gaan van de berekeningswijze zoals neergelegd in artikel 3, lid 2, TVL. Zowel vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid als voor beperking van de administratieve lasten was het namelijk wenselijk dat de groep ondernemingen die per kalenderkwartaal aangifte BTW deed, zijn omzet aantoonde met zijn aangiften. De TVL bood geen grondslag om af te wijken van deze berekeningswijze. De uitzonderingsmogelijkheid in artikel 3, lid 9, TVL, gold anders dan BV X meende, voor ondernemingen die geen aangiften BTW deden. Dat deze manier van berekening van het omzetverlies in het geval van BV X tot gevolg had dat zij niet in aanmerking kwam voor subsidie, was volgens het CBB niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Er was geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval waarin het besluit onevenredig nadelig uitpakte.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 11-01-2022, nr. 21/605 (Fida 20220148)

Verwijzingen:
Fida 20220148 (College van Beroep voor het bedrijfsleven 11-01-2022, nr. 21/605)
ECLI:NL:CBB:2022:5