FutD - archief
Print

Artikelnummer: FutD 2021-3680

PKV voor rechtsbijstand tegen betaalverzuimboete ondanks Corona-uitstel

Mevrouw X maakte bezwaar tegen een betaalverzuimboete van € 301 die was opgelegd omdat zij een naheffingsaanslag BTW over het vierde kwartaal van 2020 niet had betaald, terwijl haar uitstel van betaling was verleend op grond van het Coronabesluit van 22 april 2020 (zie FutD 2020-1253). Zij verzocht daarbij om een proceskostenvergoeding (PKV). De inspecteur verminderde de boete tot nihil en trok het betaalverzuim in. Vervolgens verklaarde de inspecteur het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk en wees het verzoek om een PKV af. Mevrouw X ging in beroep. Rechtbank Noord-Holland was het met mevrouw X eens dat de inspecteur het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk had verklaard. Mevrouw X had in haar bezwaarschrift verzocht om een PKV. De inspecteur had echter geen PKV verleend, maar alleen de boete verminderd naar nihil. Alleen al hierom faalde het standpunt van de inspecteur dat het bezwaar vanwege het (komen te) ontbreken van een belang terecht niet-ontvankelijk was verklaard. De Rechtbank wees hierbij op een arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014 (zie FutD 2014-0838 met ons commentaar). De Rechtbank verwierp vervolgens de stelling van de inspecteur dat het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand en het maken van kosten hiervoor niet redelijk was. Mevrouw X had het recht om bezwaar te maken tegen een aan haar opgelegde boete om zekerheid te verkrijgen dat de boete ook daadwerkelijk zou worden vernietigd. Hoewel mevrouw X vanwege een eerder gevoerde procedure waarschijnlijk op de hoogte was geweest van het Coronabesluit waarin de staatssecretaris had toegezegd dat een betaalverzuimboete ambtshalve zou worden vernietigd in gevallen waarin Corona-uitstel was verleend, had zij in redelijkheid kunnen beslissen rechtsbijstand in te schakelen. Een belastingplichtige kwam volgens de Rechtbank een grote mate van vrijheid toe bij de beoordeling of hij zich wilde laten bijstaan door een professioneel gemachtigde. Bovendien was mevrouw X de Nederlandse taal niet machtig, waardoor het in ieder geval niet onredelijk was om voor het schrijven van een weliswaar eenvoudig bezwaarschrift de bijstand van een professioneel gemachtigde in te roepen. Ook ging het in dit geval, anders dan in de uitspraak van Hof Amsterdam van 18 januari 2018 (zie FutD 2018-0302) waarop de inspecteur zich beriep, niet om een zeer gering bedrag. De Rechtbank verklaarde het beroep van mevrouw X gegrond en kende haar een PKV toe voor bezwaar en beroep van in totaal € 880,50.

Rechtbank Noord-Holland 25-10-2021, nr. HAA 20/4967 (Fida 20216511)

Verwijzingen:
Fida 20216511 (Rechtbank Noord-Holland 25-10-2021, nr. HAA 20/4967)
ECLI:NL:RBNHO:2021:10634