FutD - archief
Print

Artikelnummer: FutD 2021-1760

Geen TOZO-uitkering voor inwoner van Duitsland met onderneming in NL

De in Duitsland wonende X had in Nederland een eenmanszaak op het gebied van kledingreparatie, het aanbieden van naailessen en het leveren van maatwerk. Hij vroeg bij de gemeente Heerlen een TOZO-uitkering aan maar de gemeente weigerde dit omdat X niet in Nederland woonde en hij inkomensondersteuning in Duitsland moest aanvragen. X ging in beroep tegen de afwijzing en stelde dat EU-Verordening 883/2004 van toepassing was en hij daarom recht had op TOZO alsof hij in Nederland woonde. Rechtbank Limburg stelde X in het ongelijk. Aan de eerste voorwaarde om een prestatie als een "socialezekerheidsuitkering" in de zin van artikel 3, lid 1, EU-Verordening 883/2004 te beschouwen werd voldaan als de prestatie op grond van een wettelijk omschreven situatie werd toegekend zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften van de begunstigden. Daarvan was volgens de Rechtbank sprake wanneer een uitkering werd toegekend aan de hand van objectieve criteria die, wanneer daaraan was voldaan, recht gaven op de uitkering zonder dat de bevoegde autoriteit met andere persoonlijke omstandigheden rekening mocht houden. De uitkering levensonderhoud op grond van de TOZO voldeed hieraan, maar dat betekende volgens de Rechtbank nog niet automatisch dat deze uitkering een sociale zekerheidsuitkering in de zin van artikel 3, lid 1, Verordening 883/2004 was. Daarvoor moest ook zijn voldaan aan de tweede voorwaarde, namelijk dat de prestatie verband hield met een van de in artikel 3, lid 1, Verordening 883/2004 genoemde eventualiteiten. Aan die voorwaarde was echter niet voldaan. Dat de coronacrisis aanleiding was om enkele regels uit de PW en het Bbz 2004 te versoepelen en dat het doel van de TOZO in die zin was verbonden met het opvangen van de gevolgen van de coronacrisis, maakte niet dat daardoor een band was ontstaan met een van de in artikel 3, lid 1, Verordening 883/2004 genoemde eventualiteiten en dat in vergelijking met de PW het sociale bijstandskarakter was komen te vervallen. De TOZO was nog steeds alleen bedoeld om te voorzien in een bestaansminimum voor zelfstandigen. Deze prestatie viel niet binnen de werkingssfeer van de Verordening 883/2004 wanneer een van beide voorwaarden niet was vervuld. De uitkering levensonderhoud op grond van de TOZO was geen prestatie in de zin van artikel 3 Verordening 883/2004 en viel daarom niet binnen de materiŽle werkingssfeer van deze coŲrdinatieverordening. De TOZO-uitkering kon dus ook niet met een beroep op deze Verordening worden geŽxporteerd.

Rechtbank Limburg 28-05-2021, nr. ROE 20/1910 (Fida 20212766)

Verwijzingen:
Fida 20212766 (Rechtbank Limburg 28-05-2021, nr. ROE 20/1910)
ECLI:NL:RBLIM:2021:4337