FutD - archief
Print

Artikelnummer: FutD 2021-0854

Peildatum tegemoetkoming kinderopvang in coronacrisis weinig flexibel

Als een van de maatregelen tegen het coronavirus was de reguliere kinderopvang gesloten van 16 maart tot en met 7 juni 2020, maar het kabinet had ouders opgeroepen de eigen bijdrage voor de kinderopvang te blijven betalen en zij kregen dan een tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO (TKO). Voor de hoogte daarvan waren de gegevens bepalend die bij de Belastingdienst/Toeslagen bekend waren op de peildatum 6 april 2020. Mevrouw X ontving een tegemoetkoming van € 288. Zij ging in beroep en stelde dat de bij de Belastingdienst/Toeslagen bekende uren bij de gastouder bewust lager werden gehouden om terugvordering van te veel ontvangen toeslag te voorkomen. In de praktijk werden gemiddeld per maand meer kinderopvanguren afgenomen en daardoor was de eigen bijdrage ook hoger. Hierdoor was de vergoeding voor de eigen bijdrage volgens mevrouw X te laag. Rechtbank Overijssel besliste dat uit de nota van toelichting bij de TKO bleek dat was onderkend dat feitelijke gegevens konden afwijken van gegevens die bij de Belastingdienst/Toeslagen bekend waren, maar dat de wetgever bewust had afgezien van een voorschotregeling op basis van op 6 april 2020 bekende gegevens en een latere definitieve vaststelling op basis van mogelijk afwijkende gegevens. In artikel 8 TKO was ruimte gegeven voor vaststelling van een latere peildatum, al dan niet voor nader aan te duiden groepen van ouders die in bijzondere omstandigheden verkeerden en voor wie spoedig bij het uitvoering van de regeling buitengewoon nadelige gevolgen zouden blijken. Mevrouw X voldeed echter niet aan de betreffende voorwaarden, omdat bij haar geen sprake was van een eerste toekenning van kinderopvangtoeslag ná 6 april 2020. De Rechtbank begreep dat het bijzonder spijtig was dat de voorzichtigheid van mevrouw X om niet op voorhand te veel kinderopvanguren op te geven ertoe had geleid dat de tegemoetkoming op een aanmerkelijk lager bedrag was vastgesteld dan de verschuldigde eigen bijdrage. De rechter had echter niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen werd toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. De Rechtbank verklaarde het beroep van mevrouw X ongegrond.

Rechtbank Overijssel 12-3-2021, nr. 20/2190 (Fida 20211382)

Verwijzingen:
Fida 20211382 (Rechtbank Overijssel 12-03-2021 202190)
ECLI:NL:RBOVE:2021:1070