FutD - archief
Print

Artikelnummer: FutD 2021-0315

A-G Wattel: van BV geheven bronbelasting verrekenbaar bij DJ in privé?

De in Nederland wonende DJ X trad op over de hele wereld. Hij was directeur en enig aandeelhouder (DGA) van BV E, waarvan de inkomsten bestonden uit managementvergoedingen, royalty's en andere vergoedingen, zoals voor sponsoractiviteiten. X verrichtte zijn werkzaamheden buiten de VS vanuit BV F, een dochtervennootschap van BV E. BV F ontving de gages van de optredens, betaalde de zakelijke kosten en betaalde een managementvergoeding aan BV E. X ging in beroep tegen de aan hem opgelegde aanslag IB 2015 en stelde dat de buitenlandse bronbelasting voor € 529.765 moest worden verrekend. De van BV F geheven bronbelasting moest volgens X worden verrekend met zijn IB, voor zover dat bij BV F en BV E vanwege onvoldoende verschuldigde belasting niet mogelijk was. Rechtbank Gelderland (zie FutD 2019-1781) was het daar niet mee eens. Het ging om verschillende (fiscale) personen en belasting die bij de ene persoon was ingehouden en die niet kon worden verrekend bij een andere persoon. X ging in hoger beroep, maar ook Hof Arnhem-Leeuwarden (zie FutD 2020-1795) besliste dat X de door verdragslanden ten laste van BV F geheven belasting niet mocht verrekenen met de door X verschuldigde IB. X ging in cassatie en stelde dat het Hof ten onrechte had beslist dat de arresten van de Hoge Raad van 9 februari 2007 (zie FutD 2007-0241) niet van toepassing waren. Advocaat-Generaal (A-G) Wattel heeft een conclusie genomen. Volgens de A-G konden X en BV E niet worden vereenzelvigd, maar waren de arresten van 9 februari 2007 in dit geval inderdaad relevant. Uit die arresten volgde dat (een deel van) het basissalaris dat aan een artiest betaald werd door zijn werkgever, werd aangemerkt als inkomsten uit persoonlijk artistiek optreden en dus werd toegewezen aan de bronstaat. De woonstaat moest voorkoming geven als het (1) naar de bedoeling van de sporter/artiest en zijn werkgever een beloning was voor dat persoonlijke optreden in de bronstaat en (2) de artiest zich tegenover zijn werkgever verplicht had tot dat optreden. Het Hof had volgens de A-G moeten onderzoeken of X zich tegenover BV E verplicht had om in het buitenland buiten de VS op te treden en welk deel van zijn salaris bedoeld was als beloning voor zijn persoonlijke optredens als DJ (inclusief sponsor, reclame- en royalty-activiteiten) in de bronstaten. De A-G adviseerde de Hoge Raad het beroep in cassatie van de DJ gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen voor feitelijk onderzoek. (De A-G merkte in een voetnoot op dat hij van zijn dochters een DJ geen disc jockey mag noemen, want "Dat is nl. zó vorige eeuw", -red.)

Advocaat-Generaal 7-1-2021, nr. 20/01875 (Fida 20210448)

Verwijzingen:
Procesverloop:
 FutD 2019-1781  Rechtbank Gelderland  01-07-2019  AWB 18/4028  ECLI:NL:RBGEL:2019:2890 
 FutD 2020-1795  Hof Arnhem/Leeuwarden  03-06-2020  19/01073  ECLI:NL:GHARL:2020:4220 
 FutD 2021-0315  Conclusie A-G  07-01-2021  20/01875  ECLI:NL:PHR:2021:19 
   Belanghebbende is in cassatie gegaan. De zaak is bekend onder nummer: 20/01875 

Vindplaatsen:
ECLI:NL:PHR:2021:19