FutD - archief
Print

Artikelnummer: FutD 2020-3885

Uitstel zitting wegens coronamaatregelen niet redelijke termijn verlengend

Rechtbank Zeeland-West-Brabant (zie FutD 2020-0348) weigerde gemachtigde A in BPM-procedures in een tussenuitspraak in verband met zijn structureel onnodig grievend taalgebruik en toonzetting in die zaken. De Rechtbank verwees daarbij naar verschillende uitspraken van andere Rechtbanken en Gerechtshoven (zie FutD 2018-0851, FutD 2019-2205 met ons commentaar, FutD 2019-2996 en FutD 2019-2330). De president van deze Rechtbank en die van Rechtbank Gelderland hadden al gesprekken met A gevoerd, maar er kwam geen structurele verbetering. De Rechtbank besliste daarom dat er ernstige bezwaren waren tegen de gemachtigde in de zin van artikel 8:25, lid 1, Awb. De Rechtbank hield daarbij rekening met (het belang van) de vrijheid van meningsuiting, maar voegde daaraan toe dat die vrijheid niet onbeperkt was. Ook hield de Rechtbank rekening met het recht op een eerlijk proces, maar de weigering van deze BPM-gemachtigde was daarmee niet in strijd. De Rechtbank weigerde de gemachtigde en alle BV's waarvan hij aandeelhouder was in alle twaalf zaken. De belanghebbenden in deze procedures werden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen. De Rechtbank heeft nu inhoudelijk beslist in de zaak van belanghebbende X die stelde dat het bij de rentevergoeding toegepaste percentage te laag was. Volgens X bleek uit het arrest Sole-Mizo en Dalmandi (zie Fida 20202662) van het EU-Hof van Justitie dat recht bestond op een rentevergoeding op basis van een rentepercentage dat commerciŽle banken hanteerden voor het lenen van geld. De Rechtbank besliste echter dat X zijn stelling niet had onderbouwd met relevante gegevens, zoals tarieven van commerciŽle banken en een inzichtelijke renteberekening. Vervolgens besliste de Rechtbank met betrekking tot de redelijke termijn ten aanzien van het verzoek van X om een immateriŽle schadevergoeding (IMSV) dat het uitstel van de zitting wegens de maatregelen rondom het coronavirus de redelijke termijn niet verlengde.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-11-2020, nr. 18/6431 (Fida 20207016)

Verwijzingen:
Fida 20207016 (Rechtbank ZWB 26-11-2020 BRE18/6431)

Vindplaatsen:
ECLI:NL:RBZWB:2020:5900