FutD - archief
Print

Artikelnummer: FutD 2020-1483

Verlaging belasting- en invorderingsrente in spoedwet

Na de aankondiging van de verlaging van de belastingrente en invorderingsrente naar 0,01% in de aanvullende fiscale maatregelen in het kader van de coronacrisis op 14 april 2020 (zie FutD 2020-1157) is nu het wetsvoorstel Verzamelspoedwet COVID-19 bij de Tweede Kamer ingediend. In dit wetsvoorstel is onder meer een wijziging van de AWR, de IW en de Awir opgenomen in verband met het tijdelijk verlagen van de belasting- en invorderingsrente. Ook is een tijdelijke voorziening voor deurwaarders opgenomen om exploten op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de brievenbus te doen in plaats van in persoon uit te reiken.

1. Tijdelijke verlaging belastingrente

Het eerste moment waarop de verlaging van de belastingrente uitvoeringstechnisch bij de Belastingdienst kan worden gerealiseerd is 1 juni 2020. De verlaging van de belastingrente voor de IB kan pas vanaf 1 juli 2020 worden gerealiseerd (zie FutD 2020-0821). Aangezien het uitvoeringstechnisch niet mogelijk is te differentiëren tussen het in rekening te brengen percentage en het te vergoeden percentage, wordt voorgesteld het verlaagde percentage van 0,01% niet alleen voor in rekening gebrachte belastingrente te laten gelden, maar ook voor belastingrente die aan belastingplichtigen wordt vergoed. De verlaging kan hierdoor in sommige gevallen ook nadelig voor belastingplichtigen zijn.

In het wetsvoorstel zijn drie versies opgenomen van het artikel dat het percentage van de belastingrente regelt. Het is de bedoeling dat deze drie versies achtereenvolgens in werking treden op drie bij koninklijk besluit te bepalen tijdstippen:

De verlaging is een tijdelijke maatregel. Het is de bedoeling dat de lagere percentages gedurende drie maanden van kracht blijven. Ná deze drie maanden zullen de percentages weer op de oude 4% en 8% worden gesteld. Afhankelijk van de ontwikkelingen rondom de coronacrisis zullen echter noodzakelijke en passende (fiscale) vervolgmaatregelen worden getroffen. Om enige mate van flexibiliteit te bewaren ten aanzien van het moment waarop de rentepercentages worden verhoogd, wordt voorgesteld te bepalen dat de vaststelling van de rentepercentages vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen moment bij algemene maatregel van bestuur plaatsvindt. Vanaf dat moment worden de voor de belastingrente geldende percentages dus niet langer in de AWR opgenomen, maar in een algemene maatregel van bestuur.

2. Tijdelijke verlaging invorderingsrente

Voor de invorderingsrente kan wél worden gedifferentieerd tussen het percentage van de te vergoeden en het percentage van de in rekening te brengen rente. Hierdoor wordt voor het in rekening brengen van invorderingsrente vanaf 1 juni 2020 een percentage van 0,01% gehanteerd, terwijl voor het vergoeden van invorderingsrente het percentage van 4% blijft gelden. Deze werkwijze is al bij beleidsbesluit gerealiseerd (zie FutD 2020-1157) per 23 maart 2020. Ook wat betreft de invorderingsrente is zekerheidshalve gekozen voor een voorstel tot vaststelling van het percentage bij algemene maatregel van bestuur. Ook hier geldt het uitgangspunt dat drie maanden na inwerkingtreding van de verlaging een verhoging van het percentage naar 4% plaatsvindt.

3. Verlaging betalingskorting

Belastingschuldigen die door de verlaagde invorderingsrente worden geconfronteerd met een verlaagde betalingskorting, kunnen hiertegen bezwaar maken. De Belastingdienst komt hieraan tegemoet en keert het verschil uit. Deze regeling geldt tot 1 juni 2020, dus tot het moment waarop de verlaging van de invorderingsrente wettelijk wordt vastgelegd. De verlaging van de invorderingsrente heeft vanaf 1 juni 2020 dus tot gevolg dat belastingschuldigen nagenoeg geen aanspraak meer kunnen maken op een betalingskorting tot het moment dat het percentage voor in rekening te brengen invorderingsrente weer wordt verhoogd.

4. Betekening van exploten

Ook tijdens de coronacrisis moeten deurwaarders exploten kunnen uitreiken. Om daarbij conform de RIVM?richtlijnen social distancing zoveel mogelijk in acht te nemen, worden exploten in de brievenbus gelaten, als uitreiking in persoon niet verantwoord mogelijk is. Dit is een invulling van de "feitelijke onmogelijkheid" om een exploot in persoon uit te reiken in artikel 47 Rv. De deurwaarder vermeldt in zijn exploot dan dat door de RIVM-richtlijnen in verband met COVID-19 en het niet kunnen of mogen uitreiken in persoon, een afschrift van het exploot in de brievenbus is gelaten. De gebruikelijke aanvullende instructie verstrekt de deurwaarder via alternatieve contactvormen als telefoon of mail. In het wetsvoorstel is geregeld dat voor de toepassing van artikel 47, lid 1, Rv van een feitelijke onmogelijkheid steeds sprake is zolang de richtlijnen van het RIVM voorschrijven dat personen afstand houden wegens besmettingsgevaar met COVID-19. Deze bepaling werkt terug tot en met 16 maart 2020. (Zie FutD 2020-1438 voor de recente conclusie waarin Advocaat-Generaal De Bock de Hoge Raad heeft geadviseerd een "corona-betekening" niet rechtsgeldig te verklaren, -red.)

Tweede Kamer 12-5-2020, nr. 35457, nr. 1 (Fida 20203042), nr. 2 (Fida 20203043) en nr. 3 (Fida 20203044)

Verwijzingen:
Fida 20203042 (TK 12-05-2020 35 457, nr. 1)
Fida 20203043 (TK 12-05-2020 35 457, nr. 2)
Fida 20203044 (TK 12-05-2020 35 457, nr. 3)