FutD - archief
Print

Artikelnummer: FutD 2020-1429

Betaalpauze eigenwoningschulden door coronacrisis

De staatssecretaris heeft een op 24 april 2020 aangekondigd besluit (zie FutD 2020-1252) over betaalpauzes voor hypotheekverplichtingen in verband met de coronacrisis gepubliceerd. Het besluit bevat goedkeuringen waardoor een eigenwoningschuld die onder de fiscale aflossingseis valt, een eigenwoningschuld blijft als met de geldverstrekker een betaalpauze voor rente en aflossing wordt overeengekomen vanwege (dreigende) betalingsproblemen als gevolg van de uitbraak van het coronavirus en de daardoor ontstane aflossingsachterstand op een andere manier dan waarin wettelijk is voorzien, wordt ingehaald. De schuld blijft alleen behoren tot de eigenwoningschuld als sprake is van een incidentele aflossingsachterstand en deze uiterlijk op 31 december 2021 is ingelopen. Als de aflossingsachterstand niet op 31 december 2021 is ingelopen, blijft de schuld onder voorwaarden alleen tot de eigenwoningschuld behoren als per 1 januari 2022 contractueel een nieuw ten minste annuÔtair aflosschema wordt overeengekomen met de geldverstrekker voor de resterende looptijd. Het besluit bevat meer in het bijzonder het volgende:

1. Betaalpauzes waarop het besluit van toepassing is

De goedkeuring geldt voor betaalpauzes die aan de volgende drie voorwaarden voldoen:

  1. De belastingplichtige heeft tussen 12 maart en 30 juni 2020 bij zijn geldverstrekker gemeld dat hij (dreigende) betalingsproblemen heeft door de uitbraak van het coronavirus;
  2. De belastingplichtige en de geldverstrekker zijn als gevolg hiervan een betaalpauze overeengekomen, die uiterlijk op 1 juli 2020 ingaat, en die schriftelijk door de geldverstrekker wordt bevestigd; ťn
  3. Deze betaalpauze heeft een looptijd van maximaal 6 maanden.

Als de geldverstrekker een ander dan een aangewezen administratieplichtige is, gelden aanvullend de volgende twee voorwaarden:

  1. De belastingplichtige heeft als gevolg van de uitbraak van het coronavirus een terugval in arbeidsinkomen, als bedoeld in artikel 8.1, lid 1, onderdeel e, Wet IB 2001, van ten minste 20% over een periode van drie aaneengesloten kalendermaanden of verwacht deze redelijkerwijs te hebben, waarbij: (1) de periode van 3 aaneengesloten kalendermaanden moet aanvangen in het tijdvak vanaf 1 maart 2020 tot en met 1 juli 2020; (2) om te bepalen of sprake is van een terugval van ten minste 20% wordt het arbeidsinkomen uit de periode onder 1 vergeleken met: 1/4e deel van het totale arbeidsinkomen over 2019; of het arbeidsinkomen in het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31†maart 2020; en
  2. De belastingplichtige moet aannemelijk kunnen maken dat hij aan alle voorwaarden voldoet, waarbij als voorwaarde geldt dat de belastingplichtige de terugval aannemelijk moet kunnen maken op basis van een reŽle schatting of al beschikbare gegevens.

2. Goedkeuring op andere wijze inhalen aflossingsachterstand

Verder keurt de staatssecretaris onder voorwaarden goed dat in verband met de door de betaalpauze ontstane aflossingsachterstand ook eerder dan per 1 januari 2022 met de geldverstrekker een nieuw aflosschema overeen mag worden gekomen dat alleen betrekking heeft op het deel van de schuld ter grootte van die aflossingsachterstand voor maximaal de resterende looptijd van de oorspronkelijke schuld. Daarbij mag onder voorwaarden de resterende lening worden gesplitst in een deel bestaande uit de resterende hoofdsom zonder rekening te houden met de door de betaalpauze ontstane aflossingsachterstand en een deel ter grootte van de door de betaalpauze ontstane aflossingsachterstand.

3. Fiscale gevolgen betaalpauze voor moment renteaftrek

Een belastingplichtige betaalt gedurende de betaalpauze geen rente en kan daarom deze verschuldigde rente alleen in zijn aangifte IB 2020 in aftrek brengen als: (i) hij deze rente alsnog (na de betaalpauze) in 2020 betaalt, ůf (ii) als deze rente in 2020 is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden. Als in de contractuele vormgeving van de betaalpauze uitdrukkelijk is aangegeven dat (a) door de geldvestrekker geen gebruik wordt gemaakt van de in de oorspronkelijke hypotheekvoorwaarden opgenomen contractuele mogelijkheid om rente te berekenen voor het niet-tijdig betalen van de op de reguliere vervaldate verschuldigde rente, en (b) aan de klant ook geen rentevergoeding voor het tijdens de betaalpauze niet betalen van de reguliere rente in rekening wordt gebracht, is de verschuldigde rente niet rentedragend. Dit betekent dat de verschuldigde rente aftrekbaar is op het moment dat deze feitelijk wordt betaald. Als de geldverstrekker wel rente in rekening brengt, maar vanwege de bijzondere omstandigheden als gevolg van de coronacrisis de in rekening te brengen rentevergoeding in afwijking van de oorspronkelijke hypotheekvoorwaarden op nihil stelt, wordt toch geacht dat rente in rekening is gebracht. In deze situatie zal niet ter discussie worden gesteld of een rentevergoeding van nihil toereikend is. Het besluit is in werking getreden op 9 mei 2020.

Ministerie van FinanciŽn 6-5-2020, nr. 2020-85139 (Fida 20202906)

Verwijzingen:
Fida 20202906 (MvF 06-05-2020 2020-85139)