FutD - archief
Print

Nummer fida20222977
Kenmerk Hoge Raad 20 mei 2022, nr. 21/03587
Titel Hoge Raad: bij massaal bezwaar rechtsbescherming voor rechtsherstel box 3
Samenvatting

X gaf in zijn aangiften IB 2017 en 2018 een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen aan van respectievelijk € 12.426 en € 12.083. Hij ging voor beide jaren in bezwaar tegen de box 3-heffing. De inspecteur merkte de bezwaren, voor zover deze betrekking hadden op de rechtsvraag of de box 3-heffing op regelniveau in strijd was met artikel 1 EP EVRM of het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM, aan als onderdeel van de massaal bezwaarprocedure over box 3 in 2017 en 2018. Voor het overige wees de inspecteur de bezwaren van X af. X ging in beroep en vervolgens in hoger beroep en stelde dat de box 3-heffingen voor hem leidden tot een individuele en buitensporige last, maar Hof Den Haag stelde X in het ongelijk. X ging in cassatie. De Hoge Raad stelde voorop dat bij het Hof de individuele bezwaren in geschil waren. De vraag was of de box 3-heffing voor de jaren 2017 en 2018 wegens schending van artikel 1 EP moest worden verminderd omdat die heffing voor X leidde tot een individuele en buitensporige last. De Hoge Raad was het met het Hof eens dat dit niet het geval was. De Hoge Raad besliste vervolgens op de stelling van X dat het voor de jaren 2017 en 2018 geldende stelsel voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, in strijd was met artikel 1 EP en artikel 14 EVRM, en dat de rechter ter zake van deze schending rechtsherstel moest bieden. In zoverre ging het om de rechtsvraag die onderwerp was van de massaalbezwaarprocedure, over welke rechtsvraag het Hof in overeenstemming met de beslissing van de Hoge Raad van 2 juli 2021 niet had beslist. De Hoge Raad verwees naar zijn Kerstarrest van 24 december 2021, waarin de rechtsvraag die onderwerp was van de massaalbezwaarprocedure zo was beantwoord dat het forfaitaire stelsel van box 3 voor een belastingplichtige die werd geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger was dan het werkelijk behaalde rendement, leidde tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten. Vervolgens had de staatssecretaris op 4 februari 2022 een collectieve uitspraak gedaan op alle als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften over de box 3-heffing voor de jaren 2017 tot en met 2020 en die bezwaren gegrond verklaard. Artikel 25e, lid 4, AWR bepaalde dat de inspecteur dan binnen zes maanden na de kennisgeving van de collectieve uitspraak de aanslagen moest verminderen. Die vermindering vond niet plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking, zodat tegen die vermindering geen beroep bij de belastingrechter openstond (art. 26, lid 1, AWR). Wel kon de belanghebbende volgens de Hoge Raad een verzoek om ambtshalve (verdere) vermindering van de aanslag indienen. Tegen de gehele of gedeeltelijke afwijzing door de inspecteur van dat verzoek stond bezwaar open en vervolgens beroep bij de belastingrechter (art. 9.6, lid 3, Wet IB 2001). Artikel 45aa, letter b, UVR IB 2001 stond aan het verlenen van een dergelijke vermindering niet in de weg. Immers, ten tijde van het arrest van 24 december 2021 stonden de onder de aanwijzing massaal bezwaar vallende aanslagen nog niet onherroepelijk vast omdat de massaalbezwaarprocedure nog niet was afgerond. Deze mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de hiervoor bedoelde gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om ambtshalve (verdere) vermindering bracht mee dat de rechter kon beoordelen of de in het arrest van 24 december 2021 genoemde noodzaak adequate rechtsbescherming te bieden aanwezig was, en dat de rechter zo nodig zelf de omvang van de op rechtsherstel gerichte compensatie kon vaststellen. Als een bezwaar was gesplitst in een massaalbezwaarvraag en een individueel bezwaar, kon dit ertoe leiden dat de belastingplichtige voor verwante geschilpunten over dezelfde aanslag twee procedures zou moeten doorlopen: de reeds aanhangige procedure over het individuele bezwaar en een nieuwe procedure naar aanleiding van het op de voet van artikel 9.6 Wet IB 2001 ingediende verzoek. Aangezien het daarbij steeds ging over de juistheid van dezelfde aanslag, vond de Hoge Raad dat onevenredig bezwaarlijk. Daarom vond de Hoge Raad het, mede om redenen van proceseconomie, geboden om de in de laatste volzin van overweging 5.4 van de beslissing van 2 juli 2021 gegeven rechtsregel te nuanceren. Die nuancering hield in dat de feitenrechter vanaf de datum waarop de collectieve uitspraak was gedaan bij de behandeling van het (hoger) beroep dat betrekking had op het individuele bezwaar, de gevolgen van die collectieve uitspraak in zijn oordeel kon betrekken, met inbegrip van een krachtens artikel 25e, lid 4, AWR genomen besluit inzake vermindering. Hieruit volgde dat, in overeenstemming met de in de beslissing van 2 juli 2021 gegeven rechtsregel, in deze cassatieprocedure niet kon worden geoordeeld over het aan X te verlenen rechtsherstel. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van X ongegrond.

Tekst

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/03587

Datum 20 mei 2022

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIňN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 14 juli 2021, nrs. BK-20/00685 en BK-20/006861, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 19/3695 en SGR 20/3656) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1 Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2017 en 2018 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd waarbij onder meer belasting is geheven over een voordeel uit sparen en beleggen (hierna ook: box 3).

2.2 Bij de aanslag voor het jaar 2017 is de rendementsgrondslag voor box 3 vastgesteld op € 298.336 (€ 323.336 bank- en spaartegoeden minus het heffingvrije vermogen van € 25.000) en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op € 12.426. De daarover verschuldigde belasting is vastgesteld op € 3.727.

Bij de aanslag voor het jaar 2018 is de rendementsgrondslag voor box 3 vastgesteld op € 317.183 (€ 347.183 bank- en spaartegoeden minus het heffingvrije vermogen van € 30.000) en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op € 12.083. De daarover verschuldigde belasting is vastgesteld op € 3.624.

2.3 De bezwaren van belanghebbende, voor zover deze betrekking hebben op de rechtsvraag of de box 3-heffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (hierna: EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM, maken deel uit van de bezwaren die met toepassing van artikel 25c AWR zijn aangemerkt als massaal bezwaar.2 De zaak van belanghebbende is niet geselecteerd als bedoeld in artikel 25d, lid 1, AWR.

De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de massaalbezwaarprocedure (hierna: de massaalbezwaarvraag) en een deel dat betrekking heeft op de vraag of de box 3-heffing voor belanghebbende een individuele buitensporige last vormt (hierna: het individuele bezwaar) en heeft voor beide jaren het individuele bezwaar ongegrond verklaard.

3 Beoordeling van de klachten

3.1.1 Bij het Hof waren de individuele bezwaren in geschil. De vraag was of de box 3-heffing voor de jaren 2017 en 2018 wegens schending van artikel 1 EP moet worden verminderd omdat die heffingen voor belanghebbende leidden tot een individuele en buitensporige last. Het Hof heeft geoordeeld dat dat niet het geval was.

3.1.2 De tegen dit oordeel van het Hof gerichte klachten falen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd.

3.2.1 De klachten behelzen voorts de stelling dat het voor de jaren 2017 en 2018 geldende stelsel voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in strijd is met artikel 1 EP en artikel 14 EVRM, en dat de rechter ter zake van deze schending rechtsherstel moet bieden. In zoverre hebben de klachten betrekking op de rechtsvraag die onderwerp is van de massaalbezwaarprocedure, over welke rechtsvraag het Hof in overeenstemming met de beslissing van de Hoge Raad van 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:963 (hierna: de beslissing van 2 juli 2021) niet heeft geoordeeld.

3.2.2 De Hoge Raad heeft in het arrest van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (hierna: het arrest van 24 december 2021), de rechtsvraag die onderwerp was van de massaalbezwaarprocedure aldus beantwoord dat het forfaitaire stelsel van box 3 voor een belastingplichtige die wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, leidt tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten. Vervolgens heeft de Staatssecretaris op 4 februari 2022 een collectieve uitspraak gedaan op alle als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften betreffende de box 3-heffing voor de jaren 2017 tot en met 2020 en die bezwaren gegrond verklaard.3 Artikel 25e, lid 4, AWR bepaalt dat de inspecteur dan binnen zes maanden na de kennisgeving van de collectieve uitspraak de aanslagen moet verminderen. Die vermindering geschiedt niet bij voor bezwaar vatbare beschikking, zodat tegen die vermindering geen beroep bij de belastingrechter openstaat (artikel 26, lid 1, AWR).

Wel kan de belanghebbende een verzoek om ambtshalve (verdere) vermindering van de aanslag indienen. Tegen de gehele of gedeeltelijke afwijzing door de inspecteur van dat verzoek staat bezwaar open en vervolgens beroep bij de belastingrechter (artikel 9.6, lid 3, Wet IB 2001). Het bepaalde in artikel 45aa, letter b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 staat aan het verlenen van een dergelijke vermindering niet in de weg. Immers, ten tijde van het arrest van 24 december 2021 stonden de onder de aanwijzing massaal bezwaar vallende aanslagen nog niet onherroepelijk vast omdat de massaalbezwaarprocedure nog niet was afgerond.

3.2.3 Deze mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de hiervoor bedoelde gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om ambtshalve (verdere) vermindering brengt mee dat de rechter kan beoordelen of de in overweging 3.6.2 van het arrest van 24 december 2021 genoemde noodzaak adequate rechtsbescherming te bieden aanwezig is, en dat de rechter zo nodig zelf de omvang van de op rechtsherstel gerichte compensatie kan vaststellen.

3.2.4 Indien een bezwaar is gesplitst in een massaalbezwaarvraag en een individueel bezwaar, kan de in 3.2.2 geschetste gang van zaken ertoe leiden dat de belastingplichtige voor verwante geschilpunten over dezelfde aanslag twee procedures zou moeten doorlopen: de reeds aanhangige procedure over het individuele bezwaar en een nieuwe procedure naar aanleiding van het op de voet van artikel 9.6 Wet IB 2001 ingediende verzoek. Aangezien het daarbij steeds gaat over de juistheid van dezelfde aanslag, acht de Hoge Raad dat onevenredig bezwaarlijk. Daarom acht de Hoge Raad het, mede om redenen van proceseconomie, geboden om de in de laatste volzin van overweging 5.4 van de beslissing van 2 juli 2021 gegeven rechtsregel te nuanceren. Die nuancering houdt in dat de feitenrechter vanaf de datum waarop de collectieve uitspraak is gedaan bij de behandeling van het (hoger) beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar, de gevolgen van die collectieve uitspraak in zijn oordeel kan betrekken, met inbegrip van een krachtens artikel 25e, lid 4, AWR genomen besluit inzake vermindering.

3.2.5 Uit het hiervoor overwogene volgt dat, in overeenstemming met de in de beslissing van 2 juli 2021 gegeven rechtsregel, in deze cassatieprocedure niet kan worden geoordeeld over het aan belanghebbende te verlenen rechtsherstel. Ook in zoverre falen de klachten.

3.3 Het beroep in cassatie moet ongegrond worden verklaard.

4 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2022 .

Voetnoten

1 ECLI:NL:GHDHA:2021:1367.

2 Zie (voor 2017) het besluit van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 7 juli 2018, nr. 2018-12775, Stcrt. 2018, 39781 en (voor 2018) het besluit van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 18 april 2019, nr. 2019-8322, Stcrt. 2019, 23335.

3 Besluit van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 4 februari 2022, nr. 2022-35664, Stcrt. 2022, 4198.

Datum 20220520