FutD - archief
Print

Nummer fida20222976
Kenmerk Hoge Raad 20 mei 2022, nr. 21/04407
Titel Geen rechtsherstel 2017 en 2018 voor te laat bezwaar box 3
Samenvatting

Aan X waren aanslagen IB opgelegd voor de jaren 2015 tot en met 2018, waarin onder meer het voordeel uit sparen en beleggen was belast. X had na afloop van de bezwaartermijn tegen die aanslagen bezwaar gemaakt. De inspecteur verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk en merkte de bezwaarschriften aan als verzoeken tot ambtshalve vermindering en wees die verzoeken af. X ging in beroep. Hof Den Haag besliste dat de box 3-heffing voor alle jaren op stelselniveau in strijd was met het EVRM, maar liet rechtsherstel over aan de wetgever. Verder besliste het Hof dat X door de box 3-heffing in deze jaren niet was geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. X ging in cassatie en stelde dat er gevolgen moesten worden verbonden aan de constatering van het Hof dat de box 3-heffing voor alle jaren op stelselniveau in strijd was met het EVRM, wat de jaren 2015 en 2016 betrof met artikel 1 EP bij het EVRM, en wat de jaren 2017 en 2018 betrof met artikel 14 EVRM. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van X ongegrond. Volgens de Hoge Raad was het de vraag of het in het Kerstarrest van 24 december 2021 bedoelde rechtsherstel ook moest worden geboden aan degene die niet-tijdig bezwaar had gemaakt, maar wiens bezwaren waren aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van een aanslag IB waarbij box 3-belasting was geheven. In het Kerstarrest had de Hoge Raad beslist dat het systeem van box 3 zoals dat gold vanaf 2017 voor degene die door dit stelsel werd geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger was dan het werkelijk behaalde rendement, leidde tot een schending van zijn door artikel 1 EP en artikel 14 EVRM gewaarborgde rechten, en dat voor die schending rechtsherstel moest worden geboden aan degene die tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag waarbij dat voordeel uit sparen en beleggen was vastgesteld. Het in het Kerstarrest gegeven oordeel had volgens de Hoge Raad alleen betrekking op de box 3-heffing vanaf 2017. De Hoge Raad handhaafde voor de box 3-heffing over daaraan voorafgaande jaren zijn eerder gevormde rechtspraak. Die kwam erop neer dat voor zover de heffing in box 3 volgens het toenmalige stelsel een inbreuk op artikel 1 EP opleverde, de rechter alleen rechtsherstel kon bieden voor zover aannemelijk was dat de heffing voor de belastingplichtige een individuele en buitensporige last opleverde. Alleen al hierom verwierp de Hoge Raad de stelling van X dat hem met betrekking tot de box 3-heffing over 2015 en 2016 rechtsherstel moest worden geboden in die zin dat de heffing in overeenstemming moest worden gebracht met hetgeen X aanmerkte als zijn in die jaren werkelijk genoten voordeel uit sparen en beleggen. De Hoge Raad wees er met betrekking tot 2017 en 2018 op dat volgens artikel 9.6 Wet IB 2001 ambtshalve vermindering alleen plaatsvond op de voet van dat artikel en in bij ministeriŽle regeling aan te wijzen gevallen. In artikel 45aa, letter b, UVR IB 2001 was bepaald dat geen ambtshalve vermindering werd verleend als de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeide uit jurisprudentie die eerst was gewezen nŠdat die aanslag onherroepelijk was komen vast te staan, tenzij de minister van FinanciŽn anders had bepaald. X had volgens de Hoge Raad zijn standpunt dat de aan hem opgelegde aanslagen IB over 2017 en 2018 onjuist waren, gebaseerd op de stelling dat in box 3 belasting werd geheven over een hoger bedrag dan het werkelijk door hem behaalde rendement. Dat voor die jaren rechtsherstel moest worden geboden aan degene die werd geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger was dan het werkelijk door de belastingplichtige behaalde rendement, volgde uit het Kerstarrest van 24 december 2021. Toen waren de aan X opgelegde aanslagen al onherroepelijk geworden en de mogelijkheid van ambtshalve vermindering ontnam volgens de Hoge Raad aan die aanslagen niet het definitieve karakter. De gestelde onjuistheid van deze aanslagen volgde dus uit nieuwe jurisprudentie als bedoeld in artikel 45aa, letter b, UVR IB 2001. De minister van FinanciŽn had na het Kerstarrest niet bekend gemaakt dat ten aanzien van onherroepelijk geworden aanslagen kon worden afgeweken van de in artikel 45aa, letter b, UVR IB 2001 opgenomen voorwaarde. X was daarom tevergeefs opgekomen tegen de beslissing van het Hof dat hem terecht geen ambtshalve vermindering van de voor 2017 en 2018 opgelegde aanslagen IB was verleend. De Hoge Raad verwierp tot slot de klachten van X dat sprake was van een individuele en buitensporige last.

Tekst

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/04407

Datum 20 mei 2022

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIňN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2021, nrs. BK-20/00719 tot en met BK-20/007221, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 19/7840, SGR 19/7842, SGR 20/957 en SGR 20/958) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2018 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 24 februari 2022 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie voor zover dat de jaren 2015 en 2016 betreft, en tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie voor zover het ziet op de jaren 2017 en 2018.2

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 24 maart 2022 aanvullend geconcludeerd.3

Belanghebbende heeft schriftelijk op de aanvullende conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1 Aan belanghebbende zijn aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd voor de jaren 2015 tot en met 2018, waarin onder meer het voordeel uit sparen en beleggen (hierna: box 3) is belast.

2.2 Belanghebbende heeft tegen die aanslagen bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb gestelde termijn. De Inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, de bezwaarschriften aangemerkt als verzoeken tot ambtshalve vermindering (artikel 9.6 Wet IB 2001) en die verzoeken afgewezen.

2.3 Het Hof heeft geoordeeld dat de box 3-heffing voor alle jaren op stelselniveau in strijd is met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), maar daaraan geen gevolgen verbonden. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende door de box 3-heffing in deze jaren niet is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.

3 Beoordeling van de in het principale beroep aangevoerde klachten

3.1 De klachten komen erop neer dat gevolgen moeten worden verbonden aan de constatering van het Hof dat de box 3-heffing voor alle jaren op stelselniveau in strijd is met het EVRM, wat de jaren 2015 en 2016 betreft met artikel 1 van het Eerste Protocol (hierna: EP) bij het EVRM, en wat de jaren 2017 en 2018 betreft met artikel 14 EVRM.

3.2 In het arrest van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (hierna: het arrest van 24 december 2021) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het systeem van box 3 zoals dat geldt vanaf het jaar 2017 voor degene die door dit stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, leidt tot een schending van zijn door artikel 1 EP en artikel 14 EVRM gewaarborgde rechten, en dat voor die schending rechtsherstel moet worden geboden aan degene die tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag waarbij dat voordeel uit sparen en beleggen is vastgesteld.

3.3 In deze zaak moet de vraag worden beantwoord of het in het arrest van 24 december 2021 bedoelde rechtsherstel ook moet worden geboden aan degene die niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, maar wiens bezwaren zijn aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van een aanslag in de IB/PVV waarbij ter zake van box 3 belasting is geheven.

3.4 Bij het beantwoorden van die vraag stelt de Hoge Raad voorop dat het in het arrest van 24 december 2021 gegeven oordeel alleen betrekking heeft op de heffing in box 3 vanaf het jaar 2017. Ten aanzien van de heffing in box 3 over daaraan voorafgaande jaren, handhaaft de Hoge Raad zijn voordien gevormde rechtspraak. Die komt erop neer dat voor zover de heffing in box 3 volgens het toenmalige stelsel een inbreuk op artikel 1 EP oplevert, de rechter alleen rechtsherstel kan bieden voor zover aannemelijk is dat de heffing voor de belastingplichtige een individuele en buitensporige last oplevert.
Reeds daarom falen de klachten voor zover zij ertoe strekken dat belanghebbende met betrekking tot de box 3-heffing over de jaren 2015 en 2016 rechtsherstel moet worden geboden in die zin dat de heffing in overeenstemming moet worden gebracht met hetgeen belanghebbende aanmerkt als zijn in die jaren werkelijk genoten voordeel uit sparen en beleggen.

3.5.1 Met betrekking tot de jaren 2017 en 2018 overweegt de Hoge Raad als volgt.

3.5.2 Artikel 9.6 Wet IB 2001 bepaalt dat ambtshalve vermindering uitsluitend geschiedt op de voet van dit artikel en in bij MinisteriŽle regeling aan te wijzen gevallen. In artikel 45aa, aanhef en letter b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) is bepaald dat geen ambtshalve vermindering wordt verleend indien de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, tenzij de Minister van FinanciŽn anders heeft bepaald.

3.5.3 Belanghebbende baseert zijn standpunt dat de aan hem opgelegde aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2017 en 2018 onjuist zijn, op de stelling dat in box 3 belasting wordt geheven over een hoger bedrag dan het werkelijk door hem behaalde rendement. Dat voor die jaren rechtsherstel moet worden geboden aan degene die wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk door de belastingplichtige behaalde rendement, volgt uit het arrest van 24 december 2021. Toen waren de aan belanghebbende opgelegde aanslagen reeds onherroepelijk geworden; de mogelijkheid van ambtshalve vermindering ontnam aan die aanslagen niet het definitieve karakter.
De gestelde onjuistheid van deze aanslagen volgt dus uit nieuwe jurisprudentie als bedoeld in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling. De Minister van FinanciŽn heeft na het arrest van 24 december 2021 niet bekend gemaakt dat ten aanzien van onherroepelijk geworden aanslagen kan worden afgewekenvan de in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling opgenomen voorwaarde. Het oordeel van het Hof dat aan belanghebbende terecht geen ambtshalve vermindering van de voor de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen IB/PVV is verleend, wordt dus tevergeefs bestreden.

3.6 De klachten falen ook voor zover zij zich keren tegen het oordeel dat de hiervoor in 2.1 genoemde belastingaanslagen belanghebbende niet hebben geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.4

3.7 De slotsom is dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.

4. Beoordeling van de in het (voorwaardelijk) incidentele beroep in cassatie aangevoerde klachten

Aangezien het principale beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld. Gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb vervalt daarom het incidentele beroep.

5 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2022.

Voetnoten

1 ECLI:NL:GHDHA:2021:1875.

2 ECLI:NL:PHR:2022:180.

3 ECLI:NL:PHR:2022:293.

4 Vgl. HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047.

Datum 20220520