FutD - archief
Print

Nummer fida20222834
Kenmerk Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 mei 2022, nr. BRE 21/12
Titel Door box 3 in 2017 voldaan aan inkomenseis: tóch KBB
Samenvatting

X woonde het hele jaar 2017 in Duitsland. Hij was gescheiden van zijn voormalig echtgenote Y, en leefde sinds 2005 duurzaam gescheiden van zijn huidige echtgenote Z. X ontving in 2017 uit Nederland een pensioenuitkering van € 58.807 van A, waarop € 4.321 loonheffingen was ingehouden, een pensioenuitkering van € 1.329 van B, waarop € 241 loonheffingen was ingehouden, en een AOW-uitkering van € 13.869, waarop € 1.429 loonheffingen was ingehouden. Daarnaast had X spaartegoeden, waaruit hij in 2017 in totaal € 649 rente had ontvangen. X gaf in zijn aangifte IB voor het jaar 2017 aan dat hij aangemerkt kon worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige (KBB). X had daarnaast een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van Duitsland aan de inspecteur verstrekt. De inspecteur merkte X niet aan als KBB en weigerde daarom de aftrek voor onderhoudsverplichtingen. Verder hield hij geen rekening met het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen. X ging in beroep en stelde dat hij voldeed aan de inkomenseis. Volgens X moest het box 3-inkomen voor de toepassing van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 worden gesteld op het werkelijk door hem behaalde rendement (€ 649), waardoor 99,13% van het wereldinkomen in Nederland was onderworpen aan heffing. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verwees naar het Kerstarrest van 24 december 2021 en besliste dat het werkelijk rendement in 2017 lager was dan het in aanmerking te nemen rendement op grond van de vermogensmix zoals die uit de wet volgde (dat zou € 15.345 zijn). De Rechtbank zag gelet op het Kerstarrest in dit geval aanleiding om voor de inkomensdefinitie van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 aan te sluiten bij het werkelijk rendement. Daarbij nam de Rechtbank in aanmerking het werkelijk rendement en de wijze waarop in het kader van artikel 7.8 Wet IB 2001 werd aangesloten bij het forfaitaire stelsel. De Rechtbank bepaalde daarom het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in 2017 voor de toepassing van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 op € 649. Het gelijk was aan X. X kon dan worden aangemerkt als KBB. De inspecteur moest daarom rekening houden met de algemene heffingskorting, het inkomstenbelastingdeel van de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting. Omdat X KBB was, had hij ook recht op aftrek in verband met onderhoudsverplichtingen in de zin van artikel 6.3 Wet IB 2001 ten aanzien van mevrouw Y. Dat gold niet voor de bijdrage in het levensonderhoud van mevrouw Z van wie X duurzaam gescheiden leefde omdat X niet had aangetoond dat er behoeftigheid bestond aan de zijde van mevrouw Z. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 21/12

uitspraak van 4 mei 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ( [land] ),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 27 november 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2017 opgelegde aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.005 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 772 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.76.01).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2022 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.845 waarbij rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting, met het inkomstenbelastingdeel van de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 33,80;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 49 aan hem vergoedt.

2 Gronden

Feiten

2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] en woonde het hele jaar 2017 in Duitsland . Belanghebbende is gescheiden van zijn aldus voormalig echtgenote, [voormalig echtgenote] , en leeft sinds 2005 duurzaam gescheiden van zijn huidige echtgenote, [echtgenote] .

2.2. In 2017 geniet belanghebbende uit Nederland een pensioenuitkering van € 58.807 van [X] , waarop € 4.321 aan loonheffingen is ingehouden, een pensioenuitkering van € 1.329 van [Y] , waarop € 241 aan loonheffingen is ingehouden, en een AOW-uitkering van € 13.869 van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), waarop € 1.429 aan loonheffingen is ingehouden. Daarnaast beschikt belanghebbende over spaartegoeden, waaruit hij in 2017 in totaal € 649 aan (rente)inkomsten heeft ontvangen.

2.3. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB voor het jaar 2017 aangegeven dat hij aangemerkt kan worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Hij heeft zijn aangifte IB voor het jaar 2017 gedaan naar het volgende belastbare inkomen uit werk en woning:

AOW-uitkering SVB € 13.869
Pensioenuitkering [X] € 58.807
Pensioenuitkering [Y] € 1.329
Eigenwoningforfait € 1.215
Aftrek wegens geen of geringe eigen woningschuld € 1.215
Onderhoudsverplichting [voormalig echtgenote] (alimentatie) € 14.160
Onderhoudsverplichting [echtgenote] € 14.394
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 45.451

2.4. Belanghebbende heeft daarnaast een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van Duitsland aan de inspecteur verstrekt.

2.5. De inspecteur heeft de aanslag IB voor het jaar 2017 opgelegd in afwijking van de aangifte. Belanghebbende is niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt, met als gevolg dat de aftrek voor onderhoudsverplichtingen niet in aanmerking is genomen. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.005. Verder is bij de aanslag geen rekening gehouden met het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen. Daarnaast heeft de inspecteur bij gelijktijdige beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 772.

2.6. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB voor het jaar 2017 en de beschikking belastingrente. De inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 27 november 2020 afgewezen.

Geschil

2.7. In geschil is of belanghebbende kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 van de Wet IB 2001. Verder beroept belanghebbende zich op toepassing van het Unierecht en de zogenoemde Schumacker-rechtspraak.1 Daarnaast houdt partijen verdeeld of en zo ja tot welk bedrag, de onderhoudsverplichtingen in aanmerking kunnen worden genomen.

Artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001

2.8. Om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt, moet worden voldaan aan de vereisten van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001:

"Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is een persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie (…) in de belastingheffing van die andere lidstaat (…) wordt betrokken en:

a. van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, of

b. van wie het inkomen tezamen met dat van een belastingplichtige die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn, geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting,

onder de voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt. (...)."

2.9. Partijen houdt in dit kader alleen verdeeld de beantwoording van de vraag of belanghebbende voldoet aan de zogenoemde inkomenseis van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het inkomen uit sparen en beleggen voor de toepassing van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001 moet worden gesteld op het door belanghebbende werkelijk behaalde rendement op de spaartegoeden. Indien het antwoord van de rechtbank op deze vraag bevestigend luidt, dan is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende voldoet aan de inkomenseis en kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001, waardoor de inspecteur gehouden is aan belanghebbende de belastingvoordelen in verband met zijn persoonlijke en gezinssituatie toe te kennen.

2.10. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voldoet aan de inkomenseis. Volgens belanghebbende dient het inkomen uit sparen en beleggen voor de toepassing van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001 te worden gesteld op het werkelijk door hem behaalde rendement (€ 649), met als gevolg dat 99,13% van het wereldinkomen in Nederland is onderworpen aan heffing. Ter onderbouwing voert belanghebbende aan dat het in aanmerking nemen van het rendement op grond van de vermogensmix die uit de wet volgt in zijn geval leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 EP), zodat de rechtbank – overeenkomstig het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 – daarvoor rechtsherstel moet bieden.

De inspecteur heeft betwist dat belanghebbende voldoet aan de inkomenseis. Volgens de inspecteur moet het inkomen uit sparen en beleggen in dit geval nog steeds worden vastgesteld conform het forfaitaire stelsel. De inspecteur stelt zich in de kern op het standpunt dat het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 niet doorwerkt naar artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001. Het standpunt van de inspecteur heeft tot gevolg dat slechts 82,75% van het wereldinkomen van belanghebbende in Nederland aan heffing is onderworpen, zodat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001.

2.11. De rechtbank overweegt als volgt.

2.11.1. Onder het inkomen voor toepassing van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001 wordt – voor zover hier van belang – verstaan het volgens de regels voor binnenlands belastingplichtigen berekende verzamelinkomen, als bedoeld in artikel 2.18 van de Wet IB 2001.2 Het verzamelinkomen bestaat onder meer uit het inkomen uit sparen en beleggen. Voor de bepaling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen geldt, op grond van artikel 2.18 van de Wet IB 2001 in samenhang met de bepalingen in Hoofdstuk 5 van de Wet IB 2001 (wettekst 2017), het forfaitaire stelsel.

2.11.2. De Hoge Raad heeft in het arrest van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 – kort gezegd en voor zover hier relevant – geoordeeld dat voor degenen die door het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelstel worden geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, dit leidt tot een schending van het recht op eigendom. De Hoge Raad heeft in dat arrest rechtsherstel geboden aan de betreffende belastingplichtige door het werkelijke rendement in de heffing te betrekking.

2.11.3. De inspecteur heeft ter zitting ondubbelzinnig verklaard het door belanghebbende gestelde werkelijke rendement van € 649 niet te betwisten. Het werkelijk rendement in 2017 staat dan vast (€ 649) en dat rendement is lager dan het in aanmerking te nemen rendement op grond van de vermogensmix zoals die uit de wet volgt (dat zou € 15.345 zijn). De rechtbank ziet gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 24 december 2021 in dit geval aanleiding om voor de inkomensdefinitie van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001 aan te sluiten bij het werkelijk rendement. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen het werkelijk rendement zoals hiervoor genoemd en de wijze waarop in het kader van artikel 7.8 van de Wet IB 2001 wordt aangesloten bij het forfaitaire stelsel. De rechtbank bepaalt daarom het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in dit jaar voor de toepassing van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001 op € 649. Het gelijk is dus aan belanghebbende.

2.12. Voor dat geval is niet in geschil dat belanghebbende kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De inspecteur dient daarom rekening te houden met de algemene heffingskorting, het inkomstenbelastingdeel van de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting.

Onderhoudsverplichtingen

2.13. Nu belanghebbende kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige (zie 2.12), heeft belanghebbende in beginsel ook recht op aftrek in verband met onderhoudsverplichtingen als bedoeld in artikel 6.3 van de Wet IB 2001. Tussen partijen is voor dat geval niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op aftrek in verband met de onderhoudsverplichtingen ten aanzien van zijn voormalige echtgenote, [voormalig echtgenote] . Partijen houdt verdeeld of belanghebbende ook recht heeft op aftrek van de bijdrage in het levensonderhoud van zijn huidige echtgenote, [echtgenote] , van wie belanghebbende duurzaam gescheiden leeft.

2.14. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de bijdrage in het levensonderhoud van [echtgenote] als onderhoudsverplichting voor aftrek in aanmerking komt. Daartoe voert belanghebbende aan dat hij zich door de behoeftigheid van [echtgenote] gedrongen voelde om een bijdrage te leveren in haar levensonderhoud en dat daarover tussen hem en [echtgenote] ook mondeling en per e-mail afspraken zijn gemaakt. Ter zitting heeft belanghebbende over de omvang van de bijdrage aan [echtgenote] verklaard dat hij zijn ex-echtgenote en duurzaam gescheiden levende echtgenote gelijk heeft willen behandelen en daarom voor de omvang van de bijdrage aan [echtgenote] aansluiting heeft gezocht bij de bijdrage aan zijn ex-echtgenote.

2.15. De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat de bijdrage in het levensonderhoud van [echtgenote] als onderhoudsverplichting voor aftrek in aanmerking komt. Volgens de inspecteur kan er geen sprake zijn van een op grond van het familierecht afdwingbare verplichting, omdat belanghebbende niet is gescheiden van [echtgenote] . Subsidiair stelt de inspecteur dat, mocht er wel sprake zijn van een dergelijke verplichting, de noodzaak tot het betalen van een bijdrage in het levensonderhoud niet is komen vast te staan.

2.16. De rechtbank overweegt als volgt.

2.16.1. Ingevolge artikel 6.3, lid 1, letter a, Wet IB 2001 behoren tot de (aftrekbare) onderhoudsverplichtingen de periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.

2.16.2. Tijdens het huwelijk steunt de onderhoudsverplichting tussen echtgenoten op de uit het familierecht voortvloeiende verplichting van artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek op grond waarvan echtgenoten verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen waarbij over en weer rekening moet worden gehouden met ieders inkomen en vermogen.3 Belanghebbende en de echtgenote hebben derhalve over en weer rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichtingen.

2.16.3. Voor het vaststellen van de omvang van de verplichting is van belang om te beoordelen of en in hoeverre er aan de zijde van [echtgenote] behoefte, draagkracht of andere niet-financiële omstandigheden zijn waaruit kan worden afgeleid dat de verstrekkingen als verstrekkingen ter voorziening in het levensonderhoud van de echtgenote moeten worden beschouwd. Belanghebbende heeft – tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat er behoeftigheid bestaat aan de zijde van [echtgenote] . De verstrekkingen aan [echtgenote] kunnen reeds daarom niet als onderhoudsverplichting op grond van artikel 6.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 in aftrek worden gebracht. Het gelijk op dit punt is, zij het op andere gronden dan de inspecteur primair heeft betoogd, dus aan de inspecteur.

2.17. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende in 2017 alleen recht op een aftrek in verband met onderhoudsverplichtingen van € 14.160.

Conclusie, proceskosten en griffierecht

2.18. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de rechtbank de aanslag IB/PVV 2017 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.845, waarbij rekening moet worden gehouden met de algemene heffingskorting, en met het inkomstenbelastingdeel van de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting.

2.19. Het beroep is daarom gegrond verklaard.

2.20. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De inspecteur heeft ter zitting ingestemd met het toekennen van een reiskostenvergoeding van € 33,80. De rechtbank stelt de vergoeding van reiskosten daarom vast op € 33,80. Verder dient de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 49 aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 4 mei 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1 Naar het arrest HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31.

2 Artikel 7.8, zevende lid, van de Wet IB 2001.

3 Vgl. ook Gerechtshof Den Haag van 23 september 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1933.

Datum 20220504