FutD - archief
Print

Nummer fida20222624
Kenmerk Gerechtshof Amsterdam 15 maart 2022, nr. 20/00734 t/m 20/00743
Titel Box 3-heffing zwartspaarders geen individuele en buitensporige last
Samenvatting

Mevrouw X en haar echtgenoot Y ontvingen over 2006 tot en met 2015 navorderingsaanslagen IB met vergrijpboeten van 50% voor 2007 en 2008 en 150% voor 2009 tot en met 2015, omdat zij een bankrekening in Luxemburg niet hadden aangegeven. Het echtpaar ging in beroep, maar Rechtbank Noord-Holland besliste dat de echtelieden geen argumenten hadden aangedragen voor hun standpunt dat zij met de nagevorderde box 3-heffing werden geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Met betrekking tot de aan Y opgelegde boeten volgde de Rechtbank het nadere standpunt van de inspecteur dat die moesten vervallen, omdat niet was gebleken dat Y medegerechtigd was tot de rekening en niet kon worden uitgesloten dat Y niet op de hoogte was van de rekening, zodat opzet niet aannemelijk kon worden gemaakt. Het echtpaar ging in hoger beroep, maar Hof Amsterdam stelde hen in het ongelijk. Zij gingen volgens het Hof uit van een onjuiste rechtsopvatting dat al sprake was van een individuele en buitensporige last als het werkelijke rendement op de rekening lager was dan de daarover verschuldigde belasting in box 3. Aan de beoordeling of zich een "interen" had voorgedaan als bedoeld in het arrest van 2 juli 2021 werd pas toegekomen als de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen als geheel - van de echtelieden gezamenlijk - hoger was dan het werkelijke rendement op de vermogensbestanddelen die in het desbetreffende jaar tot de rendementsgrondslag waren gerekend. Bij het echtpaar moest dan niet alleen de in Luxemburg aangehouden spaarrekening in de vergelijking worden betrokken, maar ook de andere bank- en spaartegoeden, aandelen en onroerende zaken. Het echtpaar had daar geen inzicht in gegeven en daarmee was volgens het Hof niet aannemelijk geworden dat de belastingheffing in box 3 had geleid tot een last die zich in hun geval sterker liet voelen dan in het algemeen.

Tekst

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 20/00734 tot en met 20/00743

15 maart 2022

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

gemachtigde: [partner]

tegen de uitspraak van 30 oktober 2020 in de zaken met kenmerken HAA 20/259 tot en met 20/268 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

Jaar 2006

1.1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 31 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.219 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.372. Daarbij is bij beschikking € 79 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2007

1.1.2. De inspecteur heeft met dagtekening 31 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.697 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.856. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 91 opgelegd. Daarnaast is bij afzonderlijke beschikking € 76 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2008

1.1.3. De inspecteur heeft met dagtekening 31 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning € 19.884 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.447. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 63 opgelegd. Daarnaast is bij afzonderlijke beschikking € 46 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2009

1.1.4. De inspecteur heeft met dagtekening 31 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.423 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.560. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 310 opgelegd. Daarnaast is bij beschikking € 66 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2010

1.1.5. De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.315 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.010. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 381 opgelegd. Daarnaast is bij beschikking € 71 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2011

1.1.6. De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.103 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.021. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 318 opgelegd. Daarnaast is bij beschikking € 54 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2012

1.1.7. De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.632 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.021. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 348 opgelegd. Daarnaast is bij beschikking € 50 aan belastingrente in rekening gebracht.

Jaar 2013

1.1.8. De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.401 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.793. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 393 opgelegd. Daarnaast is bij beschikking € 55 aan belastingrente in rekening gebracht.

Jaar 2014

1.1.9. De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.715 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.727. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 424 opgelegd. Daarnaast is bij beschikking € 41 aan belastingrente in rekening gebracht.

Jaar 2015

1.1.10. De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.909 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.473. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 238 opgelegd. Daarnaast is bij beschikking € 16 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2. Na tegen de onder punt 1.1.1. tot en met 1.1.10. vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij – in ťťn geschrift vervatte – uitspraken op bezwaar van 5 november 2019 deze bezwaren ongegrond verklaard. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen, rentebeschikkingen en vergrijpboeten gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 30 oktober 2020 als volgt beslist op de beroepen van belanghebbende:

"De rechtbank:

  • verklaart de beroepen in de zaken met nummers HAA 20/259 en HAA 20/262 tot en met HAA 20/268 gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover die betrekking hebben op het jaar 2006 en op de voor de jaren 2009 tot en met 2015 opgelegde vergrijpboeten;
  • vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2006 tot een berekend naar een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.219 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.584;
  • vermindert de voor het jaar 2006 gegeven beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig;
  • vermindert de voor de jaren 2009 tot en met 2015 opgelegde vergrijpboeten naar de bedragen die hiervoor in onderdeel 32 zijn vermeld;
  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde (delen van de) uitspraken op bezwaar;
  • draagt [de inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 47 aan [belanghebbende] te vergoeden; en
  • verklaart de beroepen in de zaken met nummers HAA 20/260 en HAA 20/261 ongegrond."

1.4. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 december 2020. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 15 januari 2022 nadere stukken aan het Hof gezonden.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2022. Het hoger beroep van belanghebbende is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van [partner] in de zaken met kenmerken 20/00724 tot en met 20/00733. Al hetgeen in ťťn van deze zaken is overgelegd en verklaard, wordt eveneens geacht te zijn overgelegd en verklaard in de andere gelijktijdig behandelde zaken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld:

"Feiten

1. Belanghebbende] is geboren op [geboortedatum] en is gehuwd met [partner] . Hij is in de onderhavige jaren haar fiscale partner.

2. Op 6 mei 1994 heeft [belanghebbende] een rekening geopend bij de Luxemburgse bank [bank] .

3. [ Belanghebbende] en haar echtgenoot hebben in de periode 2006 tot en met 2015 in hun aangiften voor de IB/PVV geen opgave gedaan van haar rekening bij de [bank] .

4. De Belastingdienst/Central Liaison Office heeft op 30 september 2016 van de Duitse autoriteiten spontaan, en via een beveiligd netwerk, gegevens ontvangen over Nederlandse ingezetenen die een rekening hebben aangehouden bij de [bank] . Uit de informatie blijkt dat [belanghebbende] als rekeninghouder bekend is bij de [bank] . [De inspecteur] heeft naar aanleiding van deze informatie contact gezocht met [belanghebbende]. [Belanghebbende] heeft aan het onderzoek van [de inspecteur] meegewerkt door openheid van zaken te geven.

5. Bij brief van 23 augustus 2018 heeft [de inspecteur] de navorderingsaanslagen aangekondigd aan [belanghebbende]. Deze hebben betrekking op de rekening van [belanghebbende] bij de [bank] . In de navorderingsaanslagen is telkens 50% van de tegoeden op de rekening bij [belanghebbende] begrepen in de rendementsgrondslag sparen en beleggen. [De inspecteur] heeft in de brief tevens de vergrijpboeten aangekondigd.

6. Bij brief van 18 oktober 2018 heeft [belanghebbende] zich akkoord verklaard met overschrijding van de termijn voor de oplegging van de navorderingsaanslagen."

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hier nog het volgende aan toe.

2.2. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is voor de in geschil zijnde jaren (2006 tot en met 2015) uitsluitend aangegeven door belanghebbende. De echtgenoot en fiscaal partner van belanghebbende, [partner] , (hierna: de echtgenoot) was voor de in geschil zijnde jaren niet beschreven voor de IB/PVV en is daarom niet uitgenodigd voor het doen van aangifte. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2006 tot en met 2015 definitieve aanslagen IB/PVV opgelegd conform de door haar ingediende aangiften. Uit de aangifte- en aanslaggegevens van belanghebbende blijkt dat de bij haar in aanmerking genomen (gemiddelde) rendementsgrondslag voor de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen (hierna ook: de belastingheffing in box 3), na aftrek van het gezamenlijke heffingvrij vermogen voor fiscale partners (en, voor zover van toepassing, ouderentoeslag en kindertoeslag) en na bijtelling van 50% van de niet-aangegeven spaartegoeden bij de [bank] , de hieronder aangegeven bedragen beloopt. Aan de in aanmerking genomen rendementsgrondslagen liggen onder meer de hieronder gespecificeerde bedragen ten grondslag aan (voor 50% aan belanghebbende toegerekende) spaartegoeden bij [bank] , overige bank- en spaartegoeden, aandelen en overige onroerende zaken:

rendements- spaartegoeden overige bank- aandelen overige

grondslag [bank] (50%) en spaartegoeden onr. zaken

2006 € 159.318 € 22.659 € 106.684 € 42.149 € 12.000

2007 € 121.431 € 23.566 € 90.215 € 45.720 € 12.000

2008 € 111.195 € 24.416 € 78.074 € 47.418 € 12.000

2009 € 114.013 € 24.988 € 76.361 € 48.038 € 12.000

2010 € 128.403 € 25.269 € 79.935 € 62.461 € 12.000

2011 € 124.925 € 25.546 € 75.913 € 68.326 € 0

2012 € 162.198 € 25.538 € 85.800 € 56.428 € 40.000

2013 € 144.868 € 25.673 € 82.397 € 60.236 € 40.000

2014 € 148.206 € 25.756 € 99.384 € 71.521 € 59.960

2015 € 215.725 € 13.302 € 112.428 € 75.863 € 74.000

2.3. Nadat belanghebbende opening van zaken heeft gegeven over de niet in de aangiften IB/PVV verantwoorde spaartegoeden bij [bank] , hebben belanghebbende en de echtgenoot ervoor gekozen om (uitsluitend) deze spaartegoeden bij ieder van hen voor 50% toe te rekenen aan de grondslag uit sparen en beleggen. Ook bij de echtgenoot zijn derhalve (voor de jaren 2007 tot en met 2015) de onder 2.2 vermelde bedragen aan spaartegoeden bij [bank] tot de grondslag uit sparen en beleggen gerekend.

2.4. Uit de aangifte- en aanslaggegevens van belanghebbende en de echtgenoot blijken de volgende gegevens omtrent de door hen genoten belastbare inkomens uit werk en woning:

belanghebbende de echtgenoot

2006 € 20.219 -

2007 € 18.697 -

2008 € 19.884 -

2009 € 22.423 -

2010 € 23.315 -

2011 € 24.103 -

2012 € 26.632 € 13.944

2013 € 26.401 € 21.226

2014 € 23.715 € 16.800

2015 € 16.909 € 12.330

3 Geschil voor het Hof

In hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen over de jaren 2006 tot en met 2015 alsmede de vergrijpboeten over de jaren 2007 tot en met 2015 terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende voor de onderhavige jaren in strijd komt met het recht op ongestoord genot van eigendom, zoals gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP).

4 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:

"Belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen

8. [ Belanghebbende] betoogt dat het fictieve rendement van 4% in de vermogensrendements-heffing (box 3) disproportioneel afwijkt van de feiten. In werkelijkheid heeft [belanghebbende] verlies geleden op de spaartegoeden. Wanneer ze de rente afzet tegen de kerninflatie, de in Luxemburg ingehouden bronheffingen en de box 3-belasting, is het rendement negatief. De navorderingsaanslagen leiden daarom tot oneigenlijke ontneming, waardoor ze in strijd zijn met de Europese verdragen en de redelijkheid en billijkheid. Dat geldt des te meer nu de rente- en inflatiestanden het rechtstreekse gevolg zijn van het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank (ECB). De bewindslieden van FinanciŽn moeten hiervan op de hoogte geweest zijn. Dat is onzorgvuldig en vraagt om een verklaring, aldus [belanghebbende].

9. [ De inspecteur] stelt voorop dat hij voor het jaar 2006 een onjuist heffingvrij vermogen in aanmerking heeft genomen (€ 19.698 voor [belanghebbende] en haar echtgenoot gezamenlijk in plaats van € 39.396). Het voordeel uit sparen en beleggen moet daarom volgens [de inspecteur] bij [belanghebbende] voor dat jaar op € 5.584 worden gesteld. [De inspecteur] stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen voor het overige juist zijn vastgesteld. Volgens [de inspecteur] komt de heffing over het fictieve inkomen uit de spaartegoeden niet in strijd met het eigendomsgrondrecht en het discriminatieverbod. Ook betwist [de inspecteur] dat sprake is van een individuele en buitensporige last, omdat [belanghebbende] voldoende inkomen en vermogen heeft om de nagevorderde belasting te voldoen.

10. De rechtbank vat de klacht van [belanghebbende] op als een beroep op het recht op het ongestoord genot van haar eigendom, zoals gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 1 EP). Daarnaast onderscheidt de rechtbank een beroep op de redelijkheid en de billijkheid en een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel.

11. Het beroep op de redelijkheid en de billijkheid kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen schrijft de rechter namelijk voor dat hij volgens de wet recht moet spreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. De rechtbank mag daarom niet toetsen of de regeling van box 3 redelijk en billijk is.

12. Op grond van artikel 94 van de Grondwet moet de rechter, indien een partij zich daarop beroept, wel toetsen of het stelsel van box 3 verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen, zoals artikel 1 EP. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0664, van 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812 en van 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129 reeds geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van box 3 in de jaren 2004, 2010 en 2011 weliswaar enigszins ruw was, maar geen inbreuk maakte op artikel 1 EP. Het stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last.

13. Uit het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 blijkt dat bij de beoordeling van de vraag of het rendement van 4% voor particuliere beleggers nog haalbaar is, moet worden uitgegaan van een nominaal rendement. De hoogte van de (kern)inflatie doet dus naar het oordeel van de Hoge Raad niet ter zake voor de beantwoording van de vraag of het stelsel van box 3 in strijd is met artikel 1 EP.

14. Desalniettemin is de Hoge Raad in zijn arrest van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 tot het oordeel gekomen dat dat het destijds door de wetgever veronderstelde rendement van 4% nominaal gemiddeld niet meer haalbaar was in elk van de jaren vanaf respectievelijk 2009 op Nederlandse staatsobligaties, 2001 op spaarrekeningen en 2010 op (termijn)deposito's. Voor de onderbouwing daarvan verwijst de Hoge Raad onder andere naar onderdeel 7.9 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van Advocaat-Generaal Ettema van 31 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1443. De Hoge Raad heeft in zijn arrest niet de vraag beantwoord of belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. (Het Gerechtshof Den Haag is in zijn uitspraak van 18 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3425 tot het oordeel gekomen dat dit in het jaar 2015 wel het geval was.) De beantwoording van deze vraag doet echter niet ter zake voor de uitkomst van dit geschil, omdat de rechter ten opzichte van de wetgever terughoudendheid past bij het voorzien in een rechtstekort op stelselniveau. Voor ingrijpen van de rechter is daarom naar het oordeel van de Hoge Raad in beginsel geen plaats, tenzij een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.

15. Het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 had betrekking op de jaren 2013 en 2014. In het arrest van de Hoge Raad van ECLI:NL:HR:2019:1108 is dezelfde benadering toegepast voor het jaar 2015.

16. De Hoge Raad heeft in zijn arresten geen overwegingen gewijd aan de rol van de ECB in het verloop van de rente- en inflatiestanden. De rechtbank ziet evenwel geen reden om aan te nemen dat dat tot een andere uitkomst had geleid. Het feit dat een centrale bank via het monetaire beleid een belangrijke invloed uitoefent op de rente en inflatie, verandert immers niets aan de traditionele plaats van de rechterlijke macht in ons staatsbestel, die naar het oordeel van de Hoge Raad noopt tot terughoudendheid ten opzichte van de wetgevende macht.

17. Het voorgaande brengt mee dat het beroep van [belanghebbende] op artikel 1 EP voor de jaren 2010, 2011, 2013, 2014 en 2015 faalt op grond van hetgeen reeds is geoordeeld door de Hoge Raad. De rechtbank ziet niet in waarom de rechter minder terughoudend zou moeten zijn voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2012, zodat ook voor die jaren geen plaats is voor ingrijpen door de rechter.

18. [ Belanghebbende] heeft zich ter zitting beroepen op de aanwezigheid van een individuele en buitensporige last. Aangezien [de inspecteur] betwist dat sprake is van een inbreuk op artikel 1 EP, rust op [belanghebbende] de last aannemelijk te maken dat de heffing leidt tot een last die zich in haar geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vgl. de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 18 september 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3371, r.o. 5.2.3). Bij de beoordeling of sprake is van zo'n individuele en buitensporige last, moet de rechter acht slaan op de gehele financiŽle situatie van de betrokkene. Daarbij is het inkomen uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang een belangrijk aanknopingspunt (zie het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, r.o. 2.4.4). Aangezien [belanghebbende] geen argumenten heeft aangedragen voor haar standpunt dat zij wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat zich in het geval van [belanghebbende] een zodanige last heeft voorgedaan. Het enkele feit dat het rendement op haar spaartegoed na inflatiecorrectie lager is dan de ter zake van dat spaartegoed verschuldigde belastingen is daarvoor onvoldoende, aangezien dit een last is die zich bepaald niet beperkte tot haar geval. Uit de door [de inspecteur] overgelegde aangiften van [belanghebbende] blijkt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat de heffing in box 3 leidt tot een last die zich in haar geval sterker laat voelen dan in het algemeen.

19. Met betrekking tot het beroep van [belanghebbende] op het zorgvuldigheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. [Belanghebbende] verwijt [de inspecteur] dat hij ondanks de lage vermogensrendementen als gevolg van het monetaire beleid van de ECB, toch belasting is blijven heffen naar een forfaitair rendement van 4%. Naar het oordeel van de rechtbank levert dat geen inbreuk op het zorgvuldigheidsbeginsel op. Een zorgvuldige taakvervulling door de inspecteur houdt namelijk onder meer in dat hij bij de oplegging van belastingaanslagen de wet toepast. Daaronder valt ook het forfaitaire rendement van artikel 5.2, eerste lid, van de Wet IB 2001. De bevoegdheid tot afwijking van de wet wegens onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen, berust uitsluitend bij de Minister van FinanciŽn (artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)), en dus niet bij [de inspecteur].

Heffings- en belastingrente

20. [ Belanghebbende] verzet zich tegen de in rekening gebrachte heffings- en belastingrente, omdat [de inspecteur] hierbij niet in overeenstemming met artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden heeft gehandeld. [De inspecteur] is actief op de kapitaalmarkt en bankiert bij de Centrale Bank; de overheid is de aandeelhouder van de systeembank [bank 1] . Daarom moet [de inspecteur] zich volgens [belanghebbende] aan de Algemene Bankvoorwaarden houden.

21. [ De inspecteur] stelt zich op het standpunt dat hij niet is gebonden aan de Algemene Bankvoorwaarden, omdat hij geen bancaire instelling is. De in rekening gebrachte bedragen aan heffings- en belastingrente zijn volgens hem in overeenstemming met de wet.

22. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of [de inspecteur] optreedt als een bank. De Algemene Bankvoorwaarden zijn namelijk slechts van toepassing indien dat tussen twee partijen wordt overeengekomen. Gesteld noch gebleken is dat tussen [belanghebbende] en [de inspecteur] een contractuele relatie bestaat waarop de Algemene Bankvoorwaarden van toepassing zijn. [Belanghebbende] kan zich daarom niet met succes op die voorwaarden beroepen. Voor zover [belanghebbende] zich beroept op de eisen van de zorgvuldigheid, die mede ten grondslag liggen aan artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden, slaagt dat beroep niet. Het enige gebrek aan zorgvuldigheid dat [belanghebbende] [de inspecteur] voor de voeten werpt, betreft het feit dat hij ondanks de lage vermogensrendementen als gevolg van het monetaire beleid van de ECB, toch belasting is blijven heffen naar een forfaitair rendement van 4%. Dat levert, zoals hiervoor is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank geen inbreuk op het zorgvuldigheidsbeginsel op.

23. Wel zal de rechtbank de heffingsrente voor het jaar 2006 verminderen, aangezien het belastingbedrag waarover die rente wordt berekend ook moet worden verminderd, zoals [de inspecteur] heeft erkend.

Vergrijpboeten

24. [ Belanghebbende] bestrijdt ook de opgelegde vergrijpboeten. Zij moest haar aangifte naar waarheid invullen. Ze betoogt dat [de inspecteur] vervolgens de vergrijpboeten heeft gestoeld op feitelijke onwaarheden in plaats van op het feitelijke spaarvoordeel. Dat komt neer op ongeoorloofde repressie en incriminatie.

25. Met betrekking tot de vergrijpboeten stelt [de inspecteur] zich op het standpunt dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet, omdat [belanghebbende] in 1994 specifiek heeft gekozen voor een rekening in Luxemburg, dat destijds een vrijwel absoluut bankgeheim kende, en zij vervolgens deze rekening – in tegenstelling tot haar Nederlandse rekeningen – niet heeft vermeld in haar aangiften. De hoogte van de boete (50% voor 2007 en 2008 en 150% voor 2009 tot en met 2015) is volgens [de inspecteur] passend en geboden. Hij wijst in dit verband op de regeling van artikel 67e van de AWR en de beleidsmatige uitwerking daarvan in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Deze regeling is gewijzigd voor aangiften die zijn gedaan na 2 juli 2009, waarbij het maximale boetepercentage is verhoogd tot 300% voor zover de boete betrekking heeft op belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Bij de bepaling van de vergrijpboete heeft [de inspecteur] rekening gehouden met de volgende strafverzwarende omstandigheden:

  • [Belanghebbende] heeft over meerdere jaren bewust de keuze gemaakt om een onjuiste aangifte te doen (stelselmatig gedrag).
  • Het moest [belanghebbende] duidelijk zijn dat het buitenlandse tegoed moest worden aangegeven.
  • [Belanghebbende] had zich hiervan bewust moeten zijn.
  • [Belanghebbende] heeft niet gebruikgemaakt van de inkeerregeling.
  • [Belanghebbende] heeft gebruikgemaakt van een rekening in een jurisdictie dat een bankgeheim kende.
  • Er is in de media veel aandacht geweest voor het optreden van de Belastingdienst op het gebied van buitenlands vermogen en de inkeerregeling.

Als strafverminderende omstandigheid heeft [de inspecteur] rekening ermee gehouden dat [belanghebbende] medewerking heeft verleend door openheid van zaken te geven. De klachten van [belanghebbende] over de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen doen volgens [de inspecteur] niet af aan het feit dat sprake is van een boetewaardig vergrijp.

26. De rechtbank verwerpt de stelling van [belanghebbende] dat de boeten zijn gebaseerd op onwaarheden. De grondslag voor de boeten wordt in een geval als het onderhavige op grond van artikel 67e, tweede lid, van de AWR in beginsel gevormd door het bedrag van de navorderingsaanslag. De aan [belanghebbende] opgelegde navorderingsaanslagen hebben uitsluitend betrekking op haar Luxemburgse bankrekening. De feitelijke grondslag voor deze navorderingsaanslagen wordt gevormd door het saldo van de bankrekening op de peildata voor box 3 en de bedragen aan in Luxemburg ingehouden bronheffing. Deze feiten zijn tussen partijen niet in geschil, zodat niet kan worden geoordeeld dat de boeten in zoverre zijn gebaseerd op onwaarheden. Dat [belanghebbende] liever had gezien dat de belasting was berekend naar andere feiten, te weten het werkelijke rendement op haar spaartegoed, maakt dat niet anders, omdat het niet aan [belanghebbende] is om te bepalen hoe de fiscale regels luiden.

27. Voor zover [belanghebbende] bedoelt te betogen dat het niet aan haar (voorwaardelijk) opzet is te wijten dat de (primitieve) aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld, omdat zij haar aangifte naar waarheid moest invullen en zij dus geen op onwaarheden berustend inkomen behoefde aan te geven, faalt haar betoog eveneens. Het is op zichzelf juist dat artikel 8, eerste lid, aanhef en letter a, van de AWR haar verplichtte de gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen. Tot die gegevens behoorde echter niet het werkelijke rendement op haar spaartegoeden, maar wel de hoogte van die spaartegoeden. Tussen partijen is niet in geschil dat [belanghebbende] het saldo op de Luxemburgse bankrekening in haar aangiften over de onderhavige jaren heeft verzwegen. In dat opzicht valt [belanghebbende] naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk een verwijt van onwaarachtigheid te maken.

28. De hoogte van de boeten is, gelet op hetgeen [de inspecteur] daaromtrent heeft aangevoerd, naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden.

29. Ambtshalve besteedt de rechtbank ten slotte nog aandacht aan de redelijke termijn voor boeteoplegging. De rechtbank zal daarbij uitgaan van de richtlijnen opgenomen in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4468 en de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298.

30. De redelijke termijn voor boeteoplegging vangt aan op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. In dit geval is dat naar het oordeel van de rechtbank gebeurd met de brief van 23 augustus 2018, waarin de boeten worden aangekondigd aan [belanghebbende]. Vanaf het moment van de aankondiging tot het moment waarop de rechtbank uitspraak doet in deze zaken zijn (afgerond) 27 maanden verstreken.

31. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Aangezien de rechtbank niet is gebleken van zodanige omstandigheden, is de redelijke termijn in dit geval overschreden. Dit behoort te leiden tot vermindering van de boeten, afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Bij een overschrijding van 0 tot 6 maanden (zoals in dit geschil aan de orde is) stelt het Gerechtshof Amsterdam deze vermindering op 5%, met een maximum van € 2.500. Een boete wordt echter niet verminderd indien deze minder bedraagt dan € 200. In dat geval wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

32. Voor de boeten die aan [belanghebbende] zijn opgelegd betekent dit dat de rechtbank de boeten als volgt zal verminderen:

Jaar Boete Vermindering Resterende boete

2007 € 91 € 0 € 91

2008 € 63 € 0 € 63

2009 € 310 € 16 € 294

2010 € 381 € 20 € 361

2011 € 318 € 16 € 302

2012 € 348 € 18 € 330

2013 € 393 € 20 € 373

2014 € 424 € 22 € 402

2015 € 238 € 12 € 226

Slotsom

33. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen in de zaken met nummers HAA 20/259 en HAA 20/262 tot en met HAA 20/268 gegrond te worden verklaard en de beroepen in de zaken met nummers HAA 20/260 en HAA 20/261 ongegrond."

5
5. Beoordeling van het geschil

Vooraf: navorderingsaanslag IB/PVV 2006

5.1.1. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep van belanghebbende inzake het jaar 2006 niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij, nadat belanghebbende hoger beroep had ingesteld, bij beschikking met dagtekening 12 december 2020 de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 en de in rekening gebrachte heffingsrente heeft verminderd tot nihil (overeenkomstig de beslissing van de rechtbank), zodat voor dat jaar geen geschil meer bestaat tussen partijen.

5.1.2. Het Hof verwerpt dit standpunt van de inspecteur. Nog daargelaten de omstandigheid dat de inspecteur deze verminderingsbeschikking heeft genomen nadat belanghebbende hoger beroep had ingesteld, heeft op dit punt het volgende te gelden. Een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt (cursivering Hof), hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht (zie Hoge Raad 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844, r.o. 2.3.2). In het onderhavige geval is niet aan dat criterium voldaan, zodat het hoger beroep met betrekking tot het jaar 2006 ontvankelijk moet worden geacht, de door belanghebbende aangevoerde gronden moeten worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is.

5.1.3. Wel heeft de inspecteur terecht aangevoerd dat de beslissing van de rechtbank inhoudt dat de navorderingsaanslag en de rentebeschikking worden verminderd tot nihil. De door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde grieven hebben uitsluitend betrekking op de navorderingsaanslag en de in rekening gebrachte heffingsrente, zodat het hoger beroep haar in zoverre niet in een betere positie kan brengen (deze vaststelling is overigens niet afhankelijk van de vraag of de inspecteur inmiddels een verminderingsbeschikking heeft genomen overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank). Het hoger beroep van belanghebbende treft reeds hierom geen doel en de uitspraak van de rechtbank inzake het jaar 2006 dient reeds om die reden te worden bevestigd.

Standpunten partijen

5.2.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de rechtbank in haar uitspraak een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van de vraag of de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen voor de in geschil zijnde jaren strijdig is met artikel 1 EP. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld (in rechtsoverweging 14 van haar uitspraak) dat bij de toetsing of het door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers nog haalbaar is, moet worden uitgegaan van het nominale rendement. De rechtbank heeft daarmee onvoldoende de allesbepalende invloed meegewogen van het rente- en inflatiebeleid van de Europese Centrale Bank (hierna: ECB) op de reŽle opbrengsten uit vermogen. Het Ministerie van FinanciŽn heeft in de jaren waarin de rente daalde, jarenlang systematisch zijn zorgplicht verzuimd om het fictieve rendementspercentage in box 3 aan te passen. Dit resulteert volgens belanghebbende in een fictieve, buitensporige belastingheffing in box 3.

5.2.2. Bij de beoordeling van de vraag of de belastingheffing in box 3 voor haar resulteert in een individuele en buitensporige last, dient volgens belanghebbende uitsluitend de op de Luxemburgse banktegoeden ontvangen rente te worden vergeleken met de daarover in box 3 verschuldigde belasting en dient geen rekening te worden gehouden met haar overige inkomens- en vermogensbestanddelen. Voor een juiste wijze van toetsing dient de genoten rente volgens belanghebbende eerst te worden verminderd met het zogenoemde kerninflatiebedrag; bovendien dient volgens haar rekening te worden gehouden met de door Luxemburg ingehouden bronbelasting. Belanghebbende stelt reeds in haar bezwaarschrift (in bijlage 1) te hebben onderbouwd dat bij de door haar verdedigde wijze van toetsen het rendement op de banktegoeden in alle in geschil zijnde jaren zwaar negatief is. Belanghebbende is om die reden van mening dat de belastingheffing in box 3 voor haar in alle in geschil zijnde jaren heeft geresulteerd in een individuele en buitensporige last, zodat er in haar geval geen feitelijke grondslag bestaat voor belastingheffing over haar inkomen uit sparen en beleggen. De uitspraak van de rechtbank kan ook om die reden niet in stand blijven, zo stelt belanghebbende.

5.3.1. Volgens de inspecteur heeft de rechtbank een juiste uitspraak gegeven. De argumenten waarop belanghebbende haar standpunt baseert dat de belastingheffing in box 3 in de onderhavige jaren op stelselniveau strijdig is met artikel 1 EP, berusten op een onjuiste rechtsopvatting. De door Luxemburg ingehouden bronbelasting is verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting in box 3, zodat reeds daardoor het argument van belanghebbende dat deze bronbelasting bijdraagt aan een buitensporige belastingheffing, niet opgaat.

5.3.2. Ook met inachtneming van de toets van het inmiddels gewezen arrest HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047, vormt de belastingheffing in box 3 volgens de inspecteur in geen van de in geschil zijnde jaren een individuele en buitensporige last voor belanghebbende, ook niet – zo zich dit al heeft voorgedaan – indien de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen in sommige jaren hoger is geweest dan het werkelijke rendement. Dit laatste vanwege de totale inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende en de echtgenoot; de inspecteur heeft in dit verband gewezen op het in de desbetreffende jaren genoten inkomen uit werk en woning en op de omstandigheid dat belanghebbende en de echtgenoot niet alleen eigenaar zijn van de eigen woning aan de [adres 1] , maar ook van een woning aan de [adres 2] te [woonplaats] (hierna: de tweede woning). De op de voet van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde in het economische verkeer van deze woning (hierna: de WOZ-waarde) bedroeg voor het kalenderjaar 2006 € 246.500 en voor het kalenderjaar 2015 € 325.000.

5.3.3. Indien het Hof van oordeel zou zijn dat de belastingheffing in box 3 voor belanghebbende in een of meer jaren wel een individuele en buitensporige last vormt, heeft de inspecteur zich subsidiair beroepen op interne compensatie. Belanghebbende heeft namelijk in haar aangiften IB/PVV de tweede woning (als 'overige onroerende zaken') stelselmatig voor een aanzienlijk te lage waarde in box 3 aangegeven; in 2010 bijvoorbeeld voor een waarde in het economische verkeer van € 12.000 en in 2015 voor € 74.000. Aldus de inspecteur, die concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel Hof

5.4.1. Het Hof onderschrijft de beslissing van de rechtbank en het maakt de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden (in rechtsoverweging 10 tot en met 32 van haar uitspraak) tot de zijne. Evenals de rechtbank acht het Hof de hoogte van de voor de jaren 2007 tot en met 2015 opgelegde vergrijpboeten (vůůr de ambtshalve vermindering in verband met overschrijding van de redelijke termijn), gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, passend en geboden. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, voegt het Hof daaraan het volgende toe.

5.4.2. De rechtbank heeft ter zake van de vraag of de heffing in box 3 op stelselniveau strijdig is met artikel 1 EP, het juiste toetsingskader gehanteerd. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 14 van haar uitspraak terecht heeft overwogen, blijkt uit het arrest HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 (r.o. 2.6.1 en 2.6.2) dat bij de beoordeling van de vraag of het voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers nog haalbaar is, een nominaal rendement tot uitgangspunt moet worden genomen, en niet een nominaal rendement verminderd met de kerninflatie. In rechtsoverweging 2.6.2 van het voormelde arrest heeft de Hoge Raad meegewogen dat in het systeem van de Wet IB 2001 niet direct rekening wordt gehouden met de invloed van inflatie. Het Hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de belastingheffing in box 3 voor de in geschil zijnde jaren op stelselniveau niet strijdig is met artikel 1 EP respectievelijk niet noopt tot rechterlijk ingrijpen. Het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 brengt hierin geen wijziging, aangezien dit arrest betrekking heeft op de met ingang van 1 januari 2017 gewijzigde wettelijke regeling inzake de vermogensrendementsheffing.

5.4.3 Aan het (juiste) toetsingskader dat de rechtbank heeft geformuleerd bij de vraag of de belastingheffing in box 3 in de in geschil zijnde jaren voor belanghebbende heeft geresulteerd in een individuele en buitensporige last, voegt het Hof het na de uitspraak van de rechtbank gewezen arrest Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047 toe (hierna ook: het arrest van 2 juli 2021). In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

"4.3.3. Bij de beoordeling of de belastingplichtige door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, moet de rechter die heffing bezien in samenhang met de gehele financiŽle situatie van de betrokkene.[voetnoot 4: vgl. HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831.] De rechter moet bij zijn onderzoek of de heffing een individuele en buitensporige last vormt, alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel betrekken. In een geval als dit, waarbij de vraag voorligt of de heffing van IB/PVV leidt tot een individuele en buitensporige last indien de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijke rendement, moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Daarom kan de omstandigheid dat de belastingplichtige door de heffing inteert zoals hier bedoeld, een aanwijzing zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een buitensporige last."

5.4.4. Gelet op het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gehanteerde toetsingskader, zoals vermeld in rechtsoverweging 19 van de rechtbankuitspraak en zoals aangevuld in het hiervoor vermelde arrest, gaat belanghebbende uit van een onjuiste rechtsopvatting met haar standpunt dat reeds geconcludeerd moet worden tot een individuele en buitensporige last indien het werkelijke rendement op de door haar bij [bank] aangehouden spaarrekening lager is dan de daarover verschuldigde belasting in box 3. Aan de beoordeling of zich een 'interen' heeft voorgedaan als bedoeld in het arrest van 2 juli 2021, wordt eerst toegekomen indien is komen vast te staan dat de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen als geheel – van belanghebbende en de echtgenoot gezamenlijk – hoger is dan het werkelijke rendement op de vermogensbestanddelen die in het desbetreffende tot de rendementsgrondslag van belanghebbende en de echtgenoot zijn gerekend. Bij belanghebbende en zijn echtgenote moet dan niet alleen de in Luxemburg aangehouden spaarrekening bij [bank] in de vergelijking worden betrokken, maar ook de overige bank- en spaartegoeden, de aandelen en de overige onroerende zaken (zie het onder 2.2 opgenomen overzicht).

5.4.5. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust van haar stelling dat de belastingheffing in box 3 voor haar resulteert in een individuele en buitensporige last, heeft in haar processtukken uitsluitend de jaarlijks genoten rente op de spaartegoeden bij [bank] vermeld. Zij heeft geen inzicht gegeven in het genoten rendement op de overige bank- en spaartegoeden, de door haar en de echtgenoot gehouden aandelen en de tweede woning. De stukken van het geding bieden hiervoor ook overigens geen aanknopingspunten. Daardoor kan niet worden vastgesteld of in een of meer jaren de heffing in box 3 het werkelijke rendement op de door belanghebbende en de echtgenoot gehouden vermogensbestanddelen heeft overtroffen, zodat het Hof niet toekomt aan een beoordeling van de vraag of zich een 'interen' heeft voorgedaan als bedoeld in het arrest van 2 juli 2021. Overigens merkt het Hof hierbij op dat een dergelijk 'interen' een aanwijzing kan zijn dat zich voor de belanghebbende een individuele en buitensporige last heeft voorgedaan, maar dat die conclusie daarmee nog niet vaststaat; daarvoor moet de heffing immers tevens worden bezien in samenhang met de gehele financiŽle situatie van de belanghebbende (zie het arrest van 2 juli 2021).

5.4.6. Belanghebbende heeft verder geen feiten en omstandigheden aangedragen ter onderbouwing van haar standpunt dat de belastingheffing in box 3 voor haar een individuele en buitensporige last vormt. Met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de onder 2.2 en 2.4 vermelde gegevens omtrent de door belanghebbende en de echtgenoot genoten inkomens uit werk en woning alsmede de door hen gehouden vermogensbestanddelen, is het Hof evenals de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat zich een zodanige last heeft voorgedaan; niet aannemelijk is geworden dat de belastingheffing in box 3 heeft geleid tot een last die zich in het geval van belanghebbende sterker laat voelen dan in het algemeen. Ook op dit punt treft het hoger beroep van belanghebbende geen doel.

5.4.7. Hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof komt niet toe aan een beoordeling van het beroep van de inspecteur op interne compensatie.

Slotsom

5.5. De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep van belanghebbende geen doel treft en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter van de belastingkamer, R.C.H.M. Lips en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.F.J.S. Molleman als griffier. De beslissing is op 15 maart 2022 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariŽle akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen.
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via "Login Mijn Zaak Hoge Raad" op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariŽle akte.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Datum 20220315