FutD - archief
Print

Nummer fida20222376
Kenmerk Rechtbank Den Haag 6 april 2022, nr. SGR 20/5303, 20/5304, 20/5305 en 20/5307
Titel Kerstarrest verminderde navordering IB 2013-2016 van zwartspaarder niet
Samenvatting

Na een strafrechtelijk onderzoek in verband met een niet voor de IB aangegeven Zwitserse bankrekening werd besloten X niet strafrechtelijk te vervolgen en kreeg de inspecteur toestemming om de door de FIOD verzamelde informatie te gebruiken voor de belastingheffing. De inspecteur legde vervolgens (navorderings)aanslagen IB op over 2013 tot en met 2016 met vergrijpboeten van (na bezwaar) € 2.500 per jaar. X ging in beroep, maar Rechtbank Den Haag stelde hem in het ongelijk. De Rechtbank vond het aannemelijk dat X beschikte over een bankrekening in Zwitserland, omdat X naar eigen zeggen in het verleden een bankrekening had geopend in Zwitserland om "bezittingen (geld) veilig te stellen". Verder bleek uit de gedingstukken dat X die rekening nooit had opgezegd en volgde uit een renseignement en de op naam van X gestelde bankafschriften dat X op de Zwitserse bankrekening een aanzienlijk saldo had. Bovendien had de Rechtbank dit ook al vastgesteld in een uitspraak in een beroepsprocedure over 2006 tot en met 2012. De Rechtbank verwierp daarom de stelling van X dat hij in de jaren 2013-2016 geen bankrekening in Zwitserland had. De Rechtbank verwierp vervolgens ook de stelling van X dat de vermogensrendementsheffing in box 3 op stelselniveau in strijd was met artikel 1 EP. De Hoge Raad had de klacht voor eerdere jaren waar deze kwestie speelde al verworpen en ook als er sprake zou zijn van een dergelijke schending had dat geen gevolgen voor de belastingheffing over de betreffende jaren. De Rechtbank wees hierbij op de arresten van de Hoge Raad van 14 juni 2019. Daaraan deed recente jurisprudentie over de box 3-heffing niet af, omdat deze jurisprudentie niet van overeenkomstige toepassing was op de jaren vóór 2017. Ook was geen sprake van een individuele en buitensporige last. De Rechtbank zag tot slot ook geen aanleiding de in bezwaar verminderde boeten nog verder te matigen en verklaarde het beroep van X ongegrond.

Tekst

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 20/5303, SGR 20/5304, SGR 20/5305, SGR 20/5307

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

6 april 2022 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 30 juli 2020 op de bezwaren van eiser tegen de aan eiser voor de jaren 2013 tot en met 2016 opgelegde (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de daarbij aan eiser opgelegde vergrijpboetes en aan hem in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2022.

Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en mr. [B] .

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Overwegingen

1. Naar aanleiding van een op 4 februari 2016 door de Belastingdienst via de [office] gedaan groepsverzoek aan Zwitserland met betrekking tot de bank [bankinstelling] , heeft de Nederlandse Belastingdienst op 22 december 2016 van de Zwitserse autoriteiten een renseignement ontvangen dat betrekking heeft op eiser. In het renseignement zijn de volgende gegevens opgenomen:

AccountNumber [nummer]

Account Balance on 2013-02-01 CHE 351.855,30

Account Balance on 2014-01-01 CHF 345.039,85

Account Balance on 2014-12-31 CHF 334.969,60

FirstName [eiser]

LastName [eiser]

DateOfBirth 1949 [geboortedag]

DomicilieAdressLine 1 [eiser]

DomicilieAdressLine 2 [adres] [huisnummer 1]

DomicilieAdressLine 5 [postcode] [woonplaats]

2. Nadat in het voorjaar van 2017 een strafrechtelijk onderzoek is gestart onder de naam [codenaam] in verband met een door eiser aangehouden rekening bij [bankinstelling] , is begin februari 2018 besloten om eiser niet strafrechtelijk te vervolgen en de behandeling over te dragen aan de Belastingdienst. Op 14 februari 2018 is door de officier van justitie toestemming verleend aan de Belastingdienst om op grond van artikel 55 Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) de door de FIOD verzamelde informatie te gebruiken voor heffingsdoeleinden.

3. Het saldo volgens de bankafschriften van de rekening van eiser bij [bankinstelling] met nummer [nummer] op de peildatum 1 januari bedraagt in de onderhavige jaren:

1 januari 2013 € 284.787

1 januari 2014 € 281.550

1 januari 2015 € 278.581

1 januari 2016 € 274.942

4. Eiser heeft van het vermogen bij [bankinstelling] in zijn aangiften IB/PVV voor de onderhavige jaren geen aangifte gedaan. Verweerder heeft dit gecorrigeerd en in verband daarmee de volgende (navorderings)aanslagen IB/PVV en vergrijpboetes aan eiser opgelegd:

  • een navorderingsaanslag IB/PVV 2013 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.688 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.775, waarbij een vergrijpboete is opgelegd van € 7.688 (225%) en € 724 aan belastingrente is berekend.
  • een navorderingsaanslag IB/PVV 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.993 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 26.418, waarbij een vergrijpboete is opgelegd van € 7.602 (225%) en € 579 aan belastingrente is berekend.
  • een navorderingsaanslag IB/PVV 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.022 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 25.183, waarbij een vergrijpboete is opgelegd van € 7.519 (225%) en € 439 aan belastingrente is berekend.
  • een aanslag IB/PVV 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.790 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.682, waarbij een vergrijpboete is opgelegd van € 7.423 (225%) en € 513 aan belastingrente is berekend.
    Bij deze aanslag is tevens een correctie op de rendementsgrondslag toegepast ter zake van de onroerende zaak [adres] [huisnummer 2] , welke door verweerder in aanmerking is genomen voor € 263.000 (de WOZ-waarde per 1 januari 2016) in plaats van het aangegeven bedrag € 163.680; de boete heeft op deze correctie geen betrekking.

5. Bij de uitspraken op bezwaar heeft verweerder de box 3-correcties gehandhaafd en de vergrijpboetes over alle jaren verminderd naar een bedrag van € 2.500 (per jaar).

6. In geschil is of de (navorderings)aanslagen en boetebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Met betrekking tot de navordering over het niet aangegeven buitenlandse vermogen terzake een in Zwitserland aangehouden bankrekening is meer specifiek in geschil:

- of aannemelijk is dat eiser in de onderhavige jaren beschikte over een bankrekening in Zwitserland;

- of de vermogensrendementsheffing van artikel 5.2, lid 1, Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in de onderhavige jaren in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Is aannemelijk dat eiser in de onderhavige jaren beschikt over een bankrekening in Zwitserland?

7. Vaststaat dat eiser in het verleden een bankrekening heeft geopend in Zwitserland om – naar eigen zeggen – "bezittingen (geld) veilig te stellen". Verder volgt uit de gedingstukken dat eiser die bankrekening nimmer heeft opgezegd. Gelet daarop, in samenhang bezien met het onder 1 genoemde renseignement dat met betrekking tot eiser is ontvangen alsook de bankafschriften ten name van eiser die betrekking hebben op de onderhavige jaren, staat het naar het oordeel van de rechtbank buiten twijfel dat eiser in de onderhavige jaren beschikte over een bankrekening in Zwitserland met daarop een aanzienlijk saldo. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat dit voor de jaren 2006 tot en met 2012 ook reeds door de rechtbank Den Haag is vastgesteld (zie Rechtbank Den Haag 21 augustus 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:8961). Voor zover eiser betwist dat hij in de onderhavige jaren beschikte over een bankrekening in Zwitserland, volgt de rechtbank hem daarin dan ook niet. De enkele stelling dat hij meende te zijn opgelicht en het geld kwijt te zijn, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Omvang correcties (gemiddelde) rendementsgrondslag i.v.m. spaartegoed Zwitserland

8. De rechtbank heeft verder ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de omvang van correcties op de (gemiddelde) rendementsgrondslag die zijn toegepast in verband met het in Zwitserland aangehouden vermogen. De rechtbank overweegt daarbij dat de correcties voor de onderhavige jaren één-op-één zijn gebaseerd op concrete van de [bankinstelling] afkomstige bankafschriften. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat eiser de omvang van de correcties als zodanig niet concreet heeft bestreden.

9. Voor zover eiser meent dat de belastingaanslagen desondanks toch op te hoge bedragen zijn vastgesteld, heeft hij de redenen waarom dat zo zou zijn onvoldoende geconcretiseerd of inzichtelijk gemaakt en heeft hij dat dus niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de voor 2016 toegepaste correctie ter zake van de onroerende zaak [adres] [huisnummer 2] ; niet valt in te zien waarom die waarde niet zou moeten worden vastgesteld op de WOZ-waarde per 1 januari 2016, zoals verweerder heeft gedaan.

Vermogensrendementsheffing in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 EP)?

10. De Hoge Raad heeft zich in een aantal arresten uitgelaten over de vraag of de vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP. Zo heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 2016, nr. 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129 met betrekking tot het jaar 2011 beslist dat voor dat jaar (nog) geen sprake is van een dergelijke strijdigheid op stelselniveau.

11. In zijn arresten van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, ECLI:NL:HR:2019:817, ECLI:NL:HR:2019:911, ECLI:NL:HR:2019:912, ECLI:NL:HR:2019:946, ECLI:NL:HR:2019:948 en ECLI:NL:HR:2019:949 (de arresten van 14 juni 2019), betreffende de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2013 en 2014, heeft de Hoge Raad – kort gezegd – als volgt geoordeeld (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 juli 2019, nr. 18/00775, ECLI:NL:GHARL:2019:5836).

11.1. Er is geen aanknopingspunt om te oordelen dat de regeling van de vermogensrendementsheffing als zodanig niet aan de daaraan ingevolge artikel 1 EP te stellen maatstaven voldoet. Wel kan het forfaitair heffen van inkomstenbelasting over de inkomsten uit sparen en beleggen voor een bepaald jaar op stelselniveau in strijd komen met artikel 1 EP indien komt vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (vgl. Hoge Raad 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812; Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129).

11.2. Voor de jaren 2013 en 2014 was op stelselniveau het eertijds door de wetgever in het forfaitaire stelsel van de vermogensrendementsheffing voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent niet meer haalbaar voor belastingplichtigen zonder daar (veel) risico voor te hoeven nemen. Mede gelet op het toepasselijke tarief vormt de heffing van de vermogensrendementsheffing op stelselniveau een schending van artikel 1 EP indien het nominaal zonder (veel) risico's gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager is dan 1,2 procent.

11.3. Met een dergelijke schending op stelselniveau gaat een rechtstekort gepaard waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken. Deze keuzes zijn niet voldoende duidelijk uit het stelsel van de wet af te leiden (vgl. Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, rechtsoverweging 2.5.1). De rechter past dan ten opzichte van de wetgever terughoudendheid bij het voorzien in zo'n rechtstekort op stelselniveau. Voor ingrijpen van de rechter is in beginsel geen plaats, tenzij een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.

11.4. Bij de beoordeling van de vraag of een individuele en buitensporige last zich voordoet, moeten de gevolgen van vermogensrendementsheffing worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene. Daarbij is het inkomen uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang een belangrijk aanknopingspunt (vgl. Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511).

12. De rechtbank stelt voorop dat vorenstaande ook met betrekking tot 2015 en 2016 heeft te gelden. Gelet op de door de Hoge Raad gewezen jurisprudentie, daaronder begrepen de hiervoor genoemde arresten, kan het standpunt van eiser dat de vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP hem dan ook niet baten. Enerzijds omdat de Hoge Raad die grief voor eerdere jaren waar deze kwestie speelde reeds heeft verworpen, anderzijds omdat ook als er sprake zou zijn van een dergelijke schending daaraan geen gevolgen voor de belastingheffing over de onderhavige jaren dienen te worden verbonden (zie de arresten van 14 juni 2019).

13. De onlangs gewezen jurisprudentie met betrekking tot de vermogensrendementsheffing in het jaar 2017, waarin wel is geoordeeld dat er plaats is voor ingrijpen door de rechter, is op de jaren voorafgaand aan 2017 niet van overeenkomstige toepassing en maakt het vorenstaande daarom niet anders. Immers, de omslag van de Hoge Raad met betrekking tot 2017 houdt juist verband met een eerst in dat jaar toegepaste wijziging in de vermogensrendementsheffing, en juist die wijziging leidt ertoe dat er – in die gevallen – wel dient te worden ingegrepen. In de onderhavige jaren was dat nog niet aan de orde, zodat daarvoor nog de in deze uitspraak genoemde 'oude' jurisprudentie van de Hoge Raad geldt.

14. Verder is in eisers geval ook geen sprake van een individuele buitensporige last als hiervoor bedoeld onder 11.3. en 11.4., reeds gezien zijn inkomen uit werk en woning in de onderhavige jaren. Overigens zijn geen bijzonderheden gesteld of gebleken die hierop een ander licht doen schijnen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door de vermogensrendementsheffing zwaarder wordt getroffen dan andere belastingplichtigen in een vergelijkbare financiële situatie met vergelijkbaar samengestelde vermogens met eenzelfde omvang. Ook in zoverre bestaat dus geen aanleiding om de belastingheffing over het (buitenlandse) vermogen te beperken.

De belastingrente

15. Nu geen aanleiding bestaat om de (navorderings)aanslagen te verminderen, bestaat ook geen aanleiding om de belastingrente te verminderen. Eiser heeft daartegen ook geen afzonderlijke gronden aangevoerd en niet is gebleken dat de belastingrente niet conform de wettelijke bepalingen is berekend.

De boetes

16. Op grond van artikel 67e van de Awr kan met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag aan de belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd van in beginsel ten hoogste 100% van de boetegrondslag, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Op grond van artikel 67d van de Awr kan met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan de belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd van in beginsel ten hoogste 100% van de boetegrondslag, indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Blijkens de wettekst zoals die nu geldt bedraagt het maximale boetepercentage bij een vergrijp op grond van de artikelen 67d en 67e van de Awr uitsluitend voor zover sprake is van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen 300%.

17. In dit geval heeft verweerder terecht aan eiser op grond van artikel 67e Awr (2013 t/m 2015) respectievelijk artikel 67d Awr (2016), in samenhang bezien met het bepaalde in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB), vergrijpboetes opgelegd van 225% voor al deze jaren. Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat sprake is van opzet aan de zijde van eiser en dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden die een verhoging tot de bewuste boetepercentages rechtvaardigen. Immers, eiser heeft het vermogen (de gelden) bewust ondergebracht in Zwitserland met het specifieke doel om deze buiten het zicht van – onder meer – de Belastingdienst te brengen. Het onderbrengen van gelden in een land met een bankgeheim teneinde deze buiten het zicht van de fiscus te houden is een omstandigheid die een verhoging van de boetes tot 225% rechtvaardigt. Gezien de aard en ernst van de gedraging zijn de boetes ook passend en geboden.

18. Verweerder heeft bij de uitspraken op bezwaar de boetes vanwege persoonlijke omstandigheden van eiser en in overeenstemming met een compromis over eerdere jaren verminderd naar € 2.500 per jaar. De rechtbank ziet geen reden de aldus verminderde boetes nog verder te matigen. Feiten of omstandigheden die overigens zouden moeten leiden tot matiging van de boetes, zijn gesteld noch gebleken.

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond verklaard.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2022.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

Datum 20220406