FutD - archief
Print

Nummer fida20222226
Kenmerk Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30 maart 2022, nr. 21/00229
Titel Oude afspraak over waardering panden in box 3 vanaf 2001 niet meer geldig
Samenvatting

X vermeldde in zijn aangifte IB 2010 in box 3 vijf panden met een totale waarde per 1 januari 2010 van € 800.958 en per 31 december 2010 van € 811.368. De inspecteur vroeg X om kopieŽn van alle huurcontracten en de berekening van de aangegeven waarden, maar kreeg geen reactie, ook niet nadat hij een informatiebeschikking had genomen. De inspecteur corrigeerde vervolgens de aangifte. Dit resulteerde in een totale waarde van de onroerende zaken per 1 januari 2010 van € 1.905.550 en per 31 december 2010 van € 1.824.700. X ging in beroep en stelde dat de onroerende zaken moesten worden gewaardeerd op de WOZ-waarde inclusief een ophogingspercentage, conform een oude afspraak die hij met de Belastingdienst had gemaakt. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde X in het ongelijk. De afspraak waar X naar verwees hield naar inhoud en strekking onmiskenbaar en uitsluitend verband met (het oplossen van) een waarderingskwestie van de panden onder de toen vigerende Wet vermogensbelasting voor 1998 tot en met 2000. X was al vele jaren aan het procederen over deze kwestie. Alles wat X aanvoerde, was volgens de Rechtbank slechts een herhaling van eerdere procedures. De Rechtbank verwees hiervoor naar een uitspraak van Hof Den Bosch van 20 januari 2017 over het jaar 2008. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond. X ging in hoger beroep, maar Hof Den Bosch verenigde zich met de overwegingen van de Rechtbank en bevestigde de uitspraak. Anders dan X betoogde, was er geen afspraak of overeenkomst tussen hem en de Belastingdienst met betrekking tot de waardering van onroerende zaken voor belastingjaren vanaf 2001.

Tekst

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 21/00229

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 13 november 2020, nummer BRE 19/6653, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 (hierna: de aanslag) opgelegd.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.

1.5. Belanghebbende heeft een verzoek ingediend tot wraking van mrs. Van Daalen-Mannaerts en Van der Vegt. De wrakingskamer van het hof heeft bij mondelinge uitspraak van 9 maart 2022 het tegen mr. Van Daalen-Mannaerts gerichte verzoek afgewezen en het tegen mr. Van der Vegt gerichte verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

1.6. Partijen hebben vůůr de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de wederpartij.

1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2022 in 's-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, vergezeld van [A] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] .

1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2010 in de rubriek betreffende het inkomen uit sparen en beleggen (hierna: box 3) de onderstaande onroerende zaken voor een totale waarde per 1 januari 2010 van € 800.958 en per 31 december 2010 van € 811.368 als bezittingen aangegeven:

- [adres 1] te [woonplaats] (bedrijfspand);

- [adres 2] en garages te [woonplaats] (bedrijfspand, appartementen en garages);

- [adres 3] te [plaats] (woning);

- [adres 4] te [woonplaats] (woning);

- [adres 5] te [woonplaats] (woning).

2.2. In verband met de beoordeling van de juistheid van de ingediende aangifte IB/PVV 2010 heeft de inspecteur belanghebbende per brief van 11 februari 2013 (onder meer) verzocht om met betrekking tot de in box 3 aangegeven onroerende zaken kopieŽn van alle huurcontracten en achterliggende berekening van de aangegeven waarden te overleggen.

2.3. Na diverse briefwisselingen tussen belanghebbende en de inspecteur heeft de inspecteur met dagtekening 9 september 2014 een informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vastgesteld over het jaar 2010. De informatiebeschikking is onherroepelijk komen vast te staan.1 Belanghebbende heeft de gevraagde informatie niet verstrekt.

2.4. Met dagtekening 10 juli 2019 heeft de inspecteur een brief aan belanghebbende verstuurd met een toelichting op de aanslag 2010. Vervolgens heeft de inspecteur met dagtekening 12 juli 2019 de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 105.379. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag of de aanslag naar een te hoog bedrag is vastgesteld, waarbij partijen verdeeld zijn over de waarde die aan de onder 2.1 genoemde onroerende zaken moet worden toegekend in het kader van de heffing over inkomen uit sparen en beleggen. Belanghebbende heeft verder verzocht om vergoeding van schade.

3.2. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag en vergoeding van schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. De rechtbank heeft als volgt overwogen (citaat zonder voetnoten):

"2.7. De grondslag voor het voordeel uit sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (de peildatum). Dit volgt uit artikel 5.2, eerste lid van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, tekst 2010 (hierna: Wet IB). De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Dit volgt uit artikel 5.3, eerste lid van de Wet IB. Bezittingen en schulden worden op grond van artikel 5.19, eerste lid van de Wet IB in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. De waarde van een woning wordt in afwijking hiervan vastgesteld op de WOZ-waarde voor het kalenderjaar. Dit volgt uit artikel 5.20, eerste lid van de Wet IB. Voor overige onroerende zaken geldt dit waarderingsvoorschrift niet.(…)

2.8. Volgens vaste jurisprudentie is de waarde in het economische verkeer de prijs die door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed bij aanbieding van het pand ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding. Ingevolge artikel 17, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken geldt, zoals ook in de wetsgeschiedenis is vermeld, voor de WOZ-waarde de fictie dat de waarde van de onroerende zaak wordt bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de onroerende zaak in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Weliswaar wordt deze waarde voor niet-woningen doorgaans bepaald door de huurwaarde te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor, maar dit neemt niet weg dat de feitelijke situatie kan afwijken van een algemeen voor dergelijke panden geldende huurwaarde.

2.9. Gelet op de onherroepelijk vaststaande informatiebeschikking dient de rechtbank het beroep ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). De rechtbank verwerpt het standpunt van belanghebbende dat geen sprake kan zijn van omkering en verzwaring van de bewijslast. Anders dan belanghebbende meent is de belastingrechter tot en met de Hoge Raad niet onbevoegd geweest om daarover te oordelen. Belanghebbende heeft de gevraagde informatie niet verstrekt. Daarmee is omkering en verzwaring van de bewijslast op zijn plaats, en naar het oordeel van de rechtbank in dit geval ook redelijk. Het uitgangspunt is daarbij desalniettemin dat de inspecteur de (navorderings)aanslagen op een redelijke schatting moet laten berusten om te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld. De inspecteur dient in dat verband zijn schatting te onderbouwen met feitelijke stellingen, op grond waarvan die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.

2.10. De inspecteur heeft de waarde van de onroerende zaken als volgt vastgesteld:

- de waarde van de onroerende zaken [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] zijn vastgesteld overeenkomstig de WOZ-waarde;

- de waarde van de onroerende zaken [adres 1] en [adres 2] inclusief garages zijn vastgesteld op basis van taxaties, uitgevoerd door taxateurs van de belastingdienst.

De inspecteur komt op een totale waarde van de onroerende zaken per 1 januari 2010 van € 1.905.550 en per 31 december 2010 van € 1.824.700. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is van een redelijke schatting. Het is dan aan belanghebbende om te doen blijken dat dit onjuist is.

2.11. Belanghebbende stelt dat de onroerende zaken moeten worden gewaardeerd op de WOZ-waarde inclusief een ophogingspercentage conform een oude afspraak tussen belanghebbende en de belastingdienst. Belanghebbende is tevens van mening dat de belastingrechter niet over deze afspraak mag oordelen omdat de aanslag niet op de afspraak is gebaseerd. De inspecteur beaamt dat de aanslag niet op de afspraak is gebaseerd, aangezien er geen afspraak is. Nu belanghebbende zelf de afspraak in het geding brengt als tegenbewijs voor de in de aanslag vastgestelde waarden moet de rechtbank daar een oordeel over geven. Immers, de rechtbank mag dit tegenbewijs niet negeren.

2.12. De rechtbank is van oordeel dat de afspraak waar belanghebbende naar verwijst naar inhoud en strekking onmiskenbaar en uitsluitend verband houdt met (het oplossen van) een waarderingskwestie van de panden onder de toen vigerende Wet op de vermogensbelasting 1964 voor de jaren 1998 tot en met 2000. Context noch bewoordingen van de afspraak bieden steun aan de stelling van belanghebbende dat deze zich uitstrekt naar de toekomst. Hieruit volgt dat belanghebbende, anders dan hij in beroep betoogt, geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen.

2.13. Belanghebbende en de inspecteur zijn al vele jaren aan het procederen over deze kwestie. Al hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd in dit beroep betreft naar het oordeel van de rechtbank een herhaling van de eerdere procedure(s) en werpt geen ander of nieuw licht op de zaak. De rechtbank verwijst in dat verband volledigheidshalve naar de uitspraak van Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 januari 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:191) inzake het jaar 2008. Belanghebbende heeft geen aanvullende argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat de aanslag IB/PVV 2010 te hoog is."

4.2. Het hof verenigt zich met de voorgaande overwegingen van de rechtbank. Anders dan belanghebbende betoogt, is er geen afspraak of overeenkomst tussen hem en de Belastingdienst betreffende de waardering van onroerende zaken voor belastingjaren vanaf 2001. Wat belanghebbende verder heeft aangevoerd, moet eveneens worden verworpen.

Tussenconclusie

4.3. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.4. Reeds omdat het (hoger) beroep ongegrond is, kan het schadevergoedingsverzoek niet worden toewezen.2

Ten aanzien van het griffierecht

4.5. Het hof acht geen reden aanwezig de inspecteur te gelasten het geheven griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6. Het hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

5 Beslissing

Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door P.C. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariŽle akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
  1. de naam en het adres van de indiener;
  2. de dagtekening;
  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1
HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:819.

2 Zie artikel 8:73 (oud) Awb dat volgens overgangsrecht nog van toepassing is in zaken betreffende de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Datum 20220330