FutD - archief
Print

Nummer fida20222129
Kenmerk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 maart 2022, nr. 20/00002 en 20/00855
Titel Ongerealiseerd koersverlies genegeerd bij box 3-rendement 2017 en 2018
Samenvatting

X ging in beroep tegen de box 3-heffing over 2017 en 2018 waarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen was vastgesteld op respectievelijk € 22.027 en € 19.300. Uit geresigneerde bankgegevens bleek dat X over 2017 € 3.445 rente en € 131 dividend had ontvangen en over 2018 € 1.907 rente en € 134 aan dividend. Ook was sprake van een ongerealiseerd koersverlies op beleggingen van € 250 per 31 december 2018. Hof Arnhem-Leeuwarden liet in het midden of de box 3-heffing in strijd was met artikel 5 van het Europese Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot geautomatiseerde verwerking van Persoonsgegevens uit 1981, omdat de box 3-heffing over 2017 en 2018 op stelselniveau in strijd was met bepalingen van een hogere rechtsorde en alleen al daarom rechtsherstel geboden was. Het Hof merkte daarbij op dat, zo er al sprake was van een schending – en X zich daar rechtstreeks op zou kunnen beroepen – dat niet kon leiden tot een verlaging van een op zichzelf bezien juist berekende aanslag. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2021 kon het geschil in deze zaak niet betrekking hebben op de in de massaal bezwaar procedure voorliggende rechtsvraag. Daaronder viel volgens het Hof ook de door X gestelde schending van artikel 1 Twaalfde Protocol en artikel 26 IVBPR, omdat deze bepalingen in de kern dezelfde strekking hadden als artikel 14 EVRM (gelijkheidsbeginsel c.q. non-discriminatie). Toch zag het Hof aanleiding om in deze zaak te beslissen met inachtneming van de in het Kerstarrest geformuleerde uitgangspunten. Het Hof kwam hiertoe omdat de massaal bezwaarprocedure met de collectieve uitspraak op bezwaar voor de jaren 2017 tot en met 2020 van de inspecteur van 4 februari 2022 was geŽindigd en omdat in deze zaak het werkelijk rendement was vast te stellen op basis van de gedingstukken. Het Hof nam daarbij in aanmerking dat in deze procedure de belastingaanslagen nog voorlagen en onduidelijk was welk gevolg de inspecteur voor deze aanslagen IB verbond aan de collectieve uitspraak, op welke wijze een eventuele vermindering van deze aanslag te zijner tijd werd vormgegeven en of daartegen een rechtsmiddel kon worden aangewend. Het Hof besliste vervolgens dat uit het arrest van 14 juni 2019 volgde dat voor het bepalen van het werkelijk rendement aansluiting moest worden gezocht bij het nominaal gerealiseerde rendement. Bij het belasten van inkomsten uit sparen en beleggen op basis van het werkelijke rendement was geen plaats voor het in aanmerking nemen van ongerealiseerde verliezen ter zake van aandelen waarvan het in het geheel niet zeker was dat een verlies zich daadwerkelijk zou voordoen. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van X voor 2017 moest daarom worden verminderd tot € 3.576 en voor 2018 tot € 2.041. Het Hof besliste tot slot dat de door X over eerdere jaren betaalde box 3-heffing in ieder geval niet voor vergoeding in aanmerking kwam aangezien deze niet rechtstreeks en onmiddellijk samenhing met de aanslagen en bovendien was beslist dat geen plaats was voor het bieden van rechtsherstel door de rechter in het geval van een eventuele schending van artikel 1 EP op stelselniveau voor het systeem geldend in de jaren tot en met 2016.

Tekst

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 20/00002 en 20/00855

uitspraakdatum: 29 maart 2022

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 22 november 2019, nummer AWB 19/2808, en van 14 augustus 2020, nummer AWB 20/909, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 82.041 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.027.

1.2. Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 82.847 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 19.300.

1.3. De Inspecteur heeft de tegen de voornoemde aanslagen ingediende bezwaren gesplitst in een deel dat in het kader van een massaal bezwaarprocedure wordt uitgeprocedeerd (de stelselvraag) en een deel dat daarbuiten valt (de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last). Het eerste deel van de bezwaren (de stelselvraag) heeft de Inspecteur aangehouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in de massaal bezwaarprocedure en de daarop volgende collectieve uitspraak op bezwaar. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren betreffende het tweede deel (de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last) ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende is tegen die laatst bedoelde uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft geen conclusie van dupliek ingezonden.

1.7. Partijen hebben, na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, hun zienswijze gegeven op het door de Hoge Raad op 24 december 2021 gewezen arrest betreffende de onverenigbaarheid van de vermogensrendementsheffing over 2017 en 2018 met artikel 1 EP bij het EVRM (eigendomsrecht) in samenhang met artikel 14 EVRM (gelijkheidsbeginsel c.q. non-discriminatie) (hierna: het kerstarrest)1.

1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] , [naam2] en mr. [naam3] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende van € 22.027 (2017) respectievelijk € 19.300 (2018) is conform het bepaalde in artikel 5.2, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) berekend over een grondslag sparen en beleggen van € 507.038 (2017) respectievelijk € 484.009 (2018).

2.2. Tot het dossier behoort een door belanghebbende, aan de hand van door de Inspecteur gerenseigneerde bankgegevens, opgesteld overzicht van de door hem in box 3 aangehouden bezittingen (bankrekeningen en een beleggingsrekening), waaruit volgt dat over 2017 een bedrag van € 3.445 aan rente en een bedrag van € 131 aan dividend is ontvangen, alsmede over 2018 een bedrag van € 1.907 aan rente en een bedrag van € 134 aan dividend. Verder vermeldt het overzicht een ongerealiseerd koersverlies op beleggingen van € 250 per 31 december 2018.

3 Geschil

3.1. In geschil is of de vermogensrendementsheffing (hierna: box 3-heffing) uit de Wet IB 2001 in strijd is met:

  1. Artikel 5 van het Europese Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot geautomatiseerde verwerking van Persoonsgegevens uit 1981;
  2. Artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het International Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR);

3.2. Verder is in geschil of belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding.

3.3. Niet in geschil is dat belanghebbende door de box 3-heffing niet wordt geconfronteerd met een individuele buitensporige last als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 20202.

4 Beoordeling van het geschil

Schending van artikel 5 van het Europese Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot geautomatiseerde verwerking van Persoonsgegevens uit 1981

4.1. De beantwoording van de vraag of de box 3-heffing in strijd is met artikel 5 van het Europese Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot geautomatiseerde verwerking van Persoonsgegevens uit 1981 kan in het midden blijven, aangezien de box 3-heffing over 2017 en 2018 op stelselniveau in strijd is met bepalingen van een hogere rechtsorde en reeds hierom rechtsherstel geboden is (zie hierna 4.3). Het Hof merkt daarbij op dat, zo er al sprake zou zijn van een schending – en belanghebbende zich daar rechtstreeks op zou kunnen beroepen – een dergelijke schending, anders dan belanghebbende voorstaat, niet kan leiden tot een verlaging van een op zichzelf bezien juist berekende aanslag3.

Rechtsherstel wegens schending van artikel 1 EP in samenhang met artikel 14 EVRM

4.2. De Hoge Raad heeft in het kerstarrest geoordeeld dat het met ingang van 1 januari 2017 geldende forfaitaire stelsel van hoofdstuk 5 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 op stelselniveau de door artikel 1 EP bij het EVRM, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten schendt. De Hoge Raad heeft daarbij beslist dat rechtsherstel moet worden geboden door te bepalen dat voor de jaren 2017 en 2018 alleen het werkelijke rendement in de heffing mag worden betrokken (althans - zo begrijpt het Hof - voor zover dat lager is dan het in aanmerking genomen forfaitaire rendement).

4.3. Het Hof realiseert zich dat, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 20214, het geschil in onderhavige zaak geen betrekking kan hebben op de in de massaal bezwaar procedure voorliggende rechtsvraag. Onder die rechtsvraag moet naar het oordeel van het Hof ook de door belanghebbende gestelde schending van artikel 1 van het Twaalfde Protocol en artikel 26 IVBPR worden begrepen, aangezien deze bepalingen in de kern dezelfde strekking hebben als artikel 14 EVRM (gelijkheidsbeginsel c.q. non-discriminatie). Desalniettemin ziet het Hof aanleiding om thans in deze zaak te beslissen met inachtneming van de in het kerstarrest geformuleerde uitgangspunten. Het Hof komt hiertoe omdat de massaal bezwaarprocedure met de collectieve uitspraak op bezwaar voor de jaren 2017 tot en met 2020 van de Inspecteur van 4 februari 20225 ten einde is gekomen, en omdat in onderhavige zaak het werkelijk rendement is vast te stellen op basis van de stukken van het geding. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat in de onderhavige procedure de belastingaanslagen nog voor liggen en thans onduidelijk is welk gevolg de Inspecteur voor de onderhavige aanslagen IB/PVV verbindt aan voornoemde collectieve uitspraak, op welke wijze een eventuele vermindering van deze aanslag te zijner tijd wordt vormgegeven en of daartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend.

4.4. Partijen hebben ter zitting verklaard dat, voor het geval het Hof aanleiding ziet om rechtsherstel te bieden door voor de jaren 2017 en 2018 alleen het werkelijke rendement in de heffing te betrekken, uitgegaan kan worden van de onder 2.3 genoemde bedragen die zijn opgenomen in het gecorrigeerde overzicht van saldi en rendementen (rente en dividend over 2017 en 2018) in het nader stuk van belanghebbende van 26 maart 2021. Partijen verschillen nog van mening of voor de bepaling van het werkelijke rendement i) moet worden uitgegaan van de nominale rente dan wel de reŽle rente na correctie voor inflatie en ii) een ongerealiseerd koersverlies op beleggingen van € 250 in aanmerking moet worden genomen.

4.5. Wat betreft de eerste vraag volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 20196, dat voor het bepalen van het werkelijk rendement aansluiting dient te worden gezocht bij het nominaal gerealiseerde rendement. Met betrekking tot de tweede vraag is het Hof van oordeel dat bij het belasten van inkomsten uit sparen en beleggen op basis van het werkelijke rendement geen plaats is voor het in aanmerking nemen van ongerealiseerde verliezen ter zake van aandelen waarvan het in het geheel niet zeker is dat een verlies zich daadwerkelijk voor zal doen.

4.6. Gelet op het hiervoor overwogene moet het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2017 worden verminderd tot € 3.576 en voor het jaar 2018 tot € 2.041.

4.7. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslagen betreft.

Schadevergoeding

4.8. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van schade wegens teveel betaalde belasting in voorgaande jaren als gevolg van de toepassing van het forfaitaire stelsel van box 3.

4.9. De belastingrechter kan de Inspecteur op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht7 veroordelen tot het vergoeden van geleden schade in het geval van een gegrond (hoger) beroep tegen de aanslag. Het uitgangspunt daarbij is dat er sprake is van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de geleden schade en het vernietigde besluit. Naar het oordeel van het Hof komt de door belanghebbende over eerdere jaren betaalde box 3-heffing in ieder geval niet voor vergoeding in aanmerking nu deze niet rechtstreeks en onmiddellijk samenhangt met de onderhavige aanslagen en bovendien is geoordeeld dat geen plaats was voor het bieden van rechtsherstel door de rechter in het geval van een eventuele schending van artikel 1 EP op stelselniveau voor het systeem geldend in de jaren tot en met 20168. Het Hof wijst het verzoek om vergoeding van schade daarom af.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.576, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag,

– vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.041, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag,

– vermindert de verzamelinkomens voor de jaren 2017 en 2018 dienovereenkomstig,

– wijst het verzoek om schadevergoeding af,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 47 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 128 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. T.H.J. Verhagen, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2022

De griffier is verhinderd, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te

de uitspraak te ondertekenen. ondertekenen. Daarom is de uitspraak ondertekend door mr. T.H.J. Verhagen.

(T.H.J. Verhagen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 maart 2022

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariŽle akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1 HR 24 december 2021, nr. 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963

2 HR 29 mei 2020, nr. 19/03944, ECLI:NL:HR:2020:831

3 Vgl. HR 10 december 2021, nr. 20/02304, ECLI:NL:HR:2021:1748, r.o. 5.4

4 HR 2 juli 2021, nr. 20/02453, ECLI:NL:HR:2021:963

5 Uitspraak van de Inspecteur van 4 februari 2022, nr. 2022-35664, Staatscourant 2022, 4198

6 Vgl. HR 14 juni 2019, nr. 17/05606, ECLI:NL:HR:2019:816, r.o. 2.6.2

7 Artikel 8:73 Awb, tekst tot 1 juli 2013, dat nog van toepassing is (behalve voor de vennootschapsbelasting) op grond van artikel V, lid 1, letter a, en lid 2, Overgangsrecht Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten.

8 Vgl. HR 29 mei 2020, nr. 19/03944, ECLI:NL:HR:2020:831 en HR 2 juli 2021, nr. 20/02453, ECLI:NL:HR:2021:1047

Datum 20220329