FutD - archief
Print

Nummer fida20222127
Kenmerk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 maart 2022, nr. 20/00851 t/m 20/00854
Titel Ook na Kerstarrest geen rechtsherstel voor box 3-heffing over 2013-2016
Samenvatting

X maakte bezwaar tegen de box 3-heffing over 2013 tot en met 2016, maar de inspecteur verklaarde die niet-ontvankelijk vanwege termijnoverschrijding. Hij merkte de bezwaren vervolgens aan als verzoeken om ambtshalve vermindering en wees die af. Rechtbank Gelderland en Hof Arnhem-Leeuwarden waren het daarmee eens. Het Hof stelde vast dat het beroep en hoger beroep van X slechts kon zien op de vraag of de box 3-heffing naar haar aard in strijd kwam met artikel 1 EP. Het Hof kwam daarom niet toe aan beantwoording van de andere door X ingebrachte geschilpunten met betrekking tot de box 3-heffing, waarbij het Hof ten overvloede nog opmerkte dat de rechter niet bevoegd was om wetgeving in formele zin te toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Het Hof verwierp de stelling van X dat onder meer uit het Kerstarrest volgde dat de box 3-heffing ook voor de jaren 2013 tot en met 2016 de door artikel 1 EP gewaarborgde rechten schond en het aan de rechter was om in rechtsherstel te voorzien. Volgens het Hof had de Hoge Raad op 14 juni 2019 arrest gewezen in de zes voor massaal bezwaar geselecteerde zaken en beslist dat – uitgaande van het nominale rendement waarbij inflatie en heffingvrij vermogen buiten beschouwing moesten blijven – mede gelet op het toepasselijke tarief, de box 3-heffing op stelselniveau een schending van artikel 1 EP vormde indien het nominaal zonder (veel) risico's gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager was dan 1,2%. De Hoge Raad had daarbij echter beslist dat met een dergelijke schending een rechtstekort gepaard ging waarin niet kon worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken en dat voor ingrijpen door de rechter in beginsel geen plaats was, tenzij een individuele belastingplichtige werd geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Voor de jaren 2015 en 2016 was dit niet anders. Het Kerstarrest bevatte volgens het Hof geen aanwijzingen waaruit kon worden afgeleid dat de Hoge Raad van die lijn was teruggekomen voor het systeem zoals dat gold tot en met 2016. Het Kerstarrest zag specifiek op de box 3-heffing voor 2017 en 2018 en de (veronderstelde) vermogensmix die daaraan ten grondslag lag. Het Hof zag ook geen aanknopingspunten op grond waarvan het bieden van rechtsherstel voor de betreffende jaren geboden zou zijn. Aangezien X uitdrukkelijk had gesteld dat voor de jaren 2013 tot en met 2016 gťťn sprake was van een voor hem individuele en buitensporige last was voor ingrijpen van de rechter geen plaats.

Tekst

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 20/00851 tot en met 20/00854

uitspraakdatum: 29 maart 2022

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 augustus 2020, nummers AWB 20/792, AWB 20/793, AWB 20/794 en AWB 20/795, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslagen IB/PVV) opgelegd.

1.2. De Inspecteur heeft de tegen die aanslagen IB/PVV ingediende bezwaren bij uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn en de bezwaarschriften vervolgens aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering als bedoeld in artikel 9.6 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en de verzoeken afgewezen.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5. Partijen hebben, na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, hun zienswijze gegeven op het door de Hoge Raad op 24 december 2021 gewezen arrest betreffende de onverenigbaarheid van de vermogensrendementsheffing over 2017 en 2018 met artikel 1 EP bij het EVRM (eigendomsrecht) in combinatie met artikel 14 EVRM (gelijkheidsbeginsel) (hierna: het kerstarrest)1.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] , [naam2] en mr. [naam3] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1. Bij brief van 10 december 2018 (door de Inspecteur ontvangen op 12 december 2018) heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV.

2.2. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende is in de onderhavige jaren conform het bepaalde in artikel 5.2, lid 1, van de Wet IB 2001 berekend over de voor die jaren vastgestelde grondslag sparen en beleggen.

3 Geschil

3.1. In geschil is of de vermogensrendementsheffing (hierna: box 3-heffing) uit de Wet IB 2001 in strijd is met:

  1. artikel 1 van het EP bij het EVRM;
  2. artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het International Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;
  3. artikel 5 van het Europese Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot geautomatiseerde verwerking van Persoonsgegevens uit 1981; dan wel
  4. enig beginsel van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheids-, motiverings- en rechtszekerheidsbeginsel.

3.2. Verder is in geschil of belanghebbende recht heeft op schadevergoeding wegens teveel betaalde belasting in eerdere jaren.

3.3. Niet in geschil is dat belanghebbende door de box 3-heffing niet wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2020, nr. 19/03944, ECLI:NL:HR:2020:831.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1. De staatssecretaris van financiŽn heeft bij besluit2 als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25a van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR)3 aangewezen: de bezwaarschriften inkomstenbelasting die betrekking hebben op de rechtsvraag of de box 3-heffing naar haar aard in strijd is met artikel 1 EP bij het EVRM, zonder dat in geschil is of sprake is van een schending van de 'fair balance' op grond van een individuele en buitensporige last. Het gaat om bezwaarschriften waarop ten tijde van de dagtekening van het besluit nog geen uitspraak is gedaan en bezwaarschriften die zijn ingediend tot en met de dag voorafgaand aan de dag waarop de in artikel 25a, lid 7, van de AWR bedoelde collectieve uitspraak wordt gedaan, dan wel de dag voorafgaand aan de dag waarop de in artikel 25a, lid 11, van de AWR bedoelde uitspraak onherroepelijk wordt. In het besluit van 6 juni 20164 zijn de rolnummers van de gerechtelijke procedures bekend gemaakt en heeft de staatssecretaris opgemerkt dat de aanwijzing als massaal bezwaar zich niet beperkt tot een bepaald tijdvak.

4.2. Niet in geschil is dat het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV valt binnen de regeling van massaal bezwaar van artikel 25a van de AWR zoals hiervoor uiteengezet en dat de bezwaren, gelet op artikel 25a, lid 7, van de AWR, ontvankelijk zijn. Evenmin is in geschil dat de Inspecteur de bezwaarschriften van belanghebbende heeft kunnen opvatten als verzoeken om de collectieve uitspraak te vervangen door individuele uitspraken en dat deze verzoeken niet onredelijk laat zijn gedaan. Gelet op artikel 25, lid 9, van de AWR was belanghebbende aldus gerechtigd beroep in te stellen tegen de individuele uitspraken op bezwaar. De Rechtbank is terecht daarvan uitgegaan.

4.3. Op grond van artikel 25a, lid 10, van de AWR kan het beroep tegen een individuele uitspraak – die dient ter vervanging van de collectieve uitspraak – slechts betrekking hebben op de rechtsvraag die in de aangewezen massaal bezwaarprocedure aan de orde is gesteld. Met deze bepaling heeft de wetgever willen voorkomen dat het mogelijk is om, geruime tijd na de uitspraak van de laatste rechter, alsnog voor andere kwesties in beroep te gaan.

4.4. Gelet op het hiervoor overwogene kan het beroep en hoger beroep van belanghebbende slechts zien op de vraag of de box 3-heffing naar haar aard in strijd komt met artikel 1 EP bij het EVRM. Het Hof komt aldus niet toe aan beantwoording van de drie andere door belanghebbende ingebrachte geschilpunten met betrekking tot de box 3-heffing, waarbij het Hof ten overvloede nog opmerkt dat de rechter niet bevoegd is om wetgeving in formele zin te toetsen aan algemene rechtsbeginselen5.

Strijd met artikel 1 EP bij het EVRM?

4.5. Belanghebbende voert, mede naar aanleiding van het kerstarrest, aan dat de box 3-heffing ook voor de jaren 2013 tot en met 2016 de door artikel 1 EP gewaarborgde rechten schendt, en stelt dat het aan de rechter is om in rechtsherstel te voorzien. Belanghebbende heeft in dit kader uitvoerig uiteengezet waarom de aan het forfaitaire stelsel ten grondslag liggende uitgangspunten naar zijn mening onjuist zijn en dat zijn argumenten ten onrechte in de massaal bezwaarprocedure niet aan bod zijn gekomen.

4.6. Het Hof volgt belanghebbende niet in diens standpunt en overweegt daartoe als volgt.

4.7. De Hoge Raad heeft op 14 juni 20196 arrest gewezen in de zes voor massaal bezwaar geselecteerde zaken en geoordeeld dat – uitgaande van het nominale rendement waarbij inflatie en heffingvrij vermogen buiten beschouwing dienen te blijven – mede gelet op het toepasselijke tarief, de box 3-heffing op stelselniveau een schending van artikel 1 EP vormt indien het nominaal zonder (veel) risico's gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager is dan 1,2 procent. De Hoge Raad heeft daarbij evenwel beslist dat met een dergelijke schending een rechtstekort gepaard gaat waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken en dat voor ingrijpen door de rechter in beginsel geen plaats is, tenzij een individuele belastingplichtige wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Voor de jaren 2015 en 2016 is dit niet anders7. Het kerstarrest bevat naar het oordeel van het Hof geen aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat de Hoge Raad van die lijn is teruggekomen voor het systeem zoals dat gold tot en met 2016. Het kerstarrest ziet specifiek op de box 3-heffing voor de jaren 2017 en 2018 en de (veronderstelde) vermogensmix die daaraan ten grondslag ligt.

4.8. Het Hof ziet, in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van de aan de box 3-heffing ten grondslag liggende uitgangspunten, evenmin aanknopingspunten op grond waarvan – in afwijking van de onder 4.7 genoemde jurisprudentie – het bieden van rechtsherstel voor de onderhavige jaren geboden zou zijn.

4.9. Nu belanghebbende uitdrukkelijk heeft gesteld dat voor de jaren 2013 tot en met 2016 gťťn sprake is van een voor hem individuele en buitensporige last is voor ingrijpen van de rechter geen plaats.

Schadevergoeding

4.10. Gelet op het bepaalde in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht8 komt aan belanghebbende geen schadevergoeding toe, nu de aan belanghebbende opgelegde aanslagen IB/PVV niet onrechtmatig zijn.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2022

De griffier is verhinderd, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te

de uitspraak te ondertekenen. ondertekenen. Daarom is de uitspraak ondertekend door mr. T.H.J. Verhagen.

(T.H.J. Verhagen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 maart 2022

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariŽle akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1 HR 24 december 2021, nr. 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963

2 Besluit van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 26 juni 2015, nr. BLKB2015/903M, Stcrt. 2015, 18400

3 De regeling massaal bezwaar was tot 1 januari 2016 opgenomen in artikel 25a van de AWR. Deze regeling blijft van toepassing op bezwaren die op grond van artikel 25a van de AWR vůůr 1 januari 2016 zijn aangewezen als massaal bezwaar, artikel XXVII, lid 1, letter c, van de Wet van 23 december 2015, tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten, (Overige Fiscale maatregelen 2016), Stb. 2015, 540.

4 Besluit van de staatssecretaris van FinanciŽn van 6 juni 2016, nr. BLKB2016/425, Stcrt. 2016, 31329

5 Vgl. HR 14 juni 2013, nr. 12/04290, ECLI:NL:HR:2013:CA2818 en HR14 april 1989, NJ 1989, 469 (het zogenoemde Harmonisatiewetarrest), ECLI:NL:HR:1989:AD5725.

6 HR 14 juni 2019, nr. 17/05606, ECLI:NL:HR:2019:816

7 Zie HR 29 mei 2020, nr. 19/03944, ECLI:NL:HR:2020:831 en HR 2 juli 2021, nr. 20/02453, ECLI:NL:HR:2021:1047

8 Artikel 8:73 Awb, tekst tot 1 juli 2013, dat nog van toepassing is (behalve voor de vennootschapsbelasting) op grond van artikel V, lid 1, letter a, en lid 2, Overgangsrecht Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten.

Datum 20220329