FutD - archief
Print

Nummer fida20221791
Kenmerk Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 maart 2022, nr. BRE21/2109
Titel Geen rechterlijke toetsing van box 3-heffing als onrechtmatige overheidsdaad
Samenvatting

Mevrouw X had in 2016 een inkomen uit werk en woning van € 14.466 en beschikte over bank- en spaartegoeden van € 143.295 waaruit zij in 2016 € 927 rente genoot. De aanslag IB 2016 werd conform de aangifte opgelegd. Mevrouw X ging in beroep en claimde een belastingheffing op basis van het werkelijk rendement over het jaar 2016. De box 3-heffing van in haar geval € 1.132 was volgens haar een onrechtmatige overheidsdaad en daarmee in strijd met artikel 6:162 BW omdat de overheid het forfaitaire rendement bewust niet had aangepast aan de lager behaalde rendementen en pas vanaf 2017 een door de Hoge Raad afgedwongen wetswijzing in de vermogensrendementsheffing had doorgevoerd. Daarnaast was volgens mevrouw X sprake van strijdigheid met artikel 1 Grondwet (het verbod op discriminatie), omdat een spaarder en een belegger ongelijk werden behandeld en spaarders door het fictieve rendement van 4% onder (fiscale) druk werden gezet om over te stappen naar risicovolle beleggingen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde zich onbevoegd omdat de rechter een wet in formele zin zoals de Wet IB 2001 niet mocht toetsen aan een artikel uit de Grondwet. Voor zover mevrouw X bedoeld had te stellen dat de box 3-heffing in strijd was met artikel 1 EP EVRM wees de Rechtbank op het arrest van 2 juli 2021 waarin de Hoge Raad had beslist dat zijn arrest van 4 juni 2019 met betrekking tot 2013 en 2015 k gold voor het jaar 2016, en zag daarom geen reden om voor 2016 alsnog rechtsherstel te bieden. Daarvoor was ook geen reden naar aanleiding van het Kerstarrest van de Hoge Raad van 21 december 2021 waarin het rechtsherstel expliciet het jaar 2017 betrof en niet voor de jaren vr 2017.

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 21/2109

uitspraak van 16 maart 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 3 mei 2021 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) [hierna: de aanslag] .

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2022 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, [de inspecteur] .

Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

Van de zitting is een proces-verbaal gemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen is verzonden. Zaaknummers 20/7408, 20/7425 en 21/1446 ten name van belanghebbende en zaaknummers 20/7424 en 21/984 ten name van [X] , de echtgenoot van belanghebbende, zijn gelijktijdig behandeld.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1. Belanghebbende, geboren [datum] , is gehuwd met [X] (hierna: de echtgenoot).

2.2. Belanghebbende heeft voor het jaar 2016 aangifte IB/PVV (hierna: de aangifte) gedaan. Volgens de aangifte bedraagt het inkomen uit werk en woning € 14.466, de WOZ waarde van de eigen woning € 204.000 en de saldi van de bank- en spaartegoeden in Nederland € 143.295. Daarnaast blijkt uit de aangifte dat de grondslag sparen uit beleggen € 94.421 bedraagt en volledig aan belanghebbende is toegerekend.

2.3. De inspecteur heeft de aanslag conform de aangifte opgelegd. Volgens de aanslag bedraagt de inkomstenbelasting over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen € 1.132 (hierna: de box 3-heffing).

2.4. Belanghebbende heeft over het jaar 2016 voor een bedrag van € 927 aan rentebaten uit bank- en spaartegoeden genoten.

2.5. In geschil is of inzake de box 3 heffing sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad.

2.6. Belanghebbende heeft, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Er is sprake van onrechtmatig handelen, dus is sprake van strijdigheid met artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Met het forfaitaire rendement is bewust geen rekening gehouden met lager behaalde rendementen. De overheid heeft, ondanks de voortdurende verlaging van de rente, steeds pertinent geweigerd het fictieve rendement aan te passen en in feite wordt door de Hoge Raad afgedwongen maatregelen te treffen wat heeft geleid tot een wetswijzing van de vermogensrendementsheffing per 1 januari 2017.

Daarnaast heeft belanghebbende gesteld dat sprake is van strijdigheid met artikel 1 van de Grondwet (het verbod op discriminatie), omdat sprake is van een ongelijke behandeling tussen een spaarder en een belegger. Door het fictieve rendement van 4% wordt steeds (fiscale) druk uitgeoefend op de spaarder om over te stappen naar risicovolle beleggingen. Belanghebbende eist, als gevolg van een onrechtmatig overheidsdaad en het discriminatieverbod als voornoemd, belastingheffing op basis van het werkelijk rendement over het jaar 2016.

2.7. Naar de rechtbank begrijpt, wil belanghebbende dat van de wettelijke bepalingen omtrent de box 3 heffing moet worden afgeweken, omdat deze in strijd zou zijn met artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank stelt vast dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is vastgesteld. De rechtbank overweegt dat de rechter moet rechtspreken volgens de wet en op grond van artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28) niet de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen mag beoordelen.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat in artikel 120 van de Grondwet is opgenomen dat een rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. De rechter is derhalve niet bevoegd om een wet in formele zin te toetsen aan een artikel uit de Grondwet. Nu de Wet inkomstenbelasting 2001 een wet in formele zin is, kan er naar het oordeel van de rechtbank geen toetsing aan artikel 1 van de Grondwet plaatsvinden.

2.8. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de box 3 heffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP), overweegt de rechtbank als volgt. De Hoge Raad heeft zijn arrest van 2 juli 20211 onder meer overwogen dat hetgeen met betrekking tot de jaren 2013 en 2014 in zijn arrest van 4 juni 20192 is beslist ook heeft te gelden met betrekking tot het jaar 2016. In het arrest van 4 juni 2019 is geoordeeld dat in het forfaitaire stelsel van box 3, zoals dat door de wetgever is vormgegeven, voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent niet meer haalbaar was voor belastingplichtigen zonder daar (veel) risico voor te hoeven nemen. Mede gelet op het toepasselijke tarief vormt de box 3 heffing op stelselniveau een schending van artikel 1 EP indien het nominaal zonder (veel) risico's gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager is dan 1,2 procent. Daarnaast overweegt de Hoge Raad dat met een dergelijke schending op stelselniveau een rechtstekort gepaard gaat waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken. Deze keuzes zijn niet voldoende duidelijk uit het stelsel van de wet af te leiden. Dan past de rechter ten opzichte van de wetgever terughoudendheid bij het voorzien in zo'n rechtstekort op stelselniveau. Met al dat wat belanghebbende heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om voor het jaar 2016 alsnog rechtsherstel te bieden. Ook niet naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2021.3 De Hoge Raad heeft in dat arrest expliciet voor het jaar 2017 rechtsherstel geboden. Daarmee is echter niet vast komen te staan dat een dergelijk rechtsherstel ook dient te worden geboden voor de jaren vr 2017.

2.9. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier, op 16 maart 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1 Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047

2 ECLI:NL:HR:2019:816.

3 ECLI:NL:HR:2021:1963.

Datum 20220316