FutD - archief
Print

Nummer fida20221379
Kenmerk Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 januari 2022, nr. BRE20/6428 t/m 20/6432 en 21/55
Titel Hedwigepolder voor normwaarden belast in box 3, maar rechtsherstel in 2017 naar werkelijke
Samenvatting

De inspecteur legde aan de in Zwitserland wonende Belg X aanslagen IB over 2012 tot en met 2017 op naar belastbare inkomens van respectievelijk € 472.130, € 515.041, € 604.749, € 593.520, € 598.496 en € 744.255. Dit betrof uitsluitend uit inkomen uit sparen en beleggen in Nederland, waaronder de in Zeeuws-Vlaanderen gelegen Hertogin Hedwigepolder waarvan X sinds 1997 eigenaar was. De inspecteur had de waarde van de polder bepaald op grond van de jaarlijks bepaalde normwaarden voor landbouwgronden variŽrend van € 9.532.968 (2012) tot € 11.482.138 (2016), en voor 2017 op € 14.000.000. De gronden van de Hedwigepolder bestonden uit cultuurgronden ingericht voor agrarisch gebruik (257 ha waarvan 214 ha verpacht), dijkgronden (5 ha), wegen en laagbeplanting (5 ha), slikken en schorren (14 ha), gronden ingericht voor natuur, bos en water (13 ha), ondergronden en erf van 5 gebouwen (3 ha), gronden en voorzieningen voor polosportveld (7,5 ha) en overige gronden (zoals voormalige buitenhaven en nutsvoorzieningen; 0,5 ha). Op de polder rustte een bankhypotheek van € 2.122.575. In verband met het in 2005 tussen Nederland en het Vlaams Gewest gesloten verdrag met betrekking tot de verdieping van de Westerschelde, deed de Dienst Landelijk Gebied (DLG) diverse biedingen ter vrijwillige verwerving van de gronden van € 14,5 mln in 2007 en € 13,3 mln in 2013 en 2014, maar X wees die biedingen af. Bij Koninklijk Besluit van 14 november 2014 werd de polder aangewezen ter onteigening, en dit besluit werd op 5 januari 2018 door de Hoge Raad bevestigd. X vorderde meteen daarna van de Staat een planschadevergoeding in verband met de wijziging in het bestemmingsplan van de polder. De civiele kamer van Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde de schadevergoeding op 15 april 2020 vast op € 17,5 mln waarvan een kleine € 15 mln werd toegerekend aan de verpachte en onverpachte agrarische gronden. X ging in beroep tegen de aanslagen IB 2012 tot en met 2017 en stelde dat de Hedwigepolder een vrijgesteld natuurterrein was in de zin van artikel 5.7, lid 1, onderdeel b, Wet IB 2001. De box 3-heffing was volgens X bovendien in strijd met artikel 1 EP EVRM. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde voorop dat X buitenlands belastingplichtig was en dat Nederland op grond van de van toepassing zijnde belastingverdragen het heffingsrecht had over in Nederland gelegen onroerende zaken. Vervolgens besliste de Rechtbank dat de Hedwigepolder geen natuurterrein was. De vrijstelling van artikel 5.7, lid 1, onderdeel b, Wet IB 2001 in samenhang met artikel 17 UBIB was niet van toepassing omdat de gronden niet waren aan te merken als type gronden die waren genoemd in de limitatieve opsomming van het UBIB. Daar kwam bij dat aanzienlijke delen van de Hedwigepolder in gebruik waren als landbouwgrond en dat landbouwgronden expliciet waren uitgezonderd van de vrijstelling. Volgens de Rechtbank zouden (delen van) de slikken en schorren (waarde € 70.727) nog wel onder het begrip natuurterreinen kunnen vallen voor zover het geen landbouwgronden waren en konden de percelen bos (waarde € 131.720) onder de vrijstelling van artikel 5.7, lid 1 letter a, Wet IB 2001 vallen, maar de inspecteur had voor de waarde van deze onderdelen een beroep gedaan op interne compensatie, omdat de totale waarde van de overige gronden van de polder volgens de inspecteur tot een te lage waarde in aanmerking waren genomen. De Rechtbank besliste vervolgens dat de inspecteur de waarde van de Hedwigepolder niet te hoog had vastgesteld, omdat de door hem gebruikte normwaarden voor landbouwgronden lager waren dan de biedingen van de DLG die volgens de Rechtbank als uitgangspunt konden worden genomen voor het bepalen van de waarde in het economische verkeer van Hedwigepolder. De Rechtbank verwierp de stelling van X dat rekening moest worden gehouden met een waardedrukkend effect als gevolg van PFAS-vervuiling. X had volgens de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat op hem de verplichting tot sanering van de PFAS-vervuiling rustte, gelet op het bijzondere karakter van de onteigeningsprocedure, het karakter van de vervuiling en het feit de oorzaak daarvan volledig buiten de macht van X lag. De Rechtbank besliste vervolgens dat er geen reden was om met betrekking tot de vermogensrendementsheffing voor 2012 tot en met 2016 op stelselniveau en het al dan niet voorzien in het rechtstekort anders te beslissen dan de Hoge Raad in zijn arresten voor 2013 tot en met 2016 . Dit kwam erop neer dat er geen plaats was voor een ingrijpen van de rechter omdat het niet aan de rechter, maar aan de wetgever was in het rechtstekort op stelselniveau te voorzien. Er was voglesn de Rechtbank geen sprake van een individuele en buitensporige last als gevolg waarvan de heffing strijdig was met artikel 1 EP EVRM, omdat X geen gegevens had verstrekt op basis waarvan de Rechtbank zijn (gehele) financiŽle situatie in ogenschouw kon nemen en daarom niet kon beoordelen of de last van de box 3-heffing zich in het geval van X sterker liet voelen dan in het algemeen en dat daarmee sprake was van een individuele en buitensporige last ten aanzien van de als geheel te beschouwen aanslagen in de onderhavige jaren. De Rechtbank stelde X wel in het gelijk met betrekking tot de aanslag IB 2017 op grond van het Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 . X had volgens de Rechtbank aannemelijk gemaakt dat het werkelijke rendement van de gronden lager was dan het in aanmerking te nemen rendement op grond van de vermogensmix zoals die uit de wet volgde, zodat sprake was van een schending van het recht op eigendom. De Rechtbank bood daarvoor rechtsherstel aan de hand van het werkelijke rendement, en ging daarbij uit van de door X gestelde brutohuuropbrengst van € 164.512 verminderd met de zakelijke lasten (€ 14.079) en beheerskosten (€ 10.285). De Rechtbank liet de door X gestelde juridische kosten van (€ 266.306) buiten beschouwing omdat die de juridische procedures betroffen in verband met de instandhouding en het behoud (van eigendom) van Hedwigepolder. De Rechtbank concludeerde dat de aanslagen over 2012 tot en met 2016 eerder te laag dan te hoog waren vastgesteld, en honoreerde daarom het beroep van de inspecteur op interne compensatie. De Rechtbank verklaarde het beroep met betrekking tot 2017 gegrond en verminderde die aanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 140.148.

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/6428 tot en met 20/6432 en 21/55

uitspraak van 25 januari 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] wonende te [woonplaats 1] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2012 tot en met 2017 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Tegelijkertijd heeft hij bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht. Het gaat om belastingaanslagen en beschikkingen naar de volgende bedragen.

Jaar Aanslagnummer Belastbaar inkomen box 3 Belastingrente
2012 [aanslagnummer] 26.01 € 472.130 € 24.789
2013 [aanslagnummer] 36.01 € 515.041 € 21.998
2014 [aanslagnummer] 46.01 € 604.749 € 18.595
2015 [aanslagnummer] 56.01 € 593.520 € 11.264
2016 [aanslagnummer] 66.01 € 598.496 € 4.197
2017 [aanslagnummer] 76.01 € 744.255 € 18.914

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 tot en met 2016 en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende eenmaal een griffierecht geheven van € 48.

1.4. Met betrekking tot de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 heeft belanghebbende een verzoek tot prorogatie gedaan. De inspecteur heeft ingestemd met dat verzoek. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 48.

1.5. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.6. Belanghebbende heeft vůůr de zitting nadere stukken ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigden
mr. D.G. Barmentlo en mr. drs. A.G. Haasnoot, verbonden aan FT-advocaten te Amsterdam, en ter bijstand vergezeld van [bijstand] en [bijstand 2] , en namens de inspecteur,
[inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende woonde tot (en met) 2015 in [woonplaats 2] en is in dat jaar verhuisd naar [woonplaats 1] .

2.2. Vanaf 26 mei 1997 is belanghebbende eigenaar van de [polder] ( [polder] ). [polder] is gelegen in Zeeuws-Vlaanderen en bestaat uit circa 305 hectare grond. De gronden kunnen als volgt worden onderverdeeld:

Cultuurgronden ingericht voor agrarisch gebruik (waarvan 214 ha verpacht) 257 ha
Dijkgronden 5 ha
Wegen en laagbeplanting 5 ha
Slikken en schorren 14 ha
Gronden ingericht voor natuur, bos en water 13 ha
Ondergronden en erf (van 5 gebouwen) 3 ha
Gronden (en voorzieningen voor polosportveld) 7,5 ha
Overig (zoals voormalige buitenhaven en nutsvoorzieningen) 0,5 ha

2.3. Op [polder] rust een (hypothecaire) lening van de ABN AMRO bank voor een bedrag van € 2.122.575.

2.4. Op 21 december 2005 sluiten het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest het Verdrag "betreffende de uitvoering van de ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium"1 (het Verdrag). Het Verdrag regelt onder andere de verdieping van de Westerschelde. Verder is in het Verdrag voorzien in natuurherstel door in het bijzonder het ontwikkelen van een intergetijdengebied (ontpolderen) in [polder] .

2.5. Naar aanleiding van het Verdrag en met het oog op de uitvoering van de afspraken die daarin zijn vastgelegd heeft de Dienst Landelijk Gebied (DLG) diverse biedingen gedaan aan belanghebbende ter vrijwillige verwerving van de gronden in [polder] . De biedingen zijn telkens door belanghebbende afgewezen. Het gaat om de volgende data en bedragen.

Datum Bieding
26 april 2007 € 14.500.000
19 april 2013 en 6 februari 2014 € 13.260.093

2.6. Bij besluit van 10 februari 2014 hebben de staatssecretaris van Economische Zaken en de minister van Infrastructuur en Milieu het rijksinpassingsplan " [polder] " (het RIP) vastgesteld. Het RIP voorziet in een bestemmingswijziging van [polder] in de bestemming (estuariene) natuur. Ter uitvoering van het RIP zijn uitvoeringsbesluiten genomen waartegen door (onder anderen) belanghebbende beroep is ingesteld. Op 12 november 2014 heeft de Raad van State2 de beroepen ongegrond verklaard.

2.7. Bij Koninklijk Besluit van 14 november 20143 is ten behoeve van de uitvoering van het RIP ten name van de Staat [polder] ter onteigening aangewezen. Het onteigeningbesluit is door de Hoge Raad op 5 januari 20184 bevestigd.

2.8. Op 31 januari 2018 heeft belanghebbende wegens de wijziging in het bestemmingsplan van [polder] , een verzoek tot planschadevergoeding ingediend. De rechtbank heeft bij het bepalen van de door de Staat aan belanghebbende verschuldigde schadeloosstelling in het kader van de onteigening de waarde van [polder] op de peildatum 8 februari 2018 vastgesteld op afgerond € 17.500.000, waarvan een kleine

€ 15.000.000 is toe te rekenen aan de verpachte en onverpachte agrarische gronden.5 In het vonnis is onder meer het volgende vermeld:

"2.25. De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 40a Ow de waarde van het onteigende moet worden bepaald op de prijs, die zonder onteigening op de peildatum bij verkoop in het vrije economische verkeer tot stand zou zijn gekomen. De waarde van het onteigende dient daarbij in beginsel te worden bepaald met inachtneming van onder meer de bestemming, de ligging en de huidige en toekomstige bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van het onteigende."

2.9. De inspecteur heeft aan belanghebbende definitieve aanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 tot en met 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen dat uitsluitend bestaat uit inkomen uit sparen en beleggen in Nederland. Bij het opleggen van de aanslagen is de waarde van [polder] gerekend tot de grondslag sparen en beleggen, waarbij de waarde is bepaald op grond van de zogenoemde jaarlijks bepaalde normwaarden voor landbouwgronden variŽrend van € 9.532.968 (2012) tot € 11.482.138 (2016). Voor het jaar 2017 is de waarde bepaald op € 14.000.000.

3 Geschil

3.1. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

  • Kwalificeren de gronden in [polder] als natuurterreinen in de zin van artikel 5.7, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)?
  • Wat is de waarde van [polder] per peildatum 1 januari in de onderhavige jaren?
  • Is ter zake van de heffing sprake van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 EP)?

3.2. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslagen en vermindering van de beschikkingen belastingrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.0. Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende in alle in geschil zijnde jaren buitenlands belastingplichtig is, dat de van toepassing zijnde belastingverdragen het heffingsrecht over in Nederland gelegen onroerende zaken uitsluitend aan Nederland toewijzen en dat Nederland op grond van nationale wetgeving in beginsel inkomstenbelasting kan heffen over die onroerende zaken. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen.

Is sprake van natuurterreinen?

4.1. Belanghebbende betoogt dat met de totstandkoming van het Verdrag is komen vast te staan dat [polder] een terrein is met een duurzame bestemming als natuurterrein, zodat de vrijstelling voor natuurterreinen van toepassing is en derhalve geen sprake is van een bezitting voor het bepalen van de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet IB 2001. Voor het geval de rechtbank dat standpunt niet volgt, voert belanghebbende aan dat [polder] als natuurterrein dient te worden aangemerkt vanaf 2015 met het definitief worden van het bestemmingsplan in 2014 als gevolg van de uitspraak van de Raad van State (zie 2.6).

4.2. Artikel 5.7 van de Wet IB 2001 luidt – voor zover hier van belang – als volgt.

"1. Tot de bezittingen behoren niet:

a. bossen;

b. natuurterreinen;

(…)

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over hetgeen onder natuurterrein wordt verstaan."

Artikel 17 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (UBIB 2001) bepaalt als volgt.

"Onder natuurterreinen als bedoeld in artikel 5.7 van de wet worden verstaan heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen, voorzover deze terreinen geen landbouwgronden zijn."

4.3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de tekst van artikel 17 UBIB 2001 leidt de rechtbank af dat hier een limitatieve opsomming is gegeven van wat onder natuurterreinen moet worden verstaan. De gronden zijn voor het grootste deel niet aan te merken als de type gronden die in artikel 17 UBIB 2001 worden benoemd. Daar komt bij dat vaststaat dat aanzienlijke delen van [polder] in de onderhavige jaren in gebruik zijn als landbouwgrond en dat landbouwgronden expliciet worden uitgezonderd van het begrip natuurterrein. Dat de bestemming van [polder] met de totstandkoming van het Verdrag of de uitspraak van de Raad van State is gewijzigd maakt dat oordeel niet anders; de gronden in [polder] zijn immers (voor het grootste deel) ook na de bestemmingswijziging niet te kwalificeren onder de in artikel 17 UBIB genoemde type gronden. Ook de door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat ondanks het gebruik van gronden als landbouwgronden geen rendement is behaald vanwege de hoge kosten die gemoeid zijn met het bezit van de gronden, leidt niet tot een ander oordeel.

Voorts merkt de rechtbank op dat mogelijk (delen van) de slikken en schorren (waarde € 70.727), zouden kunnen vallen onder het begrip natuurterreinen voor zover het geen landbouwgronden zijn en dat de percelen bos (waarde € 131.720) vallen onder de vrijstelling van artikel 5.7, lid 1 letter a van de Wet IB 2001. De inspecteur heeft ter zake van de waarde van deze onderdelen van [polder] een beroep gedaan op interne compensatie, omdat volgens de inspecteur de totale waarde van de overige gronden van [polder] tot een te lage waarde in aanmerking zijn genomen. Op dit standpunt zal de rechtbank terugkomen bij de overwegingen over de hierna te behandelen vraag naar de waarde van [polder] .

Waarde Hedwigepolder

4.4. Op grond van artikel 5.19, eerste lid, van de Wet IB 2001 moet de waarde van vermogensbestanddelen (niet zijnde woningen zoals bedoeld in artikel 5.20 van de Wet IB 2001) in aanmerking worden genomen voor de waarde in het economische verkeer (WEV). Deze waarde is gelijk aan de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed. Op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Wet IB 2001 moet de WEV worden vastgesteld naar peildatum 1 januari van het betreffende jaar.

4.5. Belanghebbende voert – in de kern – aan dat voor het bepalen van de WEV aansluiting dient te worden gezocht bij de waardebepaling op basis van de DCF-methode. Bij die waardebepaling dient rekening te worden gehouden met de eindwaarde van de grond als natuurterrein gelet op de omzetting van de bestemming naar estuariene natuur, de daarmee samenhangende beperkte opbrengstmogelijkheden en de beŽindiging van de eigendom of inkomstenmogelijkheden op korte termijn. Anders dan de inspecteur meent kunnen de biedingen van de DLG niet worden aangemerkt als biedingen op de vrije markt die overdraagbaar zijn aan derden, aldus belanghebbende. Ter zitting heeft belanghebbende onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 7 mei 19976 daaraan toegevoegd dat gelet op de informatie met betrekking tot de (buitendijkse) PFAS-vervuiling, er rekening moet worden gehouden met het waardedrukkende effect dat hiervan uitgaat. Belanghebbende heeft namelijk ten aanzien van de vervuiling mogelijk een (juridische) verplichting tot sanering.

De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat hij bij het vaststellen van de aanslagen in ieder geval niet een te hoge waarde heeft toegekend aan [polder] . De door de inspecteur in aanmerking genomen normwaarden voor landbouwgronden liggen namelijk onder de WEV (de biedingen van de DLG). De kans dat de PFAS-vervuiling op belanghebbende zal worden verhaald acht de inspecteur niet aannemelijk dan wel verwaarloosbaar klein.

4.6. De rechtbank stelt voorop dat de DLG ter verwerving van [polder] meerdere biedingen verspreid over meerdere jaren heeft gedaan (zie 2.5). Weliswaar zijn die biedingen als zodanig niet tot stand gekomen onder vrije marktcondities, maar dat doet er niet aan af dat wat marktpartijen bereid zullen zijn te betalen wel mede zal worden beÔnvloed door de biedingen die reeds door de DLG zijn gedaan. Verder acht de rechtbank van belang dat bij de bepaling van de verschuldigde schadeloosstelling in het kader van de onteigening de door de rechtbank toegekende waarde aan [polder] (zie 2.8) per 8 februari 2018 is bepaald op € 17.500.000. Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat die waarde is bepaald op de prijs, die zonder onteigening op de peildatum bij verkoop in het vrije economische verkeer tot stand zou zijn gekomen en, zo volgt uit de uitspraak van de rechtbank, dat die waarde is vastgesteld door deskundigen. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank deze waarde ook als uitgangspunt worden genomen voor het bepalen van de waarde in het economische verkeer van [polder] voor de onderhavige procedure. De door belanghebbende ingebrachte DCF berekening brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Ter zake van de stelling van belanghebbende dat rekening moet worden gehouden met een waardedruk in verband met de PFAS-vervuiling overweegt de rechtbank dat het op belanghebbendes weg ligt aannemelijk te maken dat en tot welk bedrag sprake is van een waardedrukkend effect als gevolg van die vervuiling. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank zijn stelling onvoldoende onderbouwd om aan te nemen dat de verplichting tot sanering van de PFAS-vervuiling op hem rust en zulks aanleiding zou moeten geven tot een lagere waarde op de waardepeildata. Gelet op het bijzondere karakter van de onteigeningsprocedure, het karakter van de vervuiling en de omstandigheid dat de oorzaak daarvan volledig buiten belanghebbendes macht ligt, is het niet aannemelijk dat de sanering voor rekening van belanghebbende komt. Van een waardedrukkend effect is naar het oordeel van de rechtbank dan geen sprake.

Tussenconclusie

4.7. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de door de inspecteur in aanmerking genomen waarde van [polder] voor elk van de in geschil zijnde jaren eerder te laag dan te hoog. Het beroep van de inspecteur op interne compensatie slaagt daarom (zie 4.4).

Strijd met artikel 1 EP?

4.8. Belanghebbende betoogt verder dat de vermogensrendementsheffing in de onderhavige jaren in strijd is met artikel 1 EP. Hij heeft immers in alle jaren – in tegenstelling tot het forfaitaire rendement – een negatief rendement behaald.

Jaren 2012 tot en met 2016

4.8.1. Wat betreft de strijdigheid van de vermogensrendementsheffing op stelselniveau en het al dan niet voorzien in het rechtstekort ziet de rechtbank voor de onderhavige jaren geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen dan de Hoge Raad heeft gedaan in de arresten voor de jaren 2013 tot en met 2016.7 Dit betekent dat voor een ingrijpen van de rechter geen plaats is, omdat het niet aan de rechter, maar aan de wetgever is in het rechtstekort op stelselniveau te voorzien.

4.8.2. De vraag die dan nog beantwoord moet worden is of in belanghebbendes geval ten aanzien van de box 3 heffing in de onderhavige jaren sprake is van een individuele en buitensporige last als gevolg waarvan de heffing strijdig is met artikel 1 EP. Voor de beantwoording van die vraag is beslissend of de last zich voor belanghebbende sterker laat voelen dan in het algemeen en voorts dat de last voor hem buitensporig is. Bij de beoordeling van de vraag of een zodanige individuele en buitensporige last zich voordoet, moeten de gevolgen van de aanslag als geheel beschouwd worden bezien in samenhang met de gehele financiŽle situatie van de betrokkene.8 Daarbij moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen.9

4.8.3. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat – in vergelijking met andere belastingplichtigen – de last van de box 3 heffing zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen en dat daarmee sprake is van een individuele en buitensporige last ten aanzien van de als geheel te beschouwen aanslagen in de onderhavige jaren. Belanghebbende heeft immers geen gegevens verstrekt op basis waarvan de rechtbank zijn (gehele) financiŽle situatie in ogenschouw kan nemen. De rechtbank merkt daarbij op dat belanghebbendes standpunt, dat voor de beoordeling of sprake is van een individueel buitensporige last slechts het Nederlands inkomen wordt meegerekend, berust op een onjuiste rechtsopvatting, gelet op het kader zoals geschetst in 4.8.2.

Jaar 2017

4.8.4. De Hoge Raad heeft in het arrest van 24 december 202110 geoordeeld dat voor degenen die door het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelstel worden geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, dit leidt tot een schending van het recht op eigendom. De Hoge Raad heeft in dat arrest rechtsherstel geboden aan de betreffende belastingplichtige door het werkelijke rendement in de heffing te betrekken.

4.8.5. De rechtbank acht het als uitgangspunt aangewezen om partijen in een situatie als deze, waarin de Hoge Raad een voor de onderhavige zaak relevant arrest wijst, nadat de zitting heeft plaatsgevonden, maar voordat uitspraak is gedaan, in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten. In dit geval zal de rechtbank daar echter niet toe overgaan. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen: (i) het voordeel uit sparen en beleggen is in 2017 enkel bepaald over de waarde van [polder] van € 14.000.000 (er zijn geen andere vermogensbestanddelen of schulden betrokken in de heffing); (ii) beide partijen hebben een standpunt ingenomen met betrekking tot het werkelijke rendement in 2017 van [polder] , (iii) de Hoge Raad heeft de zaak zelf ook afgedaan op basis van wat de desbetreffende belanghebbende in feitelijke aanleg had aangevoerd. De rechtbank ziet verder, voornoemd arrest in aanmerking genomen en de omstandigheid dat de massaalbezwaarprocedure in dit geval niet van toepassing is geweest (vgl. 1.4), in hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 202111 heeft overwogen in het onderhavige geval geen aanleiding om af te zien van een oordeel op stelselniveau.

4.8.6. Belanghebbende heeft gesteld dat de netto opbrengt van [polder] in 2017 negatief is geweest en heeft daaraan de volgende berekening ten grondslag gelegd:

Bruto opbrengst huur € 164.512
Zakelijke lasten € 14.079 (-/-)
Beheer € 10.285 (-/-)
Juridische kosten behouden polder € 266.306 (-/-)
Netto opbrengst € 290.670 (-/-)

4.8.7. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de brutohuur minus kosten jaarlijks gemiddeld € 150.000 tot € 160.000 bedraagt. Dit bedrag moet nog vermeerderd worden met een onbekend bedrag in verband met eigen gebruik. Daarnaast moet volgens de inspecteur rekening worden gehouden met de gemiddelde waardestijging van landbouwgronden in Zeeuws-Vlaanderen, door de inspecteur becijferd op 7,5% per jaar.

4.8.8. Gelet op hetgeen partijen over en weer in het geding hebben gebracht, acht de rechtbank aannemelijk dat het werkelijke rendement van de gronden lager is dan het in aanmerking te nemen rendement op grond van de vermogensmix zoals die uit de wet volgt. Dit leidt tot een schending van het recht op eigendom, waarvoor de rechtbank rechtsherstel zal bieden.

4.8.9. De op rechtsherstel gerichte compensatie dient naar redelijkheid te worden vastgesteld. De rechtbank zal dit doen aan de hand van het werkelijke rendement. De door belanghebbende gestelde juridische kosten dienen naar het oordeel van de rechtbank daarbij buiten beschouwing te worden gelaten, nu die kosten verband houden met juridische procedures van belanghebbende die verband houden met de instandhouding en het behoud (van eigendom) van [polder] . Verder is de rechtbank van oordeel dat ook als bij het bepalen van het werkelijke rendement rekening zou moeten worden gehouden met de waardestijging van de desbetreffende bezitting, dat in dit bijzondere geval van voorgenomen onteigening niet aannemelijk is geworden – met de enkele stelling dat de waardestijging van landbouwgronden in Zeeuws-Vlaanderen 7,5% per jaar is – dat bij de onderhavige bezitting sprake is geweest van een waardestijging in het jaar 2017. Nu de waarde van het eigen gebruik door de inspecteur niet nader is gespecificeerd, zal de rechtbank daaraan voorbij gaan. De rechtbank zal voor de berekening van het werkelijk rendement uitgaan van de door belanghebbende onderbouwd gestelde brutohuuropbrengst verminderd met de zakelijke lasten en beheerskosten, derhalve € 140.148. Dit is lager dan het in de aanslag 2017 in aanmerking genomen fictief rendement van € 744.255. De rechtbank zal derhalve de aanslag 2017 verminderen tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 140.148. Het beroep in zaak 21/55 is gegrond.

Conclusie

4.9. Gelet op het vorenstaande is het beroep met betrekking tot het jaar 2017 gegrond en zijn de overige beroepen ongegrond.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep voor het jaar 2017 redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

Inzake BRE 20/6428 tot en met 20/6432

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Inzake BRE 21/55

De rechtbank:

  • verklaart het (rechtstreeks) beroep gegrond;
  • vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 140.148;
  • vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.518;
  • gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, in aanwezigheid van mr. A. Krishnapillai, griffier, op 25 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De voorzitter,

de uitspraak te ondertekenen>

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1 Trb. 2005, 310.

2 Raad van State 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4074.

3 Stcrt. 2015, 39.

4 Hoge Raad 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:7.

5 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 april 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1885, rov. 2.69.

6 Hoge Raad 7 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2069.

7 Vgl. Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1179 en Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047.

8 Vgl. Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831, r.o. 2.5.2.

9 Vgl. Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047, r.o. 4.3.3.

10 Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.

11 Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047.

Datum 20220125