FutD - archief
Print

Nummer fida20216511
Kenmerk Rechtbank Noord-Holland 25 oktober 2021, nr. HAA 20/4967
Titel PKV voor rechtsbijstand tegen betaalverzuimboete ondanks Corona-uitstel
Samenvatting

Mevrouw X maakte bezwaar tegen een betaalverzuimboete van € 301 die was opgelegd omdat zij een naheffingsaanslag BTW over het vierde kwartaal van 2020 niet had betaald, terwijl haar uitstel van betaling was verleend op grond van het Coronabesluit van 22 april 2020. Zij verzocht daarbij om een proceskostenvergoeding (PKV). De inspecteur verminderde de boete tot nihil en trok het betaalverzuim in. Vervolgens verklaarde de inspecteur het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk en wees het verzoek om een PKV af. Mevrouw X ging in beroep. Rechtbank Noord-Holland was het met mevrouw X eens dat de inspecteur het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk had verklaard. Mevrouw X had in haar bezwaarschrift verzocht om een PKV. De inspecteur had echter geen PKV verleend, maar alleen de boete verminderd naar nihil. Alleen al hierom faalde het standpunt van de inspecteur dat het bezwaar vanwege het (komen te) ontbreken van een belang terecht niet-ontvankelijk was verklaard. De Rechtbank wees hierbij op een arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014. De Rechtbank verwierp vervolgens de stelling van de inspecteur dat het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand en het maken van kosten hiervoor niet redelijk was. Mevrouw X had het recht om bezwaar te maken tegen een aan haar opgelegde boete om zekerheid te verkrijgen dat de boete ook daadwerkelijk zou worden vernietigd. Ondanks dat mevrouw X vanwege een eerder gevoerde procedure waarschijnlijk op de hoogte was geweest van het Coronabesluit waarin de staatssecretaris had toegezegd dat een betaalverzuimboete ambtshalve zou worden vernietigd in gevallen waarin Corona-uitstel was verleend, had zij in redelijkheid kunnen beslissen rechtsbijstand in te schakelen. Een belastingplichtige kwam volgens de Rechtbank een grote mate van vrijheid toe bij de beoordeling of hij zich wenste te laten bijstaan door een professioneel gemachtigde. Bovendien was mevrouw X de Nederlandse taal niet machtig, waardoor het in ieder geval niet onredelijk was om voor het schrijven van een weliswaar eenvoudig bezwaarschrift de bijstand van een professioneel gemachtigde in te roepen. Ook ging het in dit geval, anders dan in de uitspraak van Hof Amsterdam van 18 januari 2018 waarop de inspecteur zich beriep, niet om een zeer gering bedrag. De Rechtbank verklaarde het beroep van mevrouw X gegrond en kende haar een PKV toe voor bezwaar en beroep van in totaal € 880,50.

Tekst

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 21/2472

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: I.L. Brandsma),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Met dagtekening 25 februari 2021 heeft verweerder aan eiseres over het tijdvak

1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 10.045, alsmede bij beschikking een boete wegens niet betalen van € 301.

Eiseres heeft op 26 februari 2021 bezwaar gemaakt tegen de boete en verzocht om toekenning van een kostenvergoeding.

Verweerder heeft bij beschikking van 26 maart 2021 de boete verminderd tot nihil en daarbij aangegeven dat het betaalverzuim is ingetrokken.

Met dagtekening 21 april 2021 heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2021. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. drs. [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is ondernemer voor de omzetbelasting.

2. Eiseres heeft op 25 mei 2020 bijzonder uitstel van betaling (hierna: Corona-uitstel) zoals bedoeld in het 'Besluit noodmaatregelen coronacrisis' van 22 april 2020, nr. 2020-84991 (hierna: het Coronabesluit) aangevraagd voor de naheffingsaanslag omzetbelasting. De ontvanger van de Belastingdienst heeft eiseres bij brief van 29 mei 2020 meegedeeld dat Corona-uitstel wordt verleend.

3. Eiseres heeft op 25 januari 2021 gevraagd om verlenging van het aan haar verleende Corona-uitstel. Dit verzoek is door de ontvanger van de Belastingdienst toegewezen.

4. Eiseres heeft op of omstreeks 25 januari 2021 de aangifte omzetbelasting voor het vierde kwartaal 2020 ingediend, maar niet betaald.

Geschil
5. In geschil is of verweerder het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voorts is in geschil of eiseres recht heeft op een kostenvergoeding voor het door haar gemachtigde ingediende bezwaarschrift tegen de verzuimboete.

6. De gemachtigde van eiseres stelt dat verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard nu aan alle wettelijke vereisten voor het in behandeling nemen van een bezwaar is voldaan. De stelling van verweerder in de uitspraak op bezwaar dat de boete ambtshalve is verminderd en dus niet bij uitspraak op bezwaar, is onjuist nu dit is gebeurd nadat eiseres bezwaar had gemaakt tegen de boete.

De gemachtigde van eiseres stelt dat eiseres terecht een bezwaarschrift heeft laten indienen, omdat zij aan het Coronabesluit op zichzelf geen rechtszekerheid kon ontlenen dat de betaalverzuimboete zou worden vernietigd. Na verloop van de bezwaartermijn zou zij immers geen enkele rechtsingang meer hebben om de Belastingdienst aan de toezegging van de staatssecretaris te houden.

De gemachtigde van eiseres stelt zich, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2010, nr. 09/01089, ECLI:NL:HR:2010:BL8875, op het standpunt dat het niet onredelijk is om alsnog bezwaar in te dienen nadat er een toezegging is gedaan en dat ook in een dergelijk geval een proceskostenvergoeding verschuldigd is.

Voorts stelt de gemachtigde van eiseres zich op het standpunt dat geen betaalverzuimboete opgelegd had mogen worden, omdat zij reeds verlenging van het Corona-uitstel had aangevraagd. Verweerder wist of had dan ook moeten weten dat eiseres van de mogelijkheid van Corona-uitstel gebruik maakte. Dat er een betaalverzuimboete is opgelegd aan eiseres is aan het softwaresysteem van de Belastingdienst te wijten. Het is vaste jurisprudentie dat als er sprake is van door de Belastingdienst ontworpen software, de daaruit voortvloeiende problemen voor rekening van de Belastingdienst komen. Nu er in strijd met de toezegging van de staatssecretaris een boete is opgelegd, is sprake van onrechtmatig handelen van de zijde van verweerder.

De gemachtigde van eiseres stelt dat het door de Belastingdienst ontraden van het maken van bezwaar dient te worden aangemerkt als détournement de procédure, hetgeen verboden is. Ten slotte stelt de gemachtigde dat de door verweerder aangedragen motivering in reeds drie eerdere procedures die hij namens cliënten, waaronder eiseres zelf, heeft gevoerd zijn aangedragen, maar dat de Belastingdienst in die procedures in het kader van een compromis alsnog een kostenvergoeding voor rechtsbijstand heeft toegekend, uitgaande van een half punt voor de bezwaarfase en 2 punten voor de beroepsfase. Gemachtigde heeft daarom met verweerder gemaild om te kijken of voor de onderhavige zaak ook een compromis kon worden gesloten. Verweerder gaf aan bereid te zijn om in het kader van een compromis alsnog een kostenvergoeding toe te kennen, maar onder de voorwaarde dat gemachtigde zou verklaren geen bezwaarschriften voor cliënten meer in te dienen in soortgelijke gevallen en eventuele andere lopende procedures met betrekking tot soortgelijke gevallen in te trekken. Dit is in strijd met het verbod van détournement de pouvoir, aldus de gemachtigde van eiseres.

7. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, gegrondverklaring van het bezwaar en toekenning van een proceskostenvergoeding voor zowel de bezwaar- als de beroepsfase.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, omdat eiseres geen belang had bij het maken van bezwaar nu zij wist dat de boete op grond van het Coronabesluit moest worden geacht niet te zijn opgelegd en na de oplegging ambtshalve zou worden vernietigd, hetgeen ook is gebeurd.

Voor wat betreft het verzoek om kostenvergoeding voor bezwaar stelt verweerder zich primair op het standpunt dat dit verzoek terecht is afgewezen omdat eiseres wist dat het niet nodig was om bezwaar te maken tegen de betaalverzuimboete, gelet op de toezegging van de staatssecretaris dat verzuimboetes opgelegd aan ondernemers die Corona-uitstel hadden gekregen ambtshalve zouden worden vernietigd. De kosten zijn dan ook niet in redelijkheid gemaakt, waarbij verweerder verwijst naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 18 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:96 en de daarin opgenomen jurisprudentie en wetsgeschiedenis. Voorts is het opleggen van de verzuimboete in deze specifieke situatie niet aan te merken als onrechtmatig handelen van verweerder. Nederland had eind 2020, begin 2021 nog steeds te maken met de gevolgen van het coronavirus. De regering heeft op stel en sprong allerlei maatregelen getroffen om het bedrijfsleven door de coronacrisis te helpen. De in het Coronabesluit genomen maatregelen zijn steeds verlengd. Het doel was onder andere om ondernemers zo snel en zo veel mogelijk tegemoet te komen door zonder nader onderzoek uitstel van betaling te verlenen. Ook beoogde de staatssecretaris de administratieve lasten voor ondernemers en de Belastingdienst zo veel mogelijk te beperken door op voorhand toe te zeggen dat als Corona-uitstel werd verleend, eventuele betaalverzuimboetes ambtshalve zouden worden vernietigd. Het is technisch niet mogelijk om het omzetbelastingsysteem zodanig aan te passen dat rekening kan worden gehouden met uitstel van betaling. Er kan pas uitstel van betaling in de systemen van de Belastingdienst worden verwerkt, nadat een naheffingsaanslag is opgelegd. Daarom deed de staatssecretaris op voorhand de toezegging over de betaalverzuimboetes. Er is geen sprake van détournement de procédure, maar van een staatssecretaris die, gegeven de uitzonderlijke omstandigheden, alles in het werk stelt om ondernemers tegemoet te komen. Bovendien is het niet verboden om een bezwaarschrift in te dienen, maar is enkel aangegeven dat het niet nodig is.

In het eerdere geval waarin een compromis is gesloten met eiseres, is een kostenvergoeding toegekend omdat er destijds ook na een ingebrekestelling geen uitspraak op bezwaar was gedaan, en het voor eiseres de eerste keer was dat zij te maken had met Corona-uitstel, zodat verweerder zich kon voorstellen dat er enig onzekerheid bestond over het ambtshalve vernietigen van de boete. In het onderhavige geval is hiervan geen sprake.

Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat indien eiseres toch recht heeft op een kostenvergoeding, voor de bezwaarfase kan worden volstaan met het toekennen van een forfaitaire kostenvergoeding van maximaal een half punt, aangezien het een zeer eenvoudig bezwaarschrift betrof dat enkel was ingediend door eiseres om haar rechten omtrent de toegezegde vernietiging van de verzuimboete veilig te stellen. Ook voor het beroep heeft eiseres recht op een proceskostenvergoeding uitgaande van maximaal een half punt voor het gewicht van de zaak, aangezien het een zeer eenvoudig beroepschrift betreft dat uitsluitend betrekking heeft op de kostenvergoeding in de bezwaarfase.

9. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar

10. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

"3.4.2. Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Indien het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is."

11. Eiseres heeft in het bezwaarschrift verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar. Verweerder heeft geen vergoeding van die kosten verleend, maar alleen de boete verminderd naar nihil. Reeds hierom faalt het standpunt van verweerder dat het bezwaar vanwege het (komen te) ontbreken van een belang terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en de uitspraak op bezwaar worden vernietigd.

Kostenvergoeding

12. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende en voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiseres gemaakte kosten in verband met rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat deze kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt gelet op de toezegging van de staatssecretaris in het Coronabesluit dat de verzuimboete ambtshalve zou worden vernietigd. Verweerder heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 18 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:96, en de daarin opgenomen jurisprudentie en wetsgeschiedenis. In deze uitspraak is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

"3.2. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening gerechtelijke organisatie), blijkt dat met de woorden 'redelijkerwijs heeft moeten maken' tot uitdrukking is gebracht dat niet slechts de kosten zelf redelijk moeten zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn geweest (Kamerstukken II, 1991-92, 22495, nr. 3, pag. 154).

3.3. Het hoger beroep wordt alleen gegrond verklaard omdat het Hof een kennelijke en evidente vergissing van de rechtbank corrigeert. Die vergissing betreft een bedrag van één euro, hetgeen zowel absoluut als relatief (ten opzichte van het geheven bedrag aan griffierecht) een zeer gering bedrag is. Naar het oordeel van het Hof is het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand en in dit verband maken van kosten in dat geval niet redelijk."

14. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat in het onderhavige geval het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand en in dit verband maken van kosten niet redelijk is. Eiseres heeft recht om bezwaar te maken tegen een aan haar opgelegde boete om zekerheid te verkrijgen dat de boete ook daadwerkelijk zal worden vernietigd. Ondanks het feit dat eiseres, gelet op de procedure die zij over een eerder tijdvak heeft gevoerd, waarvoor een compromis is gesloten, op de hoogte zal zijn geweest van het Coronabesluit waarin door de staatssecretaris is toegezegd dat een betaalverzuimboete ambtshalve zal worden vernietigd in gevallen waarin Corona-uitstel is verleend, heeft eiseres in redelijkheid kunnen beslissen rechtsbijstand in te schakelen. Een belastingplichtige komt een grote mate van vrijheid toe bij de beoordeling of hij zich wenst te laten bijstaan door een professioneel gemachtigde. Hier komt bij dat eiseres, zoals de gemachtigde heeft gesteld, de Nederlandse taal niet machtig is, waardoor het in ieder geval niet onredelijk is om voor het schrijven van een weliswaar eenvoudig bezwaarschrift de bijstand van een professioneel gemachtigde in te roepen. Ten slotte ging het in het onderhavige geval, anders dan bijvoorbeeld in het geval dat voorlag bij het Gerechtshof Amsterdam, niet om een zeer gering bedrag.

15. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de door eiseres gemaakte kosten in verband met rechtsbijstand in bezwaar niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat in deze specifieke situatie geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen van zijn kant. De rechtbank volgt verweerder hierin niet, en overweegt daartoe als volgt. Gelet op het feit dat aan eiseres Corona-uitstel was verleend, had geen boete mogen worden opgelegd. De omstandigheid dat het technisch niet mogelijk is om het softwaresysteem van de Belastingdienst aan te passen, waardoor er pas uitstel van betaling in het systeem kan worden verwerkt nadat een naheffingsaanslag met boete is opgelegd, is voor rekening en risico van verweerder. De omstandigheid dat het softwaresysteem waar verweerder mee werkt dusdanig verouderd is dat aanpassing hiervan niet mogelijk is, kan ook niet worden aangemerkt als overmacht waardoor van onrechtmatig handelen van verweerder geen sprake zou zijn. Dat de situatie samenhing met de corona-crisis maakt ook niet dat sprake was van een dergelijke overmacht-situatie. Voorop blijft staan dat de problemen die de Belastingdienst ervaart door de massaliteit van de heffing en de verouderde computersystemen voor rekening van verweerder komen. Ten slotte maakt ook de omstandigheid dat er reeds door de staatssecretaris was toegezegd dat dergelijke boetes ambtshalve zouden worden vernietigd niet dat van onrechtmatig handelen van verweerder geen sprake zou zijn.

16. Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder ten onrechte geen vergoeding voor kosten van bezwaar toegekend. Er zal er alsnog een (proces)kostenvergoeding voor zowel de bezwaar- als de beroepsfase worden toegekend aan eiseres.

17. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep, behoeven de grieven van eiseres dat sprake zou zijn schending van het verbod van détournement de procédure en het verbod van détournement de pouvoir geen bespreking.

Proceskosten

18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Verweerder heeft gesteld dat een wegingsfactor van 0,5 voor bezwaar en beroep geldt, gezien de beperkte omvang van het bezwaar en omdat het in beroep alleen om de proceskosten gaat. Hiermee heeft de gemachtigde van eiseres, mede gelet op het beleid van de rechtbank op dit punt, ingestemd. Gelet hierop zal worden uitgegaan van een wegingsfactor van 0,5 voor de zwaarte van de zaak. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 880,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart het bezwaar gegrond en vermindert de boete tot nihil overeenkomstig de beschikking van 26 maart 2021;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 880,50;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Datum 20211025