FutD - archief
Print

Nummer fida20216024
Kenmerk Rechtbank Den Haag 15 oktober 2021, nr. SGR 21/149
Titel Belastingaangiften partner geen verplichtingen voor TOZO-lening
Samenvatting

Ondernemer X en zijn partner mevrouw Y gingen in beroep tegen de afwijzing van hun verzoek om een lening voor bedrijfskapitaal van € 10.157 op grond van de TOZO-regeling. De gemeente had dat verzoek afgewezen omdat niet was voldaan aan de vereisten van artikel 10 TOZO, op grond waarvan een zelfstandige aannemelijk moest maken dat hij als gevolg van de crisis onvoldoende direct beschikbare geldmiddelen had om aan de financiŽle verplichtingen verbonden aan diens bedrijf of zelfstandig beroep te kunnen voldoen. X en mevrouw Y vroegen tot tweemaal toe om een voorlopige voorziening maar Rechtbank Den Haag wees die verzoeken af omdat op grond van artikel 13 TOZO een voorschot in de vorm van een lening niet mogelijk was. De Rechtbank heeft hen nu ook in de bodemzaak in het ongelijk gesteld. Volgens de Rechtbank had de gemeente terecht de door de partners opgegeven financiŽle verplichtingen afgewezen omdat de verplichtingen ůf geen betrekking hadden op de betreffende periode ůf niet onder artikel 10 TOZO vielen. De verstrekte belastingaanslagen zagen niet op de betreffende periode of waren geen financiŽle verplichtingen verbonden aan het bedrijf van X. De Rechtbank verwierp ook de stelling van X dat hij en mevrouw Y fiscaal partners waren en dat mevrouw Y daarom aan de onderneming was verbonden. De TOZO-regeling voorzag in een lening in situaties waarin de aanvrager de aan het bedrijf of zelfstandig beroep verbonden financiŽle verplichtingen niet kon voldoen. Fiscaal partnerschap betekende niet zonder meer dat aanslagen op naam van mevrouw Y een financiŽle verplichting waren, verbonden aan het bedrijf van X. Omdat mevrouw Y niet in het bedrijf van X werkzaam was en ook niet anderszins aan het bedrijf van X was verbonden, konden de overgelegde rekeningen die op haar naam stonden niet aan het bedrijf worden toegeschreven.

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/149

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiser] (eiser),

[eiseres] (eiseres),

te [woonplaats] , tezamen: eisers,

(gemachtigde: mr. E.S. Tršger),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder

(gemachtigde: V. Brand).

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om een lening voor bedrijfskapitaal op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo-regeling) afgewezen.

Bij besluit van 4 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens zijn nadere stukken ontvangen van de zijde van eisers op 18 maart 2021.

Het onderzoek ter zitting heeft via skype plaatsgevonden op 1 juni 2021. Aan die zitting hebben deelgenomen eiser, zijn gemachtigde en V. Brand namens verweerder. Het onderzoek ter zitting is geschorst voor schikkingsonderhandelingen. Vervolgens zijn stukken ontvangen van verweerder op 18 juni 2021 en van de zijde van eisers op 1 juli 2021. De zaak is opnieuw op zitting behandeld via skype op 20 augustus 2021. Eiser heeft daaraan deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder heeft [A 2] aan de zitting deelgenomen. Daarna is het onderzoek gesloten. De termijn voor het doen van uitspraak is (met ťťn week) verlengd tot heden.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van de (per 1 augustus 2017 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven) eenmanszaak [eenmanszaak] . Eiseres is zijn partner.

2. Op 28 mei 2020 heeft eiser een lening voor bedrijfskapitaal van € 10.157,- op grond van de Tozo-regeling (Tozo 1) aangevraagd (hierna: de aanvraag). In een brief van

31 juli 2020 heeft eiser verweerder desgevraagd een opsomming gegeven van onder meer betaalde zakelijke vaste lasten in de periode van maart tot en met mei 2020.

3. De aanvraag is bij het primaire besluit afgewezen, omdat niet is voldaan aan artikel 10 van de Tozo-regeling. Eisers hebben tegen dat besluit bezwaar gemaakt en tevens gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is bij uitspraak van

15 oktober 2020 (SGR 20/5911) afgewezen, omdat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de aanvraag niet ziet op lopende financiŽle verplichtingen verbonden aan het bedrijf van eiser, zodat niet aan artikel 10 van de Tozo-regeling is voldaan.

4. Bij het bestreden besluit is het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van lopende financiŽle verplichtingen, verbonden aan het bedrijf van eiser. Het subsidiaire standpunt van verweerder is dat geen sprake is van liquiditeitsproblemen die het gevolg zijn van de coronacrisis.

5. Een tweede verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 15 februari 2021 (SGR 21/170) afgewezen, omdat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter uit artikel 13 van de Tozo-regeling volgt dat een voorschot in de vorm van een lening niet mogelijk is.

6. Ter zitting van 1 juni 2021 heeft verweerder gemeld het in het bestreden besluit vermelde subsidiaire standpunt niet langer te handhaven. Na schorsing van het onderzoek ter zitting hebben eisers verweerder nieuwe stukken toegezonden, waarna tussen partijen overleg is gevoerd. Verweerder heeft de rechtbank op 18 juni 2021 gemeld dat geen schikking is bereikt en heeft de rechtbank gevraagd om uitspraak te doen. De schikkingsonderhandelingen zijn aanleiding geweest voor verweerder om het bestreden besluit van 4 december 2020 (hierna verder: bestreden besluit I) te vervangen door het besluit van 18 juni 2021 (hierna: bestreden besluit II). Verweerder stelt zich in dat besluit op het standpunt dat op grond van de nieuwe stukken een lening voor bedrijfskapitaal van maximaal € 524,- kan worden toegekend. Eisers hebben dat besluit gemotiveerd bestreden.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Bestreden besluit I (afwijzing) is vervangen door bestreden besluit II (toekenning), waarbij niet geheel is tegemoetgekomen aan het bezwaar van eisers. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit II en dit besluit zal dan ook in deze procedure worden betrokken. Er resteert geen rechtens relevant belang bij beoordeling van de gronden die zijn gericht tegen bestreden besluit I. De gevraagde vergoeding van proceskosten levert immers geen belang op omdat proceskosten ook bij een niet-ontvankelijk of ongegrond beroep voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Ook overigens is niet gebleken van een reden om procesbelang bij beoordeling van bestreden besluit I aan te nemen. Gesteld noch gebleken is dat vergoeding van schade is of zal worden gevraagd. Dit betekent dat uitsluitend de gronden die zijn gericht tegen bestreden besluit II zullen worden beoordeeld. Bestreden besluit I wordt met het nemen van bestreden besluit II geacht te zijn ingetrokken. Het beroep tegen bestreden besluit I zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De gronden die gericht zijn tegen bestreden besluit II worden hierna (vanaf overweging 13) besproken.

8. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Tozo-regeling kan bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend aan een zelfstandige die schriftelijk verklaart en aannemelijk maakt dat hij als gevolg van de crisis onvoldoende direct beschikbare geldmiddelen heeft om aan de financiŽle verplichtingen verbonden aan diens bedrijf of zelfstandig beroep te kunnen voldoen.

9. Uit artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Tozo-regeling volgt dat nu de aanvraag vůůr 1 juni 2020 is ingediend, deze wordt geacht te zijn ingediend op

1 maart 2020. De in geding zijnde periode loopt derhalve van 1 maart 2020 tot en met

31 mei 2020 (Tozo I).

10. In de Nota van Toelichting (Staatsblad 2020, 118) bij de Tozo-regeling is onder meer vermeld dat zelfstandigen die als gevolg van de coronacrisis worden geconfronteerd met een liquiditeitsprobleem een beroep kunnen doen op bijstand ter voorziening

in de behoefte aan bedrijfskapitaal en dat een liquiditeitsprobleem betekent dat de zelfstandige (tijdelijk) over onvoldoende direct beschikbare geldmiddelen beschikt om aan de aan het bedrijf of zelfstandig beroep verbonden financiŽle verplichtingen te kunnen voldoen. De zelfstandige geeft bij de aanvraag aan waaruit het liquiditeitsprobleem bestaat en licht dit toe, geeft aan welke financiŽle verplichtingen er nu zijn, welke middelen nog wel beschikbaar zijn om daaraan te voldoen en welke invloed de crisis hierop heeft gehad.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een bedrag van maximaal € 524,- kan worden verstrekt aan een lening voor bedrijfskapitaal. Vaststaat dat de in de onder 2 bedoelde brief genoemde lasten een opsomming betreft van reeds voldane lasten. Daarom is ten aanzien van die lasten niet aannemelijk gemaakt dat er onvoldoende financiŽle middelen waren om aan de betalingsverplichtingen verbonden aan deze zakelijke lasten te voldoen en zijn die kosten reeds daarom niet toewijsbaar. Van de door eiser na de zitting van 1 juni 2021 overgelegde stukken, is volgens verweerder alleen ťťn derde van de huur- en energiekosten (van € 524,-) toewijsbaar. Verweerder baseert dat op de verklaring van de boekhouder van eiser dat huur- en energiekosten voor maximaal een derde kunnen worden toegerekend aan het bedrijf van eiser, dat vanuit huis wordt uitgeoefend.

12. De overige - hierna te noemen - door eisers opgegeven financiŽle verplichtingen in die stukken acht verweerder niet toewijsbaar omdat deze verplichtingen niet zien op de in geding zijnde periode (1 t/m 5) dan wel omdat ze niet onder artikel 10 van de Tozo-regeling vallen (6 en 7):

1. een factuur voor de bijdrage Zorgverzekeringswet van € 2.938,-, gedateerd 5 augustus 2020;

2. een aanslag Inkomstenbelasting van € 25.702,-, gedateerd 5 augustus 2021;

3. de huur van februari 2020;

4. een aanslag inkomstenbelasting over 2017 van € 3.700,-, gedateerd 30 juni 2020;

5. een polis van ABN Amro van 22 september 2020.

6. een aanslag inkomstenbelasting van € 1.044,-, gedateerd 18 maart 2020, die op naam staat van eiseres en derhalve geen financiŽle verplichting is die is verbonden aan de door eiser gedreven eenmanszaak;

7. een factuur voor premie van de zorgverzekering van april 2020, gedateerd 13 april 2020, die op naam van eiseres staat en derhalve niet een aan het bedrijf van eiser verbonden financiŽle verplichting betreft.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met de hiervoor onder 12 genoemde motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de daar genoemde posten niet voor verlening van bijstand in de vorm van een lening voor bedrijfskapitaal in aanmerking kunnen komen.

14. Eisers hebben aangevoerd dat de belastingaanslagen wel degelijk onder artikel 10 van de Tozo-regeling vallen. Die grond slaagt echter niet. De overgelegde belastingaanslagen zien immers niet op de hier relevante periode dan wel zijn geen financiŽle verplichtingen verbonden aan het bedrijf van eiser. De stelling van eiser ter zitting dat eisers fiscaal partner zijn en dat eiseres om die reden aan de onderneming is verbonden, kan eisers niet baten. De Tozo-regeling voorziet in een lening in situaties waarin de aanvrager de aan het bedrijf of zelfstandig beroep verbonden financiŽle verplichtingen niet kan voldoen. Fiscaal partnerschap betekent niet zonder meer dat aanslagen op naam van eiseres een financiŽle verplichting zijn, verbonden aan het bedrijf van eiser. Nu niet is gebleken dat eiseres in het bedrijf van eiser werkzaam is of dat zij anderszins aan het bedrijf van eiser is verbonden, kunnen de overgelegde rekeningen die op haar naam staan niet aan het bedrijf worden toegeschreven.

15. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat kosten van huur, energie en gemeentebelastingen uit de uitkering voor levensonderhoud moet worden voldaan. De rechtbank overweegt daaromtrent dat die grond faalt nu verweerder de kosten voor huur en energie - voor zover die vallen in de relevante periode (Tozo 1) en voor zover die zijn toe te schrijven aan het bedrijf van eiser - wel degelijk voor vergoeding in aanmerking laat komen.

16. Eisers hebben voorts aangevoerd dat verweerder het beginsel van reformatio in peius heeft geschonden door aanvankelijk een bedrag van € 1.367,88 toewijsbaar te achten. De rechtbank overweegt daaromtrent dat de enkele vermelding van dit bedrag als maximaal toewijsbaar bedrag in het voorstel tot afwijzing van de aanvraag van 19 augustus 2020, niet maakt dat eisers recht hebben op dat bedrag, reeds omdat de gegevens over de zakelijke lasten nadien zijn geactualiseerd. Bovendien heeft verweerder geen rechtsgevolg verbonden aan het in het stuk van 19 augustus 2020 genoemde bedrag.

17. Geconcludeerd wordt dat eisers het standpunt van verweerder in bestreden besluit II en de hoogte van het daarin genoemde bedrag onvoldoende hebben betwist. Voor toekenning van een hoger bedrag biedt het dossier geen grond.

18. Nu de aangevoerde gronden falen is het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond.

19. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Er is geen sprake van een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan is te wijten. Verweerder heeft immers in bestreden besluit II op grond van nieuwe, in beroep overgelegde informatie beslist. Dat verweerder op de zitting van 1 juni 2021 de subsidiaire grondslag van bestreden besluit I heeft laten vallen, maakt - anders dan eisers aanvoeren - niet dat om die reden een proceskostenveroordeling zou moeten worden uitgesproken. Immers kan niet worden vastgesteld dat het bestreden besluit I voor zover dat was gebaseerd op de primaire grondslag, onrechtmatig was. Niet in geschil is dat de in de onder 2 bedoelde brief genoemde lasten een opsomming van reeds voldane lasten betreft. Daarom is ten aanzien van die lasten niet aannemelijk gemaakt dat er onvoldoende financiŽle middelen waren om aan de betalingsverplichtingen verbonden aan deze zakelijke lasten te voldoen en vallen die kosten reeds daarom niet onder artikel 10 van de Tozo-regeling.

20. Omdat verweerder bij bestreden besluit II het (maximaal) te verstrekken bedrag wegens een lening voor bedrijfskapitaal heeft vastgesteld op € 524,- en ter zitting heeft toegezegd dit bedrag te zullen vermeerderen met een derde van de huur van de maand april 2020, is er geen aanleiding voor de rechtbank om - zoals door verweerder is verzocht - dit bedrag zelf voorziend toe te kennen. Verweerder kan op basis van bestreden besluit II tot verstrekking van het daarin toegekende bedrag overgaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Datum 20211015