FutD - archief
Print

Nummer fida20213546
Kenmerk Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 juni 2021, nr. BRE21/553 t/m 21/556
Titel Termijnoverschrijding ondanks Coronabesmetting niet verschoonbaar
Samenvatting

X en Y gingen in beroep tegen navorderingsaanslagen IB. Hun beroepschriften kwamen op 3 februari 2021 binnen bij de griffie van de Rechtbank, terwijl de beroepstermijn al op 26 januari 2021 was geŽindigd. Op vragen naar de reden van de termijnoverschrijding antwoordden X en Y dat ze Corona hadden gehad, wat invloed kon hebben op de vertraging. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat X en Y zelf verantwoordelijk waren voor het tijdig indienen van een beroepschrift. De Rechtbank had begrip voor de uitzonderlijke omstandigheden in verband met het Coronavirus, maar het ging erom of ze redelijkerwijs niet in staat waren geweest tijdig een beroepschrift in te dienen. X en Y hadden volgens de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake was geweest; daarvoor was de stelling dat Corona invloed kon hebben gehad op de vertraging niet voldoende. De Rechtbank vond het ook niet aannemelijk dat het beroep direct na ontvangst van de uitspraken op bezwaar was ingesteld. X en Y hadden de uitspraken op bezwaar ontvangen op 16 december 2000 en uit het poststempel op de enveloppe van het beroepschrift bleek dat deze op 2 februari 2021 ter post waren bezorgd. De termijnoverschrijding was niet verschoonbaar. De Rechtbank verklaarde het beroep van X en Y kennelijk niet-ontvankelijk.

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 21/553 tot en met 21/556

uitspraak van 25 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Motivering

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende de uitspraken op bezwaar tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen met aanslagnummers [aanslagnummer] .H.37.01, [aanslagnummer] .H.47.01, [aanslagnummer] .H.57.01 en [aanslagnummer] .H.67.01 en de bij beschikkingen opgelegde boetes.

De uitspraken op bezwaar hebben als dagtekening 14 december 2020. De inspecteur stelt dat verzending heeft plaatsgevonden op 15 december 2020. De inspecteur heeft bij zijn brief met dagtekening 21 april 2021 een uitdraai van PostNL bijgevoegd. Hieruit blijkt dat een poststuk dat aangetekend verstuurd is aan belanghebbende, door belanghebbende ontvangen is op 16 december. Belanghebbende heeft niet gesteld wanneer hij de uitspraken op bezwaar ontvangen zou hebben of dat deze uitdraai van PostNL om een ander poststuk zou gaan. De rechtbank acht het derhalve aannemelijk dat de uitspraken op bezwaar op 15 december 2020 zijn verzonden en belanghebbende de uitspraken op bezwaar op 16 december 2020 ontvangen heeft.

De wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn eindigde in dit geval op 26 januari 2021, zes weken na de verzending van de uitspraken op bezwaar. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ook is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Het beroepschrift is op 3 februari 2021 bij de rechtbank ontvangen. Het beroepschrift is daarom niet-tijdig ingediend.

De beroepstermijn is van openbare orde. Dit betekent dat bij een termijnoverschrijding een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Dat is alleen anders indien "redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest", oftewel indien de termijnoverschrijding 'verschoonbaar' is.

De griffier heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de reden voor de termijnoverschrijding. Belanghebbende stelt hiertoe dat hij direct na ontvangst van de brief van de belastingdienst beroep aangetekend heeft. Daarnaast schrijft belanghebbende in zijn brief met dagtekening 28 april 2021 dat hij in deze periode ook geveld is door Corona, wat invloed kan hebben op de vertraging. Tot slot stelt belanghebbende dat de belastingdienst ook een vertragende factor is.

De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende de bewijslast rust. Hij dient aldus aannemelijk te maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank ziet in de door belanghebbende aangevoerde redenen geen aanleiding om niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Belanghebbende is zelf verantwoordelijk is voor het tijdig indienen van een beroepschrift. De rechtbank heeft begrip voor de uitzonderlijke omstandigheden in verband met het Coronavirus, maar het gaat erom of belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig een beroepschrift in te dienen. Door belanghebbende is niet aannemelijk gemaakt dat hij hiertoe niet in staat is geweest; daarvoor is zijn stelling dat Corona invloed kan hebben gehad op de vertraging niet voldoende.

Belanghebbende stelt verder dat hij direct na ontvangst van de uitspraken op bezwaar zijn beroep heeft ingesteld. Uit de poststempel op de enveloppe waarin het beroepschrift is ingediend blijkt dat deze op 2 februari 2021 ter post is bezorgd. De rechtbank acht het daarom tevens niet aannemelijk dat belanghebbende het beroep direct na ontvangst van de uitspraken op bezwaar heeft ingesteld. De termijnoverschrijding is naar het oordeel van de rechtbank niet verschoonbaar.

Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat hoe de procedure van belanghebbende is verlopen tot aan de uitspraken op bezwaar niet van belang is bij het beoordelen van de tijdigheid van het beroep. De stelling van belanghebbende dat de belastingdienst ook een vertragende factor is, leidt daarom niet tot een ander oordeel.

De beroepen zijn daarom, gelet op de artikelen 6:7 tot en met 6:11 van de Awb, kennelijk niet-ontvankelijk.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

2 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 25 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Datum 20210625