FutD - archief
Print

Nummer fida20213184
Kenmerk College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 mei 2021, nr. 20/864
Titel Raamprostitutiebedrijf ondanks ontbreken passende SBI-code geen TOGS
Samenvatting

BV X stond op 15 maart 2020 in het handelsregister van de KvK ingeschreven met SBI-code 68.20.4 (verhuur van onroerend goed, niet woonruimte) en als bedrijfsomschrijving kamerverhuurbedrijf. BV X diende een Melding niet-aansluitende SBI-code in en vroeg om een TOGS-uitkering, maar de RVO wees de aanvraag af. BV X ging in beroep en stelde dat zij een seksinrichting voor raamprostitutie exploiteerde, maar daarvoor bestond geen SBI-code. Volgens BV X was sprake van bijzondere omstandigheden. Het CBB was het daar niet mee eens. Niet de feitelijke activiteiten, maar wat op de peildatum was geregistreerd in het handelsregister was leidend. De bedrijfsomschrijving van BV X zoals die op de peildatum was geregistreerd, bood ook geen aanknopingspunten voor een daarbij passende SBI-code die wel voor TOGS in aanmerking kwam. Ook bij het ontbreken van een SBI-code voor haar soort seksinrichting, zoals BV X stelde, bleek uit de bedrijfsomschrijving niet dat BV X een seksinrichting voor raamprostitutie exploiteerde. De RVO had zijn beleid consistent toegepast en het CBB was het ook met de RVO eens dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de beleidsregel rechtvaardigden. Het CBB verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Tekst

uitspraak

https://uitspraken.rechtspraak.nl/image/?id=dc32eec7-bf03-4ac5-8da2-7944a58b15ac https://uitspraken.rechtspraak.nl/image/?id=16dea928-d6fc-464a-b05b-cc43c0f52579

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/864

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2021 in de zaak tussen

[naam BV] , te [plaats] , appellante

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: E.L. Schoonman-Duineveld).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van een door appellante ingediende Melding niet-aansluitende SBI-code geweigerd appellante een tegemoetkoming te verstrekken op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (Beleidsregel).

Bij besluit van 25 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling ter zitting, waarna het College het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

Aanleiding van deze procedure

1. Appellante heeft een Melding niet-aansluitende SBI-code ingediend.

2. Over de onderneming waren op 15 maart 2020 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) de SBI-code 47.91.4 (Detailhandel via internet in kleding en modeartikelen) en de SBI-code 68.20.4 (Verhuur van onroerend goed (niet van woonruimte)) opgenomen, en als bedrijfsomschrijving 'De detailhandel in dames- en herenkleding en aanverwante artikelen alsmede kamerverhuurbedrijf'.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de omschrijving van de werkzaamheden zoals die op 15 maart 2020 in het handelsregister stond bepalend is. Uit de bedrijfsomschrijving blijkt volgens verweerder niet dat appellante een seksbedrijf heeft, zodat niet tegemoet wordt gekomen aan het verzoek van appellante om uit te gaan van de SBI-code 96.09 (Overige dienstverlening (rest)). Verweerder is uitgegaan van de SBI-code 68.20.4. Deze code is volgens verweerder terecht niet in de Beleidsregel opgenomen. Verweerder heeft tenslotte overwogen dat niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden, waardoor hij zou moeten afwijken van de Beleidsregel.

Standpunt appellante

4. Appellante voert aan dat wel sprake is van bijzondere omstandigheden die er toe leiden dat moet worden afgeweken van de Beleidsregel. Appellante stelt dat zij een seksinrichting voor raamprostitutie exploiteert. Hiervoor bestaat geen SBI-code. Appellante is getroffen door de Covid-19 maatregelen omdat zij verplicht moest sluiten van 15 maart tot en met 30 juni 2020. Ter onderbouwing heeft appellante vergunningen voor exploitatie van 2019-2020 en 2020-2021 en een brief van de gemeente Den Haag betreffende heropening van seksinrichtingen per 1 juli overgelegd. Appellante stelt dat zij omzetverlies heeft geleden en geen invloed heeft op de SBI codes die aangemaakt worden bij de KvK. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met deze omstandigheden.

Beoordeling door het College

5. Het College heeft verschillende uitspraken gedaan over de Beleidsregel. Het College verwijst naar de uitspraken van 22 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:992, ECLI:NL:CBB:2020:993, ECLI:NL:CBB:2020:994 en ECLI:NL:CBB:2020:995). Daarin is onder meer opgenomen dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit houdt in dat de rechter alleen kan toetsen of het beleid op consistente wijze is toegepast.

6. Net als in genoemde uitspraken heeft verweerder zijn beleid in dit geval op consistente wijze toegepast. Niet de feitelijke activiteiten, maar hetgeen op de peildatum is geregistreerd in het handelsregister is leidend. De ondernemer is verantwoordelijk voor een juiste inschrijving in het handelsregister. In het geval van appellante heeft verweerder de aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de Beleidsregel dan ook terecht afgewezen omdat de SBI-code waaronder appellante op 15 maart 2020 was geregistreerd, niet is vermeld in Bijlage 1.

7. Bij toepassing van de Beleidsregel toetst verweerder ook of de bedrijfsomschrijving, zoals die op de peildatum was geregistreerd, aanknopingspunten biedt voor een daarbij passende SBI-code die wel op de lijst in die Bijlage is vermeld. Verweerder heeft terecht geconstateerd dat daar in dit geval geen sprake van is. Ook bij het ontbreken van een SBI-code voor haar soort seksinrichting, zoals appellante stelt, blijkt uit de bedrijfsomschrijving op geen enkele wijze dat appellante een seksinrichting voor raamprostitutie exploiteert, zodat ook de bedrijfsomschrijving voor verweerder geen aanleiding had moeten zijn om uit te gaan van een andere SBI-code dan hij heeft gedaan. Ook in zoverre heeft verweerder zijn beleid consistent toegepast.

8. Het College volgt verweerder in het standpunt dat geen sprake is van (andere) bijzondere omstandigheden die een afwijking van de Beleidsregel rechtvaardigen.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van C.S. Carella, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. C.S. Carella

Datum 20210525