FutD - archief
Print

Nummer fida20213051
Kenmerk Gerechtshof Den Haag 29 april 2021, nr. BK20/00714 t/m 20/00716
Titel Vakantie en COVID-19 geen redenen voor uitstel zitting
Samenvatting

X ging in beroep tegen drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting en stelde dat niet duidelijk was dat op de bewuste parkeerplaats parkeerbelasting moest worden betaald. Rechtbank Den Haag besliste echter dat de gemeente aannemelijk had gemaakt dat voldoende kenbaar was dat op de parkeerlocatie sprake was van betaald parkeren en handhaafde de naheffingsaanslagen. X ging in hoger beroep en stelde dat hij ernstig in zijn belangen was geschaad omdat de Rechtbank zijn zaken op de zitting had behandeld zonder dat hij of zijn gemachtigde daarbij aanwezig waren. De gemachtigde had door de vakantieperiode en COVID 19 pas op 6 augustus 2020 vernomen dat de zitting was geagendeerd op 26 augustus 2020, maar de Rechtbank had geen gehoor gegeven aan een verzoek om uitstel. Hof Den Haag besliste dat de Rechtbank het verzoek om uitstel had mogen afwijzen. Uit de uitspraak van de Rechtbank volgde dat de uitnodiging voor de zitting tijdig, op 8 juli 2020, en op regelmatige wijze was aangeboden op het adres van de gemachtigde. Het lag op de weg van de gemachtigde om zodanige maatregelen te treffen dat de aanbieding van de brief tijdens zijn vakantie hem niet zou ontgaan zodat hij eventueel op een eerder moment kon verzoeken om uitstel. Bovendien gold het algemeen verwijzen naar "de vakantieperiode en COVID 19" volgens het Hof niet als het aanvoeren van gewichtige redenen voor uitstel. De gemachtigde had dus te laat en zonder aanvoering van uitzonderlijke omstandigheden om uitstel verzocht. Een termijn van 20 dagen was volgens het Hof voldoende om de zaak voor te bereiden. Dat (de gemachtigde van) X niet op de zitting was verschenen, kwam voor zijn rekening en risico. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

Tekst

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-20/00714 tot en met BK-20/00716

Uitspraak van 29 april 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: K. Celebi)

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rijswijk, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordigers: […] en […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 september 2020, nrs. SGR 20/1871, SGR 20/1872 en SGR 20/1873.

Procesverloop

1.1. Aan belanghebbende zijn op 21 januari 2019, op 31 januari 2019 en op 6 maart 2019 naheffingsaanslagen in de parkeerbelastingen van de gemeente Rijswijk opgelegd.

1.2. Bij uitspraken op bezwaar van 18 juni 2019 heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaren tegen de naheffingsaanslagen niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep dat belanghebbende tegen die uitspraken heeft ingesteld, is door de Rechtbank gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de Heffingsambtenaar opgedragen opnieuw uitspraken op bezwaar te doen.

1.3. Bij uitspraken op bezwaar van 23 januari 2020 heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar tegen voormelde naheffingsaanslagen ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van éénmaal € 48. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 131 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 18 maart 2021. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een procesverbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1. De auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) stond op 21 januari 2019 omstreeks 22:47 uur, op 31 januari 2019 omstreeks 19:53 uur en op 6 maart 2019 omstreeks 22:40 uur geparkeerd te [woonplaats 1] op de [adres 1] . Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk in een aanwijzingsbesluit aangewezen als plaats op de openbare weg waar op voornoemde data en tijdstippen mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelastingen.

2.2. Parkeercontroleurs hebben op voornoemde plaats, data en tijdstippen geconstateerd dat de auto geen geldige parkeerrechten had en naheffingsaanslagen opgelegd. Volgens een proces-verbaal van bevindingen hebben de parkeercontroleurs een print van de naheffingsaanslagen achter de ruitenwisser van de auto gedaan.

2.3.1. De stukken van het geding bevatten een brief met dagtekening 8 juli 2020 van de griffier van de Rechtbank aan de gemachtigde van belanghebbende op het adres [adres 2] te [woonplaats 2] met als onderwerp "aankondiging zittingsdatum (…)". De brief vermeldt onder meer:

"Voor de mondelinge behandeling van het beroep met bovengenoemd zaaknummer heeft de rechtbank een zittingsdatum vastgesteld. Dit is 26 augustus 2020.

We delen u dit nu al mee opdat u er met uw planning rekening mee kunt houden. Mocht u op genoemde dag verhinderd zijn, dan kunt u één keer schriftelijk om een andere dag verzoeken. Dit verzoek moet uiterlijk binnen een week na de datum van verzending van deze brief bij ons binnen zijn en het moet de reden vermelden waarom u verhinderd bent."

2.3.2. De gemachtigde noch belanghebbende heeft op voormelde brief gereageerd.

2.4.1. Met dagtekening 17 juli 2020 heeft de griffier van de Rechtbank een aangetekende brief verzonden naar voormeld adres waarin (de gemachtigde van) belanghebbende wordt uitgenodigd om op 26 augustus 2020, om 12:30 uur bij de Rechtbank op de zitting te verschijnen.

2.4.2. Omdat de aangetekend verzonden brief retour is ontvangen door de griffier heeft hij de brief op 23 juli 2020 nogmaals per gewone post verzonden naar het eerder genoemde adres van de gemachtigde.

2.4.3. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 6 augustus 2020 een e-mail verzonden naar de Rechtbank. De e-mail vermeldt onder meer:

"Door de vakantieperiode en COVID 19 heb ik pas zojuist vernomen dat u een zitting heeft aangekondigd voor 26 augustus as. Ik acht uw aankondiging in combinatie met voorgaande factoren erg krap in de tijd.

Bij deze bericht ik u dan ook dat ik op de door u genoemde dag verhinderd ben.

Ik verzoek u daarom vriendelijk een nieuwe datum te bepalen met in acht neming van mijn verhinderdata welke ik tzt zal opgeven."

2.4.4. Bij brief van 7 augustus 2020 heeft de Rechtbank het uitstelverzoek van de gemachtigde van belanghebbende afgewezen. De brief vermeldt voor zover van belang:

"Uw verzoek is afgewezen. De rechtbank verleent alleen in uitzonderlijke omstandigheden uitstel. De reden waarom u uitstel vraagt, valt niet onder deze uitzonderlijke omstandigheden. De behandeling van het beroep zal daarom niet worden uitgesteld en zal plaatsvinden op woensdag 26 augustus 2020 om 12:30 uur."

2.5. Het dossier bevat een drietal processen-verbaal van bevindingen opgemaakt door een gemeentelijk toezichthouder van de parkeerverordening op respectievelijk 24 maart 2020 en 3 december 2020. De processen-verbaal vermelden dat de gemeentelijk toezichthouder zich respectievelijk op 21 januari 2019 omstreeks 22:47 uur, op 31 januari 2019 omstreeks 19:53 uur en op 6 maart 2019 omstreeks 22:40 uur bevond op de [adres 1] en daar de auto zag staan zonder geldige parkeerrechten en dat hij van de naheffing een print achter de ruitenwisser heeft gedaan.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

"Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020.

Namens [de Heffingsambtenaar] is (…) verschenen. [Belanghebbende] is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 17 juli 2020 aan de gemachtigde op het adres [adres 2] te [woonplaats 2] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschenen. De aangetekende brief is door de rechtbank retour ontvangen. Uit de – kennelijk door medewerkers van PostNL – geplaatste aantekening op die enveloppe, die door de griffier in het dossier is gevoegd, leidt de rechtbank af dat de bezorger van PostNL geen gehoor heeft gekregen op genoemd adres. De uitnodiging is op 23 juli 2020 nogmaals per gewone post aan voornoemd adres verzonden. In reactie daarop heeft de rechtbank op 6 augustus 2020 een e-mail van de gemachtigde ontvangen, waarin de gemachtigde aangeeft verhinderd te zijn en verzoekt om een nieuwe zittingsdatum. Als reden voor de verhindering geeft de gemachtigde aan dat hij pas zojuist van de aangekondigde zitting heeft vernomen en deze aankondiging erg krap in de tijd acht. Op 7 augustus 2020 heeft de rechtbank dit uitstelverzoek per brief afgewezen, omdat de rechtbank op grond van het vorenoverwogene van oordeel is dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze en tijdig op het juiste adres is aangeboden. [Belanghebbende] en zijn gemachtigde zijn, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

(…)

6. De verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd parkeren van een voertuig, dient zodanig kenbaar te zijn gemaakt dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan omtrent de verschuldigdheid daarvan. Daar staat tegenover dat een parkeerder een onderzoeksplicht heeft in die zin dat hij zich, voordat hij parkeert, op de hoogte moet stellen van de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Het zich niet voldoende op de hoogte stellen en het (als gevolg daarvan) niet naleven van die voorschriften komt naar vaste jurisprudentie (Gerechtshof Den Haag 9 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2020) voor rekening en risico van de parkeerder.

7. [Belanghebbende] stelt dat er in de [adres 1] geen duidelijke en zorgvuldige aanwijzingen zijn dat sprake is van betaald parkeren. Volgens [belanghebbende] kan niet worden volstaan met een centraal bord bij de gemeentegrens. Voorts stelt [belanghebbende] dat in de [adres 1] een betaalautomaat ontbreekt, waardoor er geen reguliere en duidelijke betaalmogelijkheid is. [De Heffingsambtenaar] heeft foto's en een plattegrond overlegd waaruit blijkt dat [belanghebbende] bij het inrijden van de parallelweg van de [adres 1] vanuit de richting van de [adres 3] een zonebord betaald parkeren en een parkeerautomaat is gepasseerd. Voorts blijkt uit de overlegde stukken dat ter hoogte van [adres 1] [huisnummer 1] een herhalingszonebord staat en dat ter hoogte van [adres 1] [huisnummer 2] op een klein bord de belparkeercode wordt herhaald. [De Heffingsambtenaar] heeft onweersproken gesteld dat op enkele tientallen meters van de parkeerlocatie een parkeerautomaat aanwezig was en dat [belanghebbende] geen bord is gepasseerd waarop het einde van de betaald parkeerzone stond aangegeven.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Heffingsambtenaar] aannemelijk gemaakt dat voldoende kenbaar is dat op de parkeerlocatie sprake is van betaald parkeren. Het missen van de (herhalings)zoneborden en de parkeerautomaat is een omstandigheid die voor rekening van [belanghebbende] moet blijven. Van een bestuurder van een auto mag immers worden verwacht dat hij voordat hij parkeert onderzoek doet naar de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse, bijvoorbeeld door het raadplegen van de website van de gemeente. Daarbij komt dat de locatie in het centrum van [woonplaats 1] ligt en men er in het algemeen rekening mee moet houden dat in het centrum van steden voor parkeren moet worden betaald. Overigens wist [belanghebbende] in ieder geval vanaf 4 februari 2019 dat sprake was van betaald parkeren in de [adres 1] , aangezien [belanghebbende] toen kennis heeft genomen van een duplicaat van een van drie naheffingsaanslagen.

9. Aangezien vast staat dat [belanghebbende] geen vergunning had voor de parkeerlocatie en geen parkeerbelasting heeft voldaan, zijn de naheffingsaanslagen terecht aan [belanghebbende] opgelegd.

10. [Belanghebbende] heeft aangevoerd dat de uitspraken op bezwaar ten onrechte niet aan de gemachtigde zijn verzonden. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (onder meer de uitspraak van 3 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4045) dient in de situatie, waarin een bestuursorgaan ermee bekend is dan wel redelijkerwijs kon weten dat met betrekking tot een besluit een gemachtigde optreedt namens de belanghebbende, het besluit bekend te worden gemaakt door toezending of uitreiking aan die gemachtigde. Dit volgt uit artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Aangezien de gemachtigde tijdens de beroepsprocedure genoemd onder 4 [belanghebbende] vertegenwoordigde en de bestreden uitspraken op bezwaar uit deze procedure voortvloeien, had [de Heffingsambtenaar] de beslissingen bekend moeten maken aan de gemachtigde. Deze beroepsgrond kan [belanghebbende] echter niet baten. Het rechtsgevolg van het niet bekend maken van een beslissing aan de juiste persoon is dat de beroepstermijn nog niet aanvangt. Aangezien in onderhavig geval de tijdigheid van het ingestelde beroep niet in geschil is en voorts vast staat dat de gemachtigde uiterlijk 3 maart 2020 (dagtekening van de beroepschriften) kennis heeft genomen van de besluiten, heeft [belanghebbende] geen belang bij deze beroepsgrond.

11. De stelling van [belanghebbende] dat [de Heffingsambtenaar] de hoorplicht heeft geschonden, slaagt niet. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belanghebbende, in afwijking van artikel 7:2 van de Awb, gehoord op zijn verzoek. Nu [de Heffingsambtenaar] onweersproken heeft gesteld dat [belanghebbende] niet een dergelijk verzoek heeft gedaan en de rechtbank het tegendeel niet is gebleken, is van schending van de hoorplicht geen sprake.

12. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar naar behoren voorbereid en gemotiveerd. De rechtbank volgt [belanghebbende] dan ook niet in zijn opvatting dat [de Heffingsambtenaar] bij het doen van uitspraak op bezwaar het motiveringsbeginsel heeft geschonden dan wel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Voorts is de rechtbank niet van strijd met enig ander rechtsbeginsel gebleken.

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

` 14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1. In geschil is of:

- de Rechtbank het (unierechtelijke) recht op verdediging heeft geschonden omdat zij de behandeling van de zaken ter zitting heeft doorgezet zonder aanwezigheid van belanghebbende en zijn gemachtigde;

- de Heffingsambtenaar belanghebbende ten onrechte niet heeft gehoord;

- de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot gegrondverklaring van zijn beroep en tot vernietiging van de naheffingsaanslagen.

4.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Recht op verdediging

5.1. Belanghebbende stelt dat hij ernstig in zijn belangen is geschaad en zijn recht op verdediging niet heeft kunnen uitvoeren omdat de Rechtbank zijn zaken ter zitting heeft behandeld zonder dat hij of zijn gemachtigde daarbij aanwezig waren. Hij voert aan dat de Rechtbank ten onrechte heeft genoteerd dat hij en zijn gemachtigde zonder kennisgeving niet zijn verschenen omdat zij de Rechtbank hebben bericht op de desbetreffende zittingsdag verhinderd te zijn en gelijktijdig om een nieuwe datum hebben verzocht (zie 2.4.3).

5.2.1. Belanghebbendes klacht faalt. Het Hof overweegt hiertoe als volgt. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende zich niet kan beroepen op het unierechtelijke verdedigingsbeginsel, aangezien het Unierecht niet van toepassing is of ten uitvoer wordt gebracht. In de onderhavige procedure is sprake van een zuiver binnenlandse situatie. Het Hof zal deze klacht dan ook begrijpen als gericht op de beginselen van behoorlijke rechtspleging, en in het bijzonder het recht op hoor en wederhoor. Een verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting wordt door de rechter ingewilligd, indien dat verzoek tijdig is gedaan en onder aanvoering van gewichtige redenen (HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529, BNB 2011/84). De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij de uitnodiging voor de zitting voor het eerst zag nadat hij terugkwam van vakantie op 6 augustus 2020. Vervolgens heeft hij dezelfde dag nog verzocht om uitstel van de zitting omdat hij de aankondiging daarvoor erg krap in de tijd achtte. De Rechtbank heeft het verzoek om uitstel afgewezen omdat zij van oordeel is dat zij de uitnodiging tijdig heeft verzonden en geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, die nopen tot het verlenen van uitstel na het verstrijken van de termijn van één week na het verzenden van de uitnodiging. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank het verzoek mogen afwijzen. Uit de uitspraak van de Rechtbank volgt dat de uitnodiging voor de zitting tijdig en op regelmatige wijze is aangeboden op het adres van de gemachtigde van belanghebbende. Het lag op de weg van de gemachtigde van belanghebbende om zodanige maatregelen te treffen dat de aanbieding van de brief tijdens zijn vakantie hem niet zou ontgaan zodat hij eventueel op een eerder moment kon verzoeken om uitstel (HR 19 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4503, BNB 1991/60).

5.2.2. Bovendien geldt, zoals ook volgt uit de brief van 7 augustus 2020 van de Rechtbank (zie 2.4.4), dat het algemeen verwijzen naar "de vakantieperiode en COVID 19" niet geldt als het aanvoeren van gewichtige redenen. Deze redenen zijn evenmin aanleiding om uit te gaan van ontvangst van de uitnodiging bij terugkeer van vakantie, zodat daarna binnen een week nog mocht worden verzocht om uitstel van de zitting zonder aanvoering van uitzonderlijke omstandigheden. De gemachtigde heeft dus te laat en zonder aanvoering van uitzonderlijke omstandigheden om uitstel verzocht. Een termijn van 20 dagen is voldoende om de onderhavige zaken voor te bereiden. De Rechtbank heeft het uitstel dus mogen afwijzen zonder daarbij enig beginsel van behoorlijke rechtspleging te schenden.

5.2.3 Het voorgaande brengt mee dat de omstandigheid dat (de gemachtigde van) belanghebbende niet ter zitting is verschenen voor zijn rekening en risico dient te komen. Van een schending van enig beginsel is dan ook geen sprake.

Niet horen van belanghebbende

5.3. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn klacht dat de Heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden. Belanghebbende voert aan dat uit de eerder gevoerde procedure bij de Rechtbank tegen de initiële uitspraken op bezwaar (zie 1.2) kan worden afgeleid dat hij gehoord wilde worden. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde voorts aangevoerd dat de Heffingsambtenaar, gelet op het aantal naheffingsaanslagen dat aan belanghebbende is opgelegd, ambtshalve had moeten besluiten belanghebbende te horen.

5.4.1. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling. Volgens artikel 231 van de Gemeentewet is de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) op de heffing van gemeentelijke belastingen van toepassing. Uit artikel 25, lid 1, AWR volgt dat in afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de belanghebbende wordt gehoord op zijn verzoek.

5.4.2. Uit de stukken van het geding volgt niet dat belanghebbende de Heffingsambtenaar heeft verzocht om te worden gehoord. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende bovendien bevestigd dat belanghebbende een zodanig verzoek niet heeft gedaan. Het enkele feit dat belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen de beslissing dat zijn bezwaren niet-ontvankelijk zijn, behelst, anders dan belanghebbende stelt, niet een (impliciet) verzoek om te worden gehoord. Bovendien brengt geen rechtsregel mee dat de Heffingsambtenaar, gelet op het aantal opgelegde naheffingsaanslagen, ambtshalve had moeten besluiten belanghebbende te horen. De Heffingsambtenaar heeft derhalve terecht van het horen van belanghebbende afgezien.

Naheffingsaanslagen

5.5. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn standpunt dat de gemeente geen zorgvuldige en duidelijke aanwijzingen heeft gegeven waaruit blijkt dat de verplichting geldt parkeerbelasting te betalen. Een enkel bord bij de gemeentegrens is daartoe onvoldoende. In combinatie met het ontbreken van een betaalautomaat in de straat waar belanghebbende heeft geparkeerd, dient het voor rekening en risico van de gemeente te komen dat belanghebbende geen parkeerbelasting heeft betaald.

5.6. Van een parkeerder mag worden verwacht dat hij zich ter plaatse op de hoogte stelt van het op de parkeerlocatie van toepassing zijnde parkeerregime (vgl. Gerechtshof 's-Gravenhage 18 oktober 2002, ECLI:NL:GHDHA:2002:AS2261). Van de Heffingsambtenaar mag daarentegen worden verwacht dat, onder andere door middel van bebording en aanduidingen op parkeerapparatuur, het ter plaatse geldende parkeerregime voldoende duidelijk is aangegeven. Het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting voor een locatie te voldoen kan blijken uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur bij of in de nabijheid van de parkeerplaats, maar ook uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats op zo'n wijze dat over de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor die parkeerplaats redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan (vgl. Hoge Raad 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3126). Van geval tot geval dient te worden beoordeeld of aan deze laatste voorwaarde is voldaan.

5.7. Nu belanghebbende heeft gesteld dat voor hem onvoldoende duidelijk was dat voor het parkeren in de [adres 1] moest worden betaald, ligt het op de weg van de Heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse en de wijze waarop deze kon worden voldaan, voldoende kenbaar was.

5.8. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de Heffingsambtenaar heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Immers, uit de door de Heffingsambtenaar overgelegde foto's en plattegrond volgt dat zich in, om en nabij de [adres 1] meerdere borden en parkeerautomaten bevinden waaruit blijkt dat parkeerbelasting is verschuldigd. Voorts heeft de Heffingsambtenaar ter zitting onweersproken verklaard dat in de buurt waar belanghebbende zijn voertuig had geparkeerd een bord stond waarop een plaatje van een hand met een muntje en een voetganger met een pijltje is te zien om parkeerders te wijzen in de richting van de dichtstbijzijnde parkeerautomaat.

5.9. Uit de vaststelling dat aannemelijk is dat de verschuldigdheid van parkeerbelasting voldoende kenbaar moet zijn geweest, volgt reeds dat belanghebbendes stelling dat hij in ieder geval op de data 21 januari 2019 en 31 januari 2019 niet op de hoogte was dat parkeerbelasting verschuldigd was omdat geen bon achter de voorruit wordt geplakt maar slechts met een camera-auto voorbij wordt gereden, niet kan worden gevolgd.

5.10. Belanghebbendes stelling dat de verplichting om parkeerbelasting te betalen op de desbetreffende locatie nieuw is, faalt eveneens. Ter zitting van het Hof is onweersproken gesteld dat sinds 2015 sprake is van betaald parkeren in de [adres 1] . Dat het aanwijzingsbesluit (veelvuldig) aan wijzigingen onderhevig is, zoals de gemachtigde ter zitting heeft gesteld, maakt het oordeel van het Hof niet anders aangezien het wijzigen van dergelijke besluiten een discretionaire bevoegdheid van de gemeente betreft. Dat de gemeente Rijswijk relevante wijzigingen in het parkeerbeleid zonder behoorlijke aankondiging of bekendmaking zou hebben doorgevoerd, is niet gebleken.

Slotsom

5.11. Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding één van de partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, W.M.G. Visser en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 29 april 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Datum 20210429