FutD - archief
Print

Nummer fida20211599
Kenmerk Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 maart 2021 BRE20/7916
Titel Aankruisen verkeerde datum in NOW-aanvraag niet te herstellen
Samenvatting BV X vroeg op 6 april 2020 NOW-1-subsidie aan en gaf daarbij aan vanaf 1 mei 2020 een omzetverlies van 50% te verwachten. Twee dagen later corrigeerde zij haar aanvraag door aan het UWV te melden dat de ingangsdatum van het omzetverlies 1 maart 2020 moest zijn. Het UWV hield hier geen rekening mee en ging uit van een meetperiode van 1 mei 2020 tot 1 augustus 2020. BV X ging in beroep en stelde dat zij per abuis een verkeerde datum had aangekruist in haar aanvraag en dat haar verzoek tot wijziging niet als een nieuwe aanvraag moest worden aangemerkt. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde BV X in het ongelijk. Volgens de Rechtbank volgde uit vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan moest beslissen op de aanvraag zoals deze was ingediend. Dat gold ook voor een subsidieaanvraag op grond van de NOW-1. Daarbij vond de Rechtbank van belang dat het gelet op de aard en strekking van de NOW-1 noodzakelijk was dat op een eenvoudige en snelle manier (een voorschot op) de tegemoetkoming kon worden vastgesteld. Door de wijziging van de datum waarop omzetverlies werd verwacht, veranderde de meetperiode voor het omzetverlies van 1 mei 2020 tot 1 augustus 2020 naar 1 maart 2020 tot 1 juni 2020. Dat was volgens de Rechtbank een wezenlijke wijziging van de aanvraag omdat van andere tijdvakken moest worden uitgegaan. Daarbij was het niet uitgesloten dat aanvragers met omzet gingen schuiven om zo veel mogelijk tegemoetkoming te krijgen. Dat het gelet op de korte tijd tussen de aanvraag en de wijziging niet aannemelijk was dat BV X met omzetcijfers had geschoven, betekende niet dat er sprake was van een wijziging van ondergeschikte aard. De Rechtbank besliste daarom dat de door BV X nagestreefde wijziging aangemerkt moest worden als een nieuwe aanvraag. Een aanvraag kon echter maar één keer worden ingediend en het UWV had daarom terecht geweigerd de meetperiode aan te passen.
Tekst

Zaaknummer: AWB- 20_7916

Uitspraak

Eerste aanleg - meervoudig

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7916 NOW

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2021 in de zaak tussen



[naam eiseres] , te [Plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.



Procesverloop


In het besluit van 10 april 2020 (primair besluit) heeft de minister aan eiseres een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de eerste Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1) toegekend.

In het besluit van 23 juni 2020 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 4 maart 2021.
Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens de minister was mr. J.F.C.A.M. Weterings, werkzaam bij het UWV, aanwezig.

Overwegingen


Feiten
1. Eiseres heeft op 6 april 2020 een NOW-1-aanvraag gedaan. Op de aanvraag heeft zij aangegeven vanaf 1 mei 2020 een omzetverlies van 50% te verwachten.

Op 8 april 2020 heeft eiseres aan het UWV gemeld dat de ingangsdatum van het omzetverlies 1 maart 2020 moet zijn.

Met het primaire besluit heeft de minister de tegemoetkoming vastgesteld op € 59.751,--. Aan eiseres wordt een voorschot van € 47.802,-- betaald.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Wettelijk kader
2. In artikel 4 van de NOW-1 is bepaald dat de minister aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 juli 2020 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie kan verlenen over de loonsom in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2020.

In artikel 8, derde lid, van de NOW-1 is bepaald dat de werkgever eenmaal per loonheffingennummer een subsidieaanvraag kan indienen.

In artikel 8, vierde lid, onder c, van de NOW-1 is bepaald dat in de subsidieaanvraag in ieder geval vermeld wordt in welke aaneengesloten periode van drie kalendermaanden binnen de periode van 1 maart tot en met 31 juli 2020 de werkgever een omzetdaling verwacht.

Standpunt eiseres
3. Eiseres voert aan dat zij abusievelijk een verkeerde datum heeft aangekruist in haar aanvraag. Zij heeft dat met een digitaal bezwaarschrift op 8 april 2021 meteen hersteld. Dit bezwaar is binnen 2 dagen na de aanvraag bij het UWV binnen gekomen, zodat ook geen sprake kan zijn van schuiven met omzet. Het verzoek tot wijziging is volgens eiseres tijdig ingediend en kan niet worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag. Eiseres stelt belang te hebben bij de wijziging van de datum, omdat bij de definitieve vaststelling van het werkelijk geleden omzetverlies de meetperiode van de aanvraag wordt gehanteerd. Haar omzetverlies in de maanden maart tot en met mei 2020 was hoger dan haar omzetverlies in de maanden mei tot en met juli 2020.

Standpunt minister
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de NOW-regeling niet voorziet in de mogelijkheid een aanvraag te wijzigen. Wijzigingen zouden leiden tot een extra beoordeling en dat brengt de uitgangspunten van de regeling in gevaar. Een hardheidsclausule ontbreekt in de regeling.

Beoordeling rechtbank

5.1 Niet in geschil is dat eiseres op het aanvraagformulier heeft vermeld dat zij vanaf 1 mei 2020 verwacht omzetverlies te hebben. In geschil is uitsluitend of eiseres deze datum achteraf nog kan wijzigen.

5.2 In de NOW-1 is bepaald dat maar één keer een aanvraag kan worden gedaan. Bij de beoordeling van het geschil is daarom van belang of de door eiseres doorgegeven wijziging aangemerkt moet worden als een nieuwe aanvraag.

5.3 Naar vaste rechtspraak dient een bestuursorgaan te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Onder omstandigheden is het bestuursorgaan gerechtigd en in bepaalde gevallen zelfs verplicht om de indiener van de aanvraag in de gelegenheid te stellen die aanvraag te wijzigen of aan te vullen. Daarvoor kan met name aanleiding bestaan indien door de wijziging of de aanvulling geconstateerde beletselen voor het inwilligen van de aanvraag kunnen worden weggenomen. Daarbij zal het moeten gaan om wijzigingen van ondergeschikte aard1 . Hoewel deze rechtspraak afkomstig is van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ziet de rechtbank geen aanleiding om bij een subsidieaanvraag op grond van de NOW-1 anders te oordelen. Hierbij heeft de rechtbank ook betrokken dat het gelet op de aard en strekking van de NOW-1 noodzakelijk is dat op een eenvoudige en snelle manier (een voorschot op) de tegemoetkoming kan worden vastgesteld. Als zou worden toegestaan dat na de aanvraag nog (wezenlijke) wijzigingen kunnen worden ingediend zou dit de uitgangspunten van snelheid en controleerbaarheid van de regeling in gevaar kunnen brengen.

5.4 Door de wijziging van de datum waarop omzetverlies wordt verwacht, wordt bereikt dat de meetperiode voor het omzetverlies verandert. In de situatie van eiseres betekent dit een wijziging van de meetperiode van 1 mei 2020 tot 1 augustus 2020 naar 1 maart 2020 tot 1 juni 2020. De rechtbank is van oordeel dat dit een wezenlijke wijziging van de aanvraag betreft. Deze wijziging brengt immers met zich dat van andere tijdvakken moet worden uitgegaan. Daarbij is het niet uitgesloten dat, zoals namens de minister is gesteld, aanvragers met omzet gaan schuiven om zo veel mogelijk tegemoetkoming te krijgen. Dat het, gelet op de korte tijd tussen aanvraag en wijziging, niet aannemelijk is dat eiseres met omzetcijfers heeft geschoven, betekent niet dat er gesproken kan worden van een wijziging van ondergeschikte aard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door eiseres nagestreefde wijziging aangemerkt moet worden als een nieuwe aanvraag. Niet in geschil is dat een aanvraag maar één keer kan worden ingediend. Dit betekent dat de minister op goede gronden geweigerd heeft de meetperiode aan te passen.

6. Gelet op wat hiervoor is overwogen zal het beroep ongegrond worden verklaard. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzitter, en mr. G.M.J. Kok en mr. S.A.M.L. van de Sande, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op
18 maart 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1 ECLI:NL:RVS:2014:4377 en soortgelijk ECLI:NL:RVS:2021:372

Datum 20210318