FutD - archief
Print

Nummer fida20211597
Kenmerk Rechtbank Amsterdam 17 februari 2021 AMS20/3927
Titel Berekening voorschot NOW-1 niet in strijd met evenredigheidsbeginsel
Samenvatting Het UWV kende aan restaurant X op grond van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1) een voorschot toe van € 648. X vond het voorschot te laag en ging in beroep. Zij was na een verhuizing in april 2019 gestart met een nieuw restaurant. Het personeelsbestand was langzaam uitgebreid en vanaf 12 februari 2020 was ook een kok met een fulltime dienstverband werkzaam. Deze arbeidsovereenkomst was niet meegenomen in de berekening, terwijl dat volgens X op grond van een wijziging van NOW-1 van 26 mei 2020 wel had gemoeten. Hierdoor dreigde haar faillissement en verlies van werkgelegenheid voor alle vijf personeelsleden. Dit was volgens X in strijd met het doel van de NOW-regeling. Rechtbank Amsterdam besliste echter dat het UWV voor de berekening van het voorschot terecht was uitgegaan van de loonaangiftegegevens over november 2019, omdat er geen aangiftegegevens over januari 2020 bekend waren. De wijziging van de NOW-1 van 26 mei 2020 was niet van toepassing, omdat die wijziging van de loonsombepaling alleen gold voor de berekening van de hoogte van de subsidievaststelling en niet voor de berekening van de bevoorschotting. De Rechtbank was het niet met X eens dat het evenredigheidsbeginsel was geschonden en verwierp het beroep op uitspraken van de ABRvS van 23 oktober 2019 met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. In die uitspraken ging het om een gewijzigde uitleg van een wettelijke bepaling, bedoeld voor structurele toepassing gedurende lange tijd. In dit geval betrof het een noodmaatregel, bedoeld voor snel en tijdelijk gebruik, waarop bovendien bij de definitieve vaststelling nog aanpassingen mogelijk waren. Gelet op dit karakter van de regeling en de afwegingen die de regelgever had gemaakt, waren er volgens de Rechtbank geen aanknopingspunten om het betoog van X over de onevenredigheid van het voorschotbesluit te volgen. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.
Tekst

Zaaknummer: AWB - 20/3927

Uitspraak

Eerste aanleg - enkelvoudig

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/3927

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam bedrijf] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: [naam 1] )

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister), verweerder

(gemachtigde: [naam 2] ).

De besluiten waartegen eiseres bezwaar en beroep heeft ingesteld zijn genomen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv) namens de minister. Waar hierna over het Uwv wordt gesproken wordt ook de minister bedoeld.

Procesverloop


Bij besluit van 15 april 2020 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiseres een tegemoetkoming (voorschot) op grond van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1) toegekend ten bedrage van € 648.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij beslissing op bezwaar van 3 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen


1.1. Eiseres is het niet eens met de hoogte van het toegekende voorschotbedrag. Zij heeft het volgende naar voren gebracht.

1.2. Haar bedrijf is na een verhuizing in april 2019 gestart met een nieuw restaurant. Het personeelsbestand is langzaam uitgebreid. Vanaf 12 februari 2020 is ook een kok met een fulltime dienstverband werkzaam. Ten onrechte is deze arbeidsovereenkomst niet meegenomen in de berekening. Als gevolg hiervan dreigt het faillissement van de onderneming en verlies van werkgelegenheid van alle vijf personeelsleden. Dit is in strijd met het doel van de NOW-regeling. Op grond van de wijziging van de regeling van
23 [de rechtbank leest: 26] mei 2020 zou het loon van de kok wel moeten worden meegenomen.

1.3. De beslissing leidt tot onevenredige gevolgen voor eiseres. Op grond van rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)1 moet toepassing worden gegeven aan het evenredigheidsbeginsel.

2.1. Het Uwv heeft in het bestreden besluit, nader toegelicht ter zitting, het standpunt ingenomen dat van een juist aangiftetijdvak is uitgegaan.

2.2. De hoogte van de subsidie is afhankelijk van de hoogte van de loonsom in het eerste aangiftetijdvak van het jaar 2020 (januari 2020). Als er over dat tijdvak geen loongegevens zijn, wordt uitgegaan van het loon over de maand november 2019. In het geval van eiseres waren er geen aangiftegegevens over januari 2020 bekend, zodat het Uwv is uitgegaan van november 2019. De latere wijziging waar eiseres op doelt heeft betrekking op de vaststelling van de subsidie, niet op het voorschot.

2.3. In het geval van eiseres kan volgens het Uwv niet worden afgeweken van de regeling. De NOW-1 bevat geen hardheidsclausule. Dat is een bewuste keuze van de wetgever geweest. De regeling is een noodmaatregel die eenvoudig moet zijn om het Uwv in staat te stellen grote aantallen aanvragen snel te kunnen behandelen. Bij latere wijzigingen is iets meer ruimte geboden voor maatwerk maar dat geldt alleen voor definitieve vaststellingen. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Beoordeling door de rechtbank

3.1. In artikel 11 van de NOW-1 is geregeld dat een werkgever een voorschot kan ontvangen op de subsidieverlening. Voor de berekening van dit voorschot op de subsidieverlening geeft artikel 10 van de NOW-1 een formule. In die formule staat de factor B* voor de loonsom waarmee wordt gerekend.

3.2. Artikel 10, voor zover in deze procedure relevant, luidt (Regeling van 31 maart 2020, Stcrt. 1 april 2020, nr. 19874:

1. De hoogte van het bedrag van de subsidieverlening is de uitkomst van:
A* x B* x 3 x 1,3 x 0,9
Hierbij staat:
A* voor het percentage van de door de werkgever verwachte omzetdaling;
B* voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, (...)
2. Voor de loonsom, bedoeld in de omschrijving van de constante B*, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het loon over het eerste aangiftetijdvak van het jaar 2020 (...).
3. Indien er geen loongegevens zijn over het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgegaan van het loon over de maand november van het jaar 2019.
(...)

Met een wijziging van de NOW-1 (Regeling van 26 mei 2020, Stcrt. 28 mei 2020, nr. 29256) zijn aan artikel 7, dat gaat over de subsidievaststelling, drie leden toegevoegd. Het zevende lid van artikel 7 luidt sindsdien:

Indien de loonsom, bedoeld onder de constante E, hoger is dan driemaal de loonsom als bedoeld onder de variabele B, bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie verhoogd met:
A x (E - B x 3) x 1,3 x 0,9
Hierbij staat:
A en B voor de variabelen A en B, bedoeld in het eerste lid;
E voor de loonsom van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020, met dien verstande dat:
a. het bepaalde onder het tweede lid, constante B, van overeenkomstige toepassing is, (...)
b. de gehanteerde aangiftetijdvakken het derde tot en met het vijfde aangiftetijdvak van het jaar 2020 zijn; en
c. de maximale hoogte van constante E driemaal de loonsom over het derde aangiftetijdvak van het jaar 2020 is.
(...)

In de toelichting bij de wijziging is uiteengezet:

Geregeld wordt dat de loonsom van maart t/m mei gehanteerd kan worden bij de subsidievaststelling. Met deze wijziging wordt het mogelijk gemaakt dat een werkgever niet onnodig benadeeld wordt doordat zijn loonsom in de subsidieperiode (maart t/m mei) hoger is dan de loonsom in de referentiemaand (januari). Deze wijziging zorgt ervoor dat werkgevers de loonsom van maart t/m mei kunnen hanteren bij de subsidievaststelling, mits de loonsom in de periode maart t/m mei 2020 hoger is dan driemaal de loonsom van januari. In deze rekenmethode wordt de hoogte van de loonsom in de maanden april en mei altijd gemaximeerd op het niveau van maart. De aanleiding voor deze aanvulling is dat sommige werkgevers een te lage, niet-representatieve loonsom in januari blijken te hebben ten opzichte van de subsidieperiode maart t/m mei; dit bijvoorbeeld vanwege een seizoenspatroon. Uiteraard kunnen hier ook andere redenen aan ten grondslag liggen. De hoogte van de compensatie voor loonkosten kan daardoor onvoldoende aansluiten bij de werkelijke loonkosten in de subsidieperiode om die effectief te kunnen compenseren.

3.3. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt dat de wijziging van de NOW-1 van
26 mei 2020 in haar geval van toepassing is. Uit de toevoeging aan artikel 7 van de regeling en uit de toelichting daarop blijkt duidelijk dat de wijziging van de loonsombepaling alleen geldt voor de berekening van de hoogte van de subsidievaststelling. Het standpunt van het Uwv hierover is juist. Er is een wijziging aangebracht in de berekening van de hoogte van het subsidiebedrag op grond van artikel 7 en niet in de berekening van de bevoorschotting. De artikelen 10 en 11 van de regeling zijn ongewijzigd gebleven. Nu het in deze zaak gaat om een voorschotbesluit baat eiseres het beroep op deze wijziging dus niet.

4.1. Over de vraag of het evenredigheidsbeginsel is geschonden overweegt de rechtbank het volgende. Zoals het Uwv ter zitting heeft toegelicht is de voorschotregeling in de NOW-1 een grofmazige regeling, bedoeld om snel grote aantallen aanvragen te kunnen behandelen. De regeling bood en biedt geen ruimte voor maatwerk. De regelgever heeft er bewust voor gekozen om geen hardheidsclausule op te nemen. Het is eveneens een bewuste keuze van de regelgever geweest om de verruiming van de loonsombepaling te beperken tot de definitieve vaststelling. Met haar beroep op de uitspraken van de Afdeling vraagt eiseres om exceptieve toetsing. De rechter kan een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is, in een zaak over een besluit toetsen op rechtmatigheid en het voorschrift onder meer buiten toepassing laten als het in strijd is met de algemene rechtsbeginselen of het evenredigheidsbeginsel.

4.2. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 10, tweede en derde lid, van de NOW-1 buiten toepassing moet worden gelaten. Verwezen wordt naar wat de Centrale Raad van Beroep zeer recent heeft overwogen in zijn uitspraak van 28 januari 20212. In de overwegingen 4.6 en 4.7 van die uitspraak is uiteengezet waarom in geval dat gelijkenis vertoont met dat van eiseres voldoende toegelicht is dat met het oog op uitvoerbaarheid van de regeling de wijziging van de NOW-1 van 26 mei 2020 beperkt kon blijven tot de subsidievaststelling. De rechtbank neemt die overwegingen in het geval van eiseres over. Er is mede gelet op het doel van de regeling en ondanks het feit dat met de regeling niet alle werkgevers worden geholpen, geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

4.3. De rechtbank voegt daaraan nog toe dat de zaak van eiseres op relevante onderdelen anders is dan de gevallen die in de uitspraken van oktober 2019, waarnaar zij heeft verwezen, zijn beoordeeld. In die uitspraken gaat het om een gewijzigde uitleg van een wettelijke bepaling, bedoeld voor structurele toepassing gedurende lange tijd. In het hier voorliggende geval betreft het een noodmaatregel, bedoeld voor snel en tijdelijk gebruik, waarop bovendien bij de definitieve vaststelling nog aanpassingen mogelijk zijn. Gelet op dit karakter van de regeling en de afwegingen die de regelgever heeft gemaakt, zijn er geen aanknopingspunten om het betoog van eiseres over de onevenredigheid van het voorschotbesluit te volgen.

5. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Het Uwv heeft de voorschotbeslissing terecht gebaseerd op het aangiftetijdvak november 2019. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.A. Lammertink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1 Uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3535 en ECL:NL:RVS:2019:3601

2 ECLI:NL:CRVB:2021:87

Datum 20210217