FutD - archief
Print

Nummer fida20211576
Kenmerk Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 maart 2021 BRE20/8167
Titel Ondanks verkeerd kruisje in loonaangifte toch recht op NOW-2
Samenvatting BV X ging in beroep tegen de afwijzing van haar NOW-2 aanvraag. Zij stelde dat het UWV er ten onrechte van was uitgegaan dat er op 15 mei 2020 geen loonsom bekend was in maart 2020. Volgens BV X had zij tijdig loonaangifte gedaan omdat de Belastingdienst uitstel had verleend, zij gebruik maakte van de aangiftesoftware van de overheid en er door de aard van de vraagstelling in de aangifte een vraag verkeerd was beantwoord. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde BV X in het gelijk. De Rechtbank verwierp de stelling van het UWV dat BV X weliswaar op 2 juni 2020 SV-loon over de maand maart 2020 had aangegeven, maar dat dit loon niet als SV-kon worden aangemerkt omdat de werknemers (eerder in de loonaangifte) waren aangemerkt als niet-verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Het UWV had bij de beoordeling of er sprake was van SV-loon de polisadministratie gevolgd en daaruit bleek dat op 2 juni 2020 SV-loon was opgenomen zodat het UWV dit in beginsel moest volgen. Als het UWV wilde afwijken van de gegevens in de polisadministratie moest zij dit motiveren. Daarbij was volgens de Rechtbank van belang dat het UWV al wel nader had onderzocht hoe de aangifte van het SV-loon was gedaan (als bijzondere beloning), maar dat dit onderzoek niet volledig was geweest. Uit alle overige gegevens bleek namelijk dat BV X eerder in de aangifte een verkeerd kruisje had gezet, waardoor de werknemers per abuis als niet verzekerd waren aangemerkt. Als het UWV volledig onderzoek zou hebben gedaan naar de juistheid van de gegevens in de polisadministratie was zij tot de conclusie gekomen dat er sprake was van SV-loon. Dit bleek overigens ook uit de loonaangifte van BV X over eerdere jaren. De Rechtbank besliste dat BV X voldeed aan de voorwaarde dat er uiterlijk op 30 juni 2020 sprake was van opgegeven SV-loon en zij daarom recht had op voorschotten in het kader van de NOW-2-regeling.
Tekst

Zaaknummer: AWB- 20_8167

Uitspraak

Eerste aanleg - meervoudig

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8167 NOW

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2021 in de zaak tussen



[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.



Procesverloop


In het besluit van 9 juli 2020 (primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de tweede Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-2) afgewezen.

In het besluit van 21 juli 2020 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 4 maart 2021.
Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.C.A.M. Weterings, werkzaam bij het UWV.

Overwegingen


Feiten
1. Eiseres heeft op 6 juli 2020 een NOW-2-aanvraag gedaan.

Met het primaire besluit heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat er op 15 mei 2020 geen loonsom bekend was in de maand maart 2020.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Wettelijk kader
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit.

Standpunt eiseres
3. Eiseres voert aan dat zij tijdig loonaangifte heeft gedaan, aangezien de belastingdienst aan haar uitstel had verleend. Eiseres maakt gebruik van de software van de overheid. Door de aard van de vraagstelling is er in de aangifte een vraag verkeerd beantwoord.
Eiseres heeft gevraagd om schadevergoeding.

Standpunt minister
4. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres voor haar twee werknemers over de maand maart 2020 wel sociaal verzekerd loon (SV-loon) heeft doorgegeven aan de belastingdienst, maar dat dit pas op 13 augustus 2020 is gedaan. Dit is na de peildatum en na het uitstel van de belastingdienst. Eiseres had uitstel van de belastingdienst gekregen om uiterlijk 30 juni 2020 loonaangifte te doen.

Beoordeling rechtbank
5. De loonsom van maart 2020 is mede bepalend voor de gevraagde subsidieverlening. De peildatum waarop de loonaangifte van deze maand moet zijn ingediend is in beginsel
15 mei 2020. De minister heeft echter buitenwettelijk begunstigend beleid waarbij van de peildatum wordt afgeweken, onder meer in gevallen waarbij de belastingdienst de aanvrager uitstel heeft verleend voor het doen van loonaangifte. Omdat de belastingdienst aan eiseres uitstel heeft gegeven tot 1 juli 2020, worden de gegevens van de maand maart 2020 zoals deze uiterlijk op 30 juni 2020 bekend waren bij de beoordeling betrokken. Partijen verschillen hierover niet van mening.

6. Bij de beoordeling of er recht bestaat op (voorschotten) op de NOW-2 is van belang of er sprake is van SV-loon. Partijen zijn het daarover eens. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat er uiterlijk op 30 juni 2020 geen aangifte was gedaan van SV-loon. Daarbij is gewezen op een uitdraai van de polisadministratie. Deze uitdraai is bij het verweerschrift gevoegd.

7. De rechtbank stelt vast dat de uitdraai van de polisadministratie die door de minister is overgelegd betrekking heeft op ťťn van de twee werknemers van eiseres. Op de uitdraai van de polisadministratie is te zien dat op 2 juni 2020 een bedrag aan SV-loon is opgegeven van € 1.381,--. Dit bedrag staat in de uitdraai van de polisadministratie zowel in de kolom SVloon (LNSV) als in de kolom bijzondere beloningen (LNTABBB). Op 13 augustus 2020 staat ditzelfde bedrag nog enkel in de kolom SV-loon. Uit de overige stukken blijkt dat eiseres twee werknemers in dienst heeft en dat voor allebei SV-loon is aangegeven. Uit de aangifte blijkt dat het SV-loon van de andere werknemer € 2.200,- bedraagt.

8. Namens de minister is ter zitting toegelicht dat eiseres weliswaar op 2 juni 2020 SVloon over de maand maart 2020 heeft opgegeven in de aangifte, maar dat dit als een bijzondere beloning is opgevoerd. Volgens de minister is een bijzondere beloning ook SVloon, maar omdat de werknemers (eerder in de loonaangifte) aangemerkt zijn als niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen kan het opgegeven loon niet aangemerkt worden als SV-loon. Er is dan geen loonsom zoals bedoeld in de NOW, aldus de minister. De rechtbank volgt de minister niet in deze redenering. Bij de beoordeling of er sprake is van SV-loon volgt de minister immers de polisadministratie. Nu er in de polisadministratie op
2 juni 2020 SV-loon is opgenomen zal de minister dit in beginsel ook moeten volgen. Als de minister wil afwijken van de gegevens in de polisadministratie zal hij dat gemotiveerd moeten doen en met inachtneming van alle feiten1. Daarbij is van belang dat de minister al wel nader heeft onderzocht hoe de aangifte van het SV-loon is gedaan (als bijzondere beloning), maar dat dit onderzoek niet volledig is geweest. Uit alle overige gegevens blijkt namelijk dat eiseres eerder in de aangifte een verkeerd kruisje heeft gezet, waardoor de werknemers per abuis als niet verzekerd zijn aangemerkt. Als de minister dus volledig onderzoek zou hebben gedaan naar de juistheid van de gegevens in de polisadministratie was hij tot de conclusie gekomen dat er sprake was van SV-loon. Dit blijkt overigens ook uit de loonaangifte van eiseres over eerdere jaren.

9. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat eiseres voldoet aan de voorwaarde dat er uiterlijk op 30 juni 2020 sprake is van opgegeven SV-loon. Eiseres heeft daarom recht op voorschotten op de NOW-2. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij de minister in overweging wordt gegeven bij toekenning van het voorschot te bezien of tijdens het subsidietijdvak sprake is van beŽindiging van de dienstbetrekking van de werknemers van eiseres en in hoeverre dit van invloed is op het toe te kennen voorschot. Hoewel de voorschotbepaling op zich geen ruimte biedt om rekening te houden met (loon)ontwikkelingen na maart 2020 en de korting van artikel 8, vijfde lid, van de NOW-2 daarom in beginsel pas aan de orde is bij de definitieve vaststelling van de subsidie, staat daar tegenover dat de subsidieperiode inmiddels al is verstreken.
De rechtbank stelt voor het nemen van een nieuw besluit een termijn van zes weken.

Proceskosten en griffierecht
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

In het Besluit proceskosten bestuursrecht is bepaald welke kosten gemaakt in bezwaar en beroep voor vergoeding in aanmerking komen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat hij eerder in dienst was bij eiseres en dat hij na uitdiensttreding geen kosten in rekening brengt. Dit betekent dat eiseres op grond van het besluit proceskosten geen recht heeft op een veroordeling in de kosten. Er zijn immers geen kosten gemaakt voor bezwaar en beroep door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.

Schadevergoeding
11. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Met de vernietiging van het bestreden besluit staat in dit geval vast dat er sprake is van een onrechtmatig besluit.

12. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit. Verder geldt dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat die schadeposten aan het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend2. Ten slotte is het aan de belanghebbende om de gevorderde schade te specificeren en te onderbouwen.

13. Eiseres heeft vergoeding gevraagd voor uren die gemoeid zijn met de aanvraag en het bezwaar en beroep. Verder wil eiseres een schadeloosstelling voor het verlies van arbeidskrachten die door haar intern zijn geschoold en opgeleid en vergoeding van emotionele schade.

Kosten van gemaakte uren die betrekking hebben op de aanvraag
De vraag is welke kosten eiseres heeft moeten maken die zij niet gemaakt zou hebben als er meteen een rechtmatig besluit zou zijn afgegeven. Als meteen een voorschot zou zijn toegekend had eiseres ook tijd besteed aan de aanvraag. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

Kosten in verband met bezwaar en beroep
De regeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent een exclusief, forfaitair en limitatief karakter. Dat brengt volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep mee dat geen plaats is voor een aanvullende vergoeding van proceskosten langs de weg van een schadeverzoek3. De geclaimde kosten kunnen daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Verlies van arbeidskrachten/kosten scholing
Eiseres heeft deze claim niet nader onderbouwd, zodat ook deze claim niet voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal daarbij in het midden laten of de scholingskosten in dusdanig causaal verband tot het bestreden besluit staan dat zij voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen.

Emotionele schade (immateriŽle schade)
Bij de beantwoording van de vraag of voldoende aanleiding bestaat om immateriŽle schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast4. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of andere persoonlijkheidsrechten van de benadeelde5.

De rechtbank stelt voorop dat ook een onderneming (rechtspersoon) in aanmerking kan komen voor een immateriŽle schadevergoeding6. De rechtbank begrijpt dat (de bestuurder van) eiseres spanning en onzekerheid heeft ervaren door het bestreden besluit en dat dit besluit een impact heeft gehad op de bedrijfsvoering van eiseres. Dit kan echter niet aangemerkt worden als een ernstige inbreuk als hiervoor bedoeld. Ook het verzoek om immateriŽle schade zal daarom worden afgewezen.

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 354,00 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzitter, en mr. G.M.J. Kok en mr. L.P. Hertsig, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 18 maart 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage wettelijk kader


NOW-2

Artikel 4. Voorwaarden voor subsidieverlening
1. De minister kan aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van vier kalendermaanden in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 november 2020 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020.

Artikel 8. Hoogte van de subsidie
1. De hoogte van de subsidie is de uitkomst van: A x B x 4 x 1,4 x 0,9 Hierbij staat:
A voor het percentage van de omzetdaling;
B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, met dien verstande dat:
a. de uitbetaling van vakantiebijslag in het gehanteerde aangiftetijdvak niet wordt meegenomen bij de vaststelling van de loonsom, met uitzondering van de uitbetaling van vakantiebijslag door de werkgever die geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen;
b. de loonsom wordt vermenigvuldigd met 0,926, indien de werkgever geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen;
c. de loonsom wordt verminderd met een extra periode salaris dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid; en
d. het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan € 9.538 per tijdvak van een maand, berekend na toepassing van de onderdelen a tot en met c.
2 Voor de loonsom, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het loon over het derde aangiftetijdvak van het jaar 2020, met dien verstande dat indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.
3 Indien er geen loongegevens zijn over het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgegaan van het loon over de maand november van het jaar 2019. Indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, wordt uitgegaan van het loon over het twaalfde aangiftetijdvak van het jaar 2019, waarbij de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.
4 Indien er geen sprake is van een aangiftetijdvak van een maand of vier weken, wordt het loon per werknemer herleid naar een loon per aangiftetijdvak van een maand.
5 Indien de loonsom bedoeld onder de letter C lager is dan viermaal de loonsom als bedoeld in het eerste lid, onder de letter B, wordt de subsidie verlaagd met:
(B x 4 - C) x 1,4 x 0,9
Hierbij staat:
B voor de loonsom, zoals berekend op grond van het eerste lid tot en met het vierde lid;
C voor de loonsom over de periode 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020, met dien verstande dat het eerste lid tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing is, waarbij de gehanteerde aangiftetijdvakken het zesde tot en met het negende aangiftetijdvak van het jaar 2020 zijn.
(...)
7 De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van de letter B, bedoeld in het eerste lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 mei 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.

Artikel 12. Berekening van de hoogte van de subsidieverlening
De hoogte van het bedrag van de subsidieverlening is de uitkomst van:
A* x B x 4 x 1,4 x 0,9 Hierbij staat:
A* voor het percentage van de door de werkgever verwachte omzetdaling;
B voor de loonsom, zoals berekend op grond van artikel 8, eerste tot en met vierde lid.

Artikel 13. Voorschot
1. De Minister verstrekt de werkgever bij de beschikking tot subsidieverlening een voorschot.
2 De hoogte van het voorschot bedraagt 80% van het bedrag van de verlening, bedoeld in artikel 12.
3 Het voorschot wordt betaald in ten hoogste twee termijnen.

Voetnoten

1 ECLI:NL:CRVB:2019:2242

2 ECLI:NL:CRVB:2017:1644

3 ECLI:NL:CRVB:2016:2927

4 artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek

5 ECLI:NL:CRVB:2019:4359

6 ECLI:NL:HR:2015:147

Datum 20210318