FutD - archief
Print

Nummer fida20210974
Kenmerk Rechtbank Den Haag 15 februari 2021 SGR21/170
Titel TOZO lening bedrijfskapitaal geen algemene bijstand: voorschot afgewezen
Samenvatting X en Y gingen in beroep tegen de afwijzing van hun aanvraag om bijstand voor bedrijfskapitaal in de vorm van een rentedragende lening op grond van de TOZO. Zij verzochten de voorzieningenrechter van Rechtbank Den Haag om een voorschot op een lening bedrijfskapitaal van € 10.157, maar die wees het verzoek af. De voorzieningenrechter leidde uit artikel 13, lid 2, TOZO af dat voor bijstand in de voorziening van bedrijfskapitaal geen voorschot mogelijk was. Er was volgens de Rechtbank geen sprake van dat een deel van de aangevraagde lening bedrijfskapitaal zag op het levensonderhoud van X en Y. Daarvoor was aan hen al een TOZO-uitkering levensonderhoud toegekend. Volgens de Rechtbank ging het hier daarom niet om een vorm van algemene bijstand en kon geen voorschot in de vorm van een (al dan niet rentedragende) lening worden verstrekt. Bovendien hadden X en Y om toekenning van het hele bedrag van de lening via een voorlopige voorziening gevraagd, waardoor bij toewijzing daarvan de in het geding zijnde aanvraag feitelijk al volledig zou worden gehonoreerd
Tekst

Zaaknummer: AWB - 21 _ 170

Uitspraak

Voorlopige voorziening

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/170

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 februari 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. E.S. Tršger),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder

(gemachtigde: V. Brand).

Procesverloop


Bij besluit van 19 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers om bijstand voor bedrijfskapitaal in de vorm van een rentedragende lening op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) afgewezen.

Bij besluit van 4 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen


1. Verzoekers hebben op 28 mei 2020 een lening bedrijfskapitaal op grond van de Tozo aangevraagd, ten bedrage van € 10.157,--. Die aanvraag is door verweerder afgewezen. In bezwaar is de afwijzing gehandhaafd.

2. Verzoekers hebben beroep ingesteld en verzocht een voorlopige voorziening te treffen, en wel in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat aan verzoekers een voorschot op een lening bedrijfskapitaal wordt toegekend ter hoogte van € 10.157,--.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat een spoedeisend belang aanwezig is, gelet op de uit de stukken blijkende financiŽle verplichtingen en de beperkte financiŽle middelen (Tozo-uitkering levensonderhoud).

4. Artikel 13 van de Tozo luidt:

1. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt naar de regels van dit besluit verleend in de vorm van een rentedragende lening.
2. Een voorschot als bedoeld in artikel 52 van de wet kan geen betrekking hebben op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

Met de woorden 'de wet' in het tweede lid van dit artikel wordt verwezen naar de Participatiewet (Pw).

5. Uit artikel 13, tweede lid, van de Tozo leidt de voorzieningenrechter af dat voor bijstand in de voorziening van bedrijfskapitaal geen voorschot (als bedoeld in artikel 52 van de Pw) mogelijk is. Nu er geen sprake van is dat een deel van de aangevraagde lening bedrijfskapitaal ziet op het levensonderhoud van verzoekers (daarvoor is immers de door verweerder toegekende Tozo-uitkering levensonderhoud bedoeld) en het hier dus niet gaat om een vorm van algemene bijstand, kan naar voorlopig oordeel geen voorschot in de vorm van een (al dan niet rentedragende) lening verstrekt worden. Daarbij komt dat verzoekers het gehele bedrag van de aangevraagde lening als voorlopige voorziening vragen, waardoor bij toewijzing van die voorziening de in geding zijnde aanvraag feitelijk al volledig zou worden gehonoreerd. Uit het voorgaande volgt dat hetgeen als voorlopige voorziening is verzocht niet toewijsbaar is. Daarom zal het verzoek worden afgewezen.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7. De voorzieningenrechter realiseert zich dat verzoekers belang hebben bij een spoedige beoordeling van hun beroep, waarin immers de vraag aan de orde komt of de door hen aangevraagde bijstand voor bedrijfskapitaal in de vorm van een rentedragende lening al dan niet terecht is afgewezen. Daartoe is nader onderzoek nodig van het (omvangrijke) dossier met daarin onder meer jaarcijfers van de onderneming van verzoekers en diverse belastingaanslagen. Voor dat onderzoek is geen plaats in een procedure als de onderhavige. Daarom zal de voorzieningenrechter geen gebruik maken van zijn bevoegdheid tot kortsluiting. Wel zal hij zo veel mogelijk bevorderen dat een spoedige behandeling van de bodemzaak plaatsvindt.

Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van A. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2021.

De griffier is niet in de
gelegenheid te tekenen

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Datum 20210215