FutD - archief
Print

Nummer fida20210973
Kenmerk Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 januari 2021 BRE20/10184TOZOVV
Titel TOZO niet voor al vůůr de coronacrisis bestaande financiŽle problemen
Samenvatting Kunsthandelaar X vroeg met ingang van 1 oktober 2020 een aanvullende uitkering voor levensonderhoud (TOZO 3) aan. Zijn inkomsten waren nihil omdat alle evenementen, beurzen en markten waren geannuleerd wegens de coronacrisis. De gemeente wees de aanvraag af omdat uit de aangifte IB 2019 van X bleek dat zijn inkomen over dat jaar al ruim onder het sociaal minimum lag. Dat betekende dat zijn inkomen niet als gevolg van de coronacrisis was gedaald tot onder het sociaal minimum. X maakte bezwaar tegen de afwijzing en diende een verzoek in om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van Rechtbank Zeeland-West-Brabant was het echter met de gemeente eens dat X geen recht had op TOZO 3. Deze regeling was in het leven geroepen voor zelfstandigen die als gevolg van de coronacrisis, buiten hun invloedssfeer, in acute financiŽle problemen waren geraakt. Volgens de voorzieningenrechter was voor gevallen als dat van X, waarbij het inkomen uit onderneming structureel (ruim) onder het sociaal minimum lag, het aanvragen van reguliere bijstand de geŽigende weg.
Tekst

Zaaknummer: AWB- 20_10184 VV

Uitspraak

Voorlopige voorziening

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/10184 TOZO VV

uitspraak van 11 januari 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,


en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, verweerder.



Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 december 2020 (bestreden besluit) van verweerder. In dat besluit heeft het college zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo 3) afgewezen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker heeft sinds 1 augustus 2006 een eigen onderneming in de kunsthandel.

Verzoeker heeft over de periode van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020 een Tozo 1 uitkering ontvangen.

Op 3 november 2020 heeft verzoeker met ingang van 1 oktober 2020 een aanvullende uitkering voor levensonderhoud (Tozo 3 uitkering) aangevraagd. Omdat alle evenementen, beurzen en markten geannuleerd zijn wegens de coronacrisis, zijn verzoekers inkomsten nihil. Bij zijn aanvraag heeft hij onder meer een voorlopige aanslag 2019 ingeleverd.

Het college heeft de aanvraag in een interne nota beoordeeld. Daarin is op grond van de ingeleverde voorlopige aanslag 2019 vastgesteld dat verzoeker vůůr de coronacrisis al een inkomen had dat ruim onder het sociaal minimum lag, namelijk (€ 2.751,- fiscale winst x 18% correctie : 12 maanden =) € 187,99 netto per maand.

Bij het bestreden besluit is de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker volgens het college niet aan de voorwaarden voldoet. Uit verzoekers aangifte inkomstenbelasting 2019 blijkt dat hij in 2019 al een inkomen had dat ruim onder het sociaal minimum lag. Dat betekent dat zijn inkomen niet als gevolg van de coronacrisis is gedaald tot onder het sociaal minimum. Daarom heeft hij geen recht op een Tozo 3 uitkering.

2. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij naar zijn mening wel voldoet aan alle eisen voor een Tozo 3 uitkering. Vanwege de coronacrisis zijn zijn inkomsten gedaald naar nihil. Dit was ook zo in de periode vanaf maart 2020 en toen heeft hij een Tozo 1 uitkering gekregen. Hij heeft al 10 jaar een levensvatbaar bedrijf, hij is economisch actief, staat ingeschreven bij de KvK, betaalt belasting en BTW en heeft een boekhouder. De Tozo 3 kent geen levensvatbaarheidstoets. Hij kan zichzelf normaliter met dit bescheiden inkomen redden. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat aan hem hangende het bezwaar een Tozo 3 uitkering wordt toegekend.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Wettelijk kader

Op grond van artikel 2 van de Tozo kan bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van dit besluit worden verleend aan de zelfstandige die op 17 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2, van de Handelsregisterwet 2007 en schriftelijk verklaart dat diens bedrijf of zelfstandig beroep financieel is geraakt als gevolg van de crisis in verband met COVID-19.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Tozo wordt in de verklaring door de aanvrager van algemene bijstand het volgende verklaard en de volgende informatie verstrekt:
a. dat diens bedrijf of zelfstandig beroep financieel is geraakt als gevolg van de crisis in verband met COVID-19, voorzien van een toelichting;
[...]

5. Wat vindt de voorzieningenrechter?

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Verweerder heeft de Tozo 3 aanvraag van verzoeker afgewezen op de grond dat verzoekers inkomen niet als gevolg van de corona crisis onder het sociaal minimum is komen te liggen. Het causaal verband ontbreekt. Uit de aangifte inkomstenbelasting - die nog niet voorhanden was bij de Tozo 1 aanvraag - blijkt dat verzoekers inkomen uit het bedrijf ook in 2019 al ruim onder het sociaal minimum lag (namelijk € 187,99 netto per maand). Volgens verweerder is de Tozo 3 regeling niet voor gevallen als dat van verzoeker bedoeld. De strekking van de Tozo is niet het aanvullen tot bijstandsniveau van een inkomenssituatie die structureel al beneden het sociaal minimum lag. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld reguliere bijstand aan te vragen, maar daarvan wenste hij geen gebruik te maken.

De voorzieningenrechter is het met verweerder eens. Uit de Nota van Toelichting bij de Tozo (staatsblad 2020, 118) blijkt dat deze regeling in het leven is geroepen voor zelfstandigen die als gevolg van de corona crisis, buiten hun invloedssfeer, met acute financiŽle problemen zijn geraakt. Zo staat er bijvoorbeeld:

"De regering is van mening dat deze coronacrisis niet als normaal ondernemersrisico kan worden aangemerkt. De regering acht het daarom gerechtvaardigd en noodzakelijk om zelfstandigen die als gevolg van de coronacrisis in financiŽle problemen zijn geraakt, tijdelijk te ondersteunen" en "De regering komt daarom met de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). [...] Zelfstandig ondernemers met financiŽle problemen als gevolg van de coronacrisis kunnen een beroep doen op deze voorziening."

Verzoeker bestrijdt niet dat hij ook vůůr de coronacrisis met zijn bedrijf een inkomen had dat ruim onder het sociaal minimum lag. Hij stelt in bezwaar dat hij altijd in staat is geweest met een bescheiden inkomen rond te komen.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor gevallen als dat van verzoeker, waarbij het inkomen uit onderneming structureel (ruim) onder het sociaal minimum ligt, het aanvragen van reguliere bijstand de geŽigende weg is. De verwachting van de voorzieningenrechter is dan ook dat het besluit tot afwijzing van de Tozo 3 aanvraag in bezwaar standhoudt. Zij ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en wijst het verzoek daartoe af.

Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsť, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.M. van Sambeek, griffier, op 11 januari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Datum 20210111